Staatsblad 2020, 507
Wet van 11 november 2020 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen te verbeteren en daartoe enkele regels inzake bestuur en toezicht voor alle rechtspersonen
te uniformeren alsmede enkele specifiek voor stichtingen geldende bepalingen te introduceren;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I WIJZIGING VAN BOEK 2 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
A t/m D [vervallen]
E
Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende: Indien een vereniging toepassing geeft aan artikel 44a, bepaalt de algemene vergadering of een bestuurder wordt benoemd tot uitvoerende bestuurder onderscheidenlijk niet uitvoerende bestuurder.
2. In het vierde lid wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende: Indien de voordracht één kandidaat voor een te vervullen plaats bevat, heeft een besluit over de voordracht tot gevolg dat de kandidaat is benoemd, tenzij het bindende karakter aan de
voordracht wordt ontnomen.
F
Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:
Na het tweede lid worden enkele leden toegevoegd, luidende:
3. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vereniging en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
4. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.
5. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van
ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden,
wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.
6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 3. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt
het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
7. Tenzij de statuten anders bepalen, kan de algemene vergadering aan de bestuurders een bezoldiging toekennen.
8. De bestuurders hebben als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering.
FA
Na artikel 44 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 44a
1. Bij de statuten kan worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders. De taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door bestuurders kan niet door een taakverdeling
worden ontnomen aan niet uitvoerende bestuurders. Het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders kan niet aan een uitvoerende bestuurder worden
toebedeeld. Niet uitvoerende bestuurders zijn natuurlijke personen.
2. Bij of krachtens de statuten kan worden bepaald dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Bepaling krachtens de statuten geschiedt schriftelijk.
3. Het bestuur is te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerende bestuurder.
4. De uitvoerende bestuurders nemen niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming over het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders.
G
Artikel 47 komt te luiden:
Artikel 47
1. Tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 44a lid 1, kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. Deze kan ook als raad van toezicht worden aangeduid. De raad bestaat uit een of meer natuurlijke personen.
2. De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vereniging en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Hij staat het bestuur met raad terzijde. Bij de vervulling van
hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vereniging en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
3. Tenzij bij de statuten anders is bepaald, is de raad van commissarissen bevoegd iedere door de algemene vergadering benoemde bestuurder te allen tijde te schorsen. Deze schorsing kan te allen tijde door de algemene vergadering worden opgeheven.
4. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen.
5. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle commissarissen. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval
van ontstentenis of belet van een of meer commissarissen. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van commissarissen ingevolge een statutaire regeling de taken van een commissaris vervult, wordt
voor het vervullen van die taken met een commissaris gelijkgesteld.
6. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en zijn leden bevatten.
7. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vereniging en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Wanneer
de raad van commissarissen hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
8. Tenzij de statuten anders bepalen, kan de algemene vergadering aan de commissarissen als zodanig een bezoldiging toekennen.
9. Tenzij de statuten de commissarissen stemrecht toekennen, hebben zij als zodanig in de algemene vergadering een raadgevende stem.
10. Het bestuur verschaft de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens.
11. Het bestuur stelt ten minste een keer per jaar de raad van commissarissen schriftelijk op de hoogte van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen.
GA
Na artikel 47 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 47a
1. Op de benoeming van commissarissen die niet reeds bij de akte van oprichting zijn aangewezen, is artikel 37 van toepassing, tenzij de benoeming overeenkomstig artikel 63f geschiedt. Hetzelfde geldt voor schorsing en ontslag van commissarissen.
2. Bij een aanbeveling of voordracht tot benoeming van een commissaris worden van de kandidaat meegedeeld zijn leeftijd, zijn beroep, de betrekkingen die hij bekleedt of heeft bekleed voor zover die van belang zijn in verband met de vervulling van de taak
van een commissaris. Tevens wordt vermeld aan welke rechtspersonen hij reeds als commissaris is verbonden; indien zich daaronder rechtspersonen bevinden, die tot een zelfde groep behoren, kan met de aanduiding van de groep worden volstaan. De aanbeveling en
de voordracht tot benoeming of herbenoeming worden gemotiveerd. Bij herbenoeming wordt rekening gehouden met de wijze waarop de kandidaat zijn taak als commissaris heeft vervuld.
H
Artikel 50a komt te luiden:
Artikel 50a
1. Ten aanzien van de taakvervulling door bestuurders vindt het bepaalde bij de artikelen 131 en 138 lid 1 en leden 3 tot en met 10 overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van de taakvervulling door bestuurders vindt het bepaalde bij de artikelen 138 lid 2 en 139 overeenkomstige toepassing in geval van:
a. een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen; of
b. een vereniging die bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in titel 9.
3. Ten aanzien van de taakvervulling door commissarissen vindt overeenkomstige toepassing:
a. het bepaalde in lid 1 en lid 2, met dien verstande dat in lid 2 voor artikel 139 moet worden gelezen artikel 150; en
b. het bepaalde in artikel 9. I[vervallen]
J
De artikelen 57 en 57a komen te vervallen.
K
Artikel 63f wordt als volgt gewijzigd: In het vijfde lid wordt «artikel 57a lid 2» vervangen door: artikel 47a lid 2.
L
Na artikel 63j wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 63k
1. In afwijking van artikel 63f lid 1 kan toepassing worden gegeven aan artikel 44a. In dat geval is het bepaalde ten aanzien van de raad van commissarissen onderscheidenlijk de commissarissen in artikel 63f leden 2 tot en met 11 en artikelen 63g tot met
63i van overeenkomstige toepassing op de niet uitvoerende bestuurders.
2. Indien toepassing is gegeven aan artikel 44a, vereisen de besluiten in de zin van artikel 63j lid 1 de goedkeuring van de meerderheid van de niet uitvoerende bestuurders. Het ontbreken van de goedkeuring tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het
bestuur of de bestuurders niet aan.
3. Van de toepassing van artikel 44a lid 2 zijn uitgesloten de besluiten van het bestuur in de zin van artikel 63j.
M t/m P[vervallen]
Q
In artikel 131 wordt «artikel 685 van Boek 7» vervangen door: artikel 671b en artikel 671c van Boek 7.
R[vervallen]
S
Artikel 134 lid 4 komt als volgt te luiden:
4. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van
ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden,
wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.
T[vervallen]
U
Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van het zesde lid wordt de volgende zin toegevoegd: De bestuurder is niet bevoegd tot verrekening met een vordering op de vennootschap.
2. In het zevende lid komt de tweede volzin als volgt te luiden: De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter benoemde bewindvoerder of een door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aangestelde bestuurder als bedoeld in
artikel 356, onder c.
V en W[vervallen]
X
Aan artikel 142 wordt na het derde lid een lid toegevoegd, luidende:
4. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle commissarissen. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval
van ontstentenis of belet van een of meer commissarissen. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van commissarissen ingevolge een statutaire regeling de taken van een commissaris vervult, wordt
voor het vervullen van die taken met een commissaris gelijkgesteld.
Y t/m BB[vervallen]
CC
Artikel 151 komt te vervallen.
DD
In artikel 155, eerste lid, aanhef, en in artikel 155a, eerste lid, aanhef, wordt «In afwijking van artikel 154 geldt artikel 162 niet voor een vennootschap waarin» telkens vervangen door: In afwijking van artikel 154 gelden de artikelen 162 en 164a lid
2 niet voor een vennootschap waarin.
EE t/m LL[vervallen]
MM
In artikel 241 wordt «artikel 685 van Boek 7» vervangen door: artikel 671b en artikel 671c van Boek 7.
NN[vervallen]
OO
Artikel 244 lid 4 komt als volgt te luiden:
4. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van
ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden,
wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.
PP
Artikel 248 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van het zesde lid wordt de volgende zin toegevoegd: De bestuurder is niet bevoegd tot verrekening met een vordering op de vennootschap.
2. In het zevende lid komt de tweede volzin als volgt te luiden: De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter benoemde bewindvoerder of een door de ondernemingskamer
van het gerechtshof Amsterdam aangestelde bestuurder als bedoeld in artikel 356, onder c. QQ en RR[vervallen]
SS
Het vierde lid van artikel 252 komt als volgt te luiden:
4. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle commissarissen. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval
van ontstentenis of belet van een of meer commissarissen. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van commissarissen ingevolge een statutaire regeling de taken van een commissaris vervult, wordt
voor het vervullen van die taken met een commissaris gelijkgesteld.
TT t/m WW[vervallen]
XX
Artikel 261 komt te vervallen.
YY
In artikel 265, eerste lid, aanhef, en in artikel 265a, eerste lid, aanhef, wordt «In afwijking van artikel 264 geldt artikel 272 niet voor een vennootschap waarin» telkens vervangen door: In afwijking van artikel 264 gelden de artikelen 272 en 274a lid
2 niet voor een vennootschap waarin.
ZZ[vervallen]
AAA
Artikel 286, vierde lid, onderdeel c, komt te luiden: c. de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders en, indien er een raad van commissarissen wordt ingesteld, de wijze van benoeming en ontslag van commissarissen;
BBB
Artikel 291 wordt als volgt gewijzigd: Na het tweede lid worden enkele leden toegevoegd, luidende: 3. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
4. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.
5. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van
ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden,
wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.
6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 3. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt
het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, tenzij de statuten
anders bepalen.
7. De statuten kunnen bepalen dat aan bestuurders een bezoldiging wordt toegekend.
BBBA
Na artikel 291 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 291a
1. Bij de statuten kan worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders. De taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door bestuurders kan niet door een taakverdeling
worden ontnomen aan niet uitvoerende bestuurders. Het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders kan niet aan een uitvoerende bestuurder worden
toebedeeld. Niet uitvoerende bestuurders zijn natuurlijke personen.
2. Bij of krachtens de statuten kan worden bepaald dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Bepaling krachtens de statuten geschiedt schriftelijk.
3. Bij de benoeming wordt vermeld of een bestuurder wordt benoemd tot uitvoerende bestuurder of tot niet uitvoerende bestuurder.
4. Het bestuur is te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerende bestuurder.
5. De uitvoerende bestuurders nemen niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming over het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders.
BBBB
Na artikel 292 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 292a
1. Tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 291a lid 1, kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. Deze kan ook als raad van toezicht worden aangeduid. De raad bestaat uit een of meer natuurlijke personen.
2. De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Hij staat het bestuur met raad terzijde. Bij de vervulling van
hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
3. Tenzij bij de statuten anders is bepaald, is de raad van commissarissen bevoegd iedere bestuurder te allen tijde te schorsen. De schorsing kan te allen tijde worden opgeheven door het orgaan dat of de persoon die bevoegd is tot benoeming.
4. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen.
5. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle commissarissen. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval
van ontstentenis of belet van een of meer commissarissen. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van commissarissen ingevolge een statutaire regeling de taken van een commissaris vervult, wordt
voor het vervullen van die taken met een commissaris gelijkgesteld.
6. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en zijn leden bevatten.
7. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Wanneer
de raad van commissarissen hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de raad onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, tenzij de statuten anders bepalen.
8. De statuten kunnen bepalen dat aan de commissarissen als zodanig een bezoldiging wordt toegekend.
9. Bij een aanbeveling of voordracht tot benoeming van een commissaris worden van de kandidaat meegedeeld zijn leeftijd, zijn beroep, de betrekkingen die hij bekleedt of heeft bekleed voor zover die van belang zijn in verband met de vervulling van de taak
van een commissaris. Tevens wordt vermeld aan welke rechtspersonen hij reeds als commissaris is verbonden; indien zich daaronder rechtspersonen bevinden, die tot een zelfde groep behoren, kan met de aanduiding van de groep worden volstaan. De aanbeveling en
de voordracht tot benoeming of herbenoeming worden gemotiveerd. Bij herbenoeming wordt rekening gehouden met de wijze waarop de kandidaat zijn taak als commissaris heeft vervuld.
10. Het bestuur verschaft de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens.
11. Het bestuur stelt ten minste een keer per jaar de raad van commissarissen schriftelijk op de hoogte van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen.
CCC
Artikel 298 komt te luiden:
Artikel 298
1. Een bestuurder kan op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan
het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel.
2. De rechtbank kan, hangende het onderzoek, voorlopige voorzieningen in het bestuur treffen en de bestuurder schorsen.
3. Een door de rechtbank ontslagen bestuurder kan gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting worden, tenzij de bestuurder mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4. Het in de voorgaande leden bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen.
CCCA
Na artikel 298 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 298a
1. Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken.
2. Het in het voorgaande lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen.
DDD
Artikel 300a komt te luiden:
Artikel 300a
1. Ten aanzien van de taakvervulling door bestuurders vindt het bepaalde bij de artikelen 131 en 138 lid 1 en leden 3 tot en met 10 overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van de taakvervulling door bestuurders vindt het bepaalde bij de artikelen 138 lid 2 en 139 overeenkomstige toepassing in geval van:
a. een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen; of
b. een stichting die bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in titel 9.
3. Ten aanzien van de taakvervulling door commissarissen vindt overeenkomstige toepassing:
a. het bepaalde in lid 1 en lid 2, met dien verstande dat in lid 2 voor artikel 139 moet worden gelezen artikel 150; en
b. het bepaalde in artikel 9.
EEE[vervallen]
ARTIKELEN II T/M IX
[vervallen]
ARTIKEL X WIJZIGING VAN DE WET VERPLICHTE BEROEPSPENSIOENREGELING
In artikel 110, tweede lid, wordt «zijn artikel 129a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 110a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing» vervangen door: is artikel 110a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
ARTIKEL XI WIJZIGING VAN DE WET OP DE LOONVORMING
[vervallen]
ARTIKEL XII WIJZIGING VAN DE WONINGWET
De Woningwet wordt als volgt gewijzigd:
a. Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervallen de eerste en tweede volzin.
2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot derde lid.
b. Artikel 32 komt te vervallen.
ARTIKELEN XIII EN XIV
[vervallen]
ARTIKEL XV OVERGANGSRECHT
1. De artikelen 29, eerste lid, 74, 79 en 80 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De algemene vergadering kan, indien een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is vertegenwoordigd door het bestuur of een bestuurder terwijl er een tegenstrijdig belang was met een of
meer bestuurders, die vertegenwoordiging bekrachtigen door de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers daartoe aan te wijzen op of na de datum van inwerkingtreding van de wet.
3. Op een statutaire regeling die inhoudt dat in alle gevallen waarin de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders of commissarissen, de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij
wordt vertegenwoordigd door een ander dan het bestuur of een bestuurder, kan na de inwerkingtreding van de wet geen beroep meer worden gedaan.
4. De rechtspersoon brengt bij de eerstvolgende statutenwijziging na inwerkingtreding van deze wet de statuten in overeenstemming met artikel 44 leden 4 en 5, artikel 47 leden 4 en 5, artikel 291 leden 4 en 5 en artikel 292a leden 4 en 5 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
5. Een statutaire bepaling die vóór inwerkingtreding van deze wet bepaalt dat een bepaalde bestuurder of een commissaris van een vereniging, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een stichting, meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders
respectievelijk commissarissen tezamen, is geldig tot uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet of tot de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding van deze wet, naar gelang welk moment eerst valt.
ARTIKEL XVI SAMENLOOP
A
Indien het bij koninklijke boodschap van 23 maart 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het voortzetten van het streefcijfer voor een evenwichtige verdeling van de zetels van het bestuur en de
raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen (34 435), tot wet is of wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:
1. In artikel I, onderdeel A, wordt in artikel 166, tweede lid, onder b, «de artikelen 142, 158 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 159» vervangen door: de artikelen 11 lid 10, 142, 158 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 159.
2. In artikel I, onderdeel B, wordt in artikel 276, tweede lid, onder b, «de artikelen 252 lid 1 tot en met 3, 268 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 269» vervangen door: de artikelen 11 lid 10, 252, 268 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 269.
B1. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de aanwijzing door de rechtbank van een beoogd curator ter bevordering van de afwikkeling van een eventueel faillissement
en vergroting van de kansen op voorzetting van een onderneming of van een doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen (Wet continuïteit ondernemingen I) (34 218), tot wet is of wordt verheven en artikel II, onderdeel A, van die wet eerder in werking is getreden
of treedt dan artikel I, onderdeel B, van deze wet, wordt artikel I, onderdeel B, van deze wet als volgt gewijzigd: In artikel 9c, eerste lid, wordt aan het slot toegevoegd: Indien sprake is geweest van een aanwijzing van een beoogd curator als bedoeld in
artikel 363 van de Faillissementswet, en tijdens de periode dat die aanwijzing duurde of in het faillissement dat daarop is gevolgd, blijkt dat de bestuurder bij zijn verzoek om die aanwijzing onjuiste informatie heeft verschaft over de meerwaarde van de voorbereiding
van het faillissement met het oogmerk het voorbereidingstraject op oneigenlijke gronden te gebruiken, heeft hij zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de aanwijzing door de rechtbank van een beoogd curator ter bevordering van de afwikkeling van een eventueel faillissement
en vergroting van de kansen op voorzetting van een onderneming of van een doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen (Wet continuïteit ondernemingen I) (34 218), tot wet is of wordt verheven, en artikel II, onderdeel A, van die wet later in werking treedt
dan I, onderdeel B van deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd: Artikel II, onderdeel A, komt te luiden: In artikel 9c lid 1 wordt aan het slot toegevoegd: Indien sprake is geweest van een aanwijzing van een beoogd curator als bedoeld in artikel 363 van
de Faillissementswet, en tijdens de periode dat die aanwijzing duurde of in het faillissement dat daarop is gevolgd, blijkt dat de bestuurder bij zijn verzoek om die aanwijzing onjuiste informatie heeft verschaft over de meerwaarde van de voorbereiding van
het faillissement met het oogmerk het voorbereidingstraject op oneigenlijke gronden te gebruiken, heeft hij zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
C
Indien het bij koninklijke boodschap van 15 november 2016 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massa-schade in een collectieve actie mogelijk te maken
(34 608), tot wet is of wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: In Artikel I, onderdeel A, wordt in artikel 305a, tweede lid, onder a, «artikel 9a, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 44a lid 1 of artikel 291a lid
1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
ARTIKEL XVIA EVALUATIE
Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
ARTIKEL XVII INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
ARTIKEL XVIII CITEERTITEL
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuur en toezicht rechtspersonen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 11 november 2020
Willem-Alexander
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker
Uitgegeven de elfde december 2020
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2015–2016
34 491 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I. Algemeen deel
1. Doel van het wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel beoogt de regeling voor bestuur en toezicht bij de verschillende soorten rechtspersonen aan te vullen en te verduidelijken. Het voorstel is daarbij met name gericht op verbetering van het wettelijke kader voor de vereniging, de coöperatie,
de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Hiermee wordt voorzien in een behoefte van de praktijk. Een belangrijk element van dit wetsvoorstel is dat er voor alle rechtspersonen als vermeld in artikel 2:3 van het Burgerlijk Wetboek, een wettelijke
grondslag komt voor de mogelijkheid tot instelling van een raad van commissarissen. Ook wordt het voor alle rechtspersonen mogelijk om te kiezen voor een monistisch bestuurssysteem. Verder wordt voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij
en de stichting, helderheid verschaft omtrent (i) de uitgangspunten die bestuurders en commissarissen bij de vervulling van hun taak in acht moeten nemen, (ii) de positie van bestuurders en commissarissen met een tegenstrijdig belang en (iii) de regels over
aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Dit gebeurt door de regels die op deze punten al gelden voor de naamloze vennootschap (de NV) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (de BV), te verplaatsen naar het algemene gedeelte
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 BW). Door de bedoelde regels op te nemen in het algemene gedeelte, komen zij ook te gelden voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Daarbij wordt, waar dat nodig is,
wel rekening gehouden met de verschillen tussen deze rechtspersonen. Ten slotte wordt de regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechter, gemoderniseerd en verduidelijkt. De ontslagregeling komt daarbij ook te gelden voor commissarissen
van een stichting. Het wetsvoorstel beoogt niet om wijziging te brengen in bestaande bestuurs- en toezichtstructuren bij de verschillende soorten rechtspersonen. Het voorstel bevat vooral een verduidelijking van het reeds geldende juridische kader. Evenmin
wordt wijziging gebracht in het toepassingsbereik van de regeling omtrent het aantal bestuurs- en toezichtfuncties dat iemand kan vervullen. De laatstgenoemde regeling, die onderdeel is van de Wet bestuur en toezicht, zal in 2016 worden geëvalueerd.
2. Aanleiding voor het wetsvoorstel
In het rechtspersonenrecht is het bestuur en toezicht op een aantal punten nog niet afdoende wettelijk geregeld. Voor een aantal aspecten van bestuur en toezicht geldt namelijk dat deze wel geregeld zijn voor de NV en de BV, maar dat de regeling voor de
andere rechtspersonen van Boek 2 BW ontbreekt of onvolledig is. Het gaat dan om de regeling voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Omdat de vormgeving van bestuur en toezicht ook voor de laatstgenoemde rechtspersonen
van wezenlijk belang is, bestaat behoefte aan aanvulling en verduidelijking van de wettelijke regeling van deze rechtspersonen. De vrijheid van rechtspersonen wordt daarbij overigens voldoende gewaarborgd. Zo biedt dit wetsvoorstel wel de mogelijkheid tot
instelling van een raad van commissarissen of een monistisch bestuur, maar worden rechtspersonen daartoe geenszins verplicht. Een van de onderwerpen die op dit moment onvoldoende geregeld is, betreft de taakstelling van bestuurders en commissarissen. Belangrijk
uitgangspunt van het rechtspersonenrecht is dat bestuurders en commissarissen gehouden zijn tot een behoorlijke taakvervulling en dat zij zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming
of organisatie. Dit uitgangspunt is voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting echter niet in de wet vastgelegd. Het met de taakstelling verband houdende aansprakelijkheidsregime van bestuurders en commissarissen
is bij deze rechtspersonen eveneens onvoldoende duidelijk. Verder bestaat behoefte aan een aanvulling van de wettelijke regeling omtrent de raad van commissarissen. Voor de vereniging en de stichting is de raad van commissarissen op dit moment niet wettelijk
geregeld. Daardoor bestaat er in de praktijk onzekerheid over onder meer de bevoegdheden van de raad van commissarissen bij deze rechtspersonen. Een ander onderwerp dat voor een aantal rechtspersonen nog onvoldoende geregeld is, betreft de besluitvorming bij
tegenstrijdig belang van een bestuurder of commissaris. Voor de stichting ontbreekt een wettelijke regeling op dit punt geheel. Verder bestaan er onnodige verschillen tussen de tegenstrijdig-belangregeling voor de NV en de BV en de tegenstrijdig-belangregeling
voor de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. De regeling voor de laatstgenoemde drie rechtspersonen blijkt in de praktijk bovendien onvoldoende duidelijk te zijn. Sinds enkele jaren geeft de wet aan de NV en de BV de mogelijkheid om te
kiezen voor een monistisch bestuursmodel. Voor de andere rechtsvormen kent de wet deze mogelijkheid niet. Dat laatste wordt in de praktijk als een gemis ervaren. Ook bij de andere rechtspersonen bestaat behoefte aan een wettelijke verankering van het monistisch
bestuurssysteem. Het voorliggende wetsvoorstel bewerkstelligt dat de wettelijke regeling van de rechtspersonen in Boek 2 BW wordt aangevuld en verduidelijkt. In dat kader wordt een aantal regels die reeds gelden voor de NV en de BV, verplaatst naar het algemene
gedeelte van de wettelijke regeling. De betreffende regels komen daardoor te gelden voor alle rechtspersonen. Voordeel van deze werkwijze is onder andere dat de uitleg die bij de NV en de BV al aan de betreffende regel is gegeven, ook kan worden toegepast
voor de andere rechtspersonen. Zodoende kan er onderlinge kruisbestuiving plaatsvinden en worden onnodige verschillen tussen de rechtsvormen weggenomen. Hiermee wordt de rechtszekerheid bevorderd. Omdat de regeling voor de Europese Vennootschap (SE) en de
regeling voor de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) deels aansluiten bij de regeling van de NV en de coöperatie, draagt het wetsvoorstel ook voor die rechtsvormen bij aan een verduidelijking en uniformering van het toepasselijke recht. Het is de bedoeling
dat door de aanvulling en verduidelijking van de regeling van rechtspersonen in Boek 2 BW, deze regeling ook beter bruikbaar wordt als basisregeling. In sectorspecifieke regelgeving kunnen eventueel aanvullende regels worden gesteld. Daarbij kan zo nodig ook
van de algemene basisregeling worden afgeweken. Het wetsvoorstel zelf is overigens niet gekoppeld aan bepaalde huidige of toekomstige sectorspecifieke regelgeving. Bedoeling is juist dat er in sectorspecifieke regeling bij de regeling van dit wetsvoorstel
wordt aangeknoopt. Illustratief in dat verband is het wetsvoorstel tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen. Blijkens de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel wordt met die
regeling onder meer aangesloten bij de in het onderhavige voorstel gegeven regels voor de taakvervulling en aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen (Kamerstukken II 2014/15, 34 251, nr. 3, p. 5 en 24–25). Een ander voorbeeld biedt de regelgeving
voor de zorgsector. Ook in die regelgeving wordt mede gesteund op de basisregels over bestuur en toezicht die met het voorliggende voorstel worden opgenomen in de algemene regeling van Boek 2 BW (zie onder meer Kamerstukken II 2015/16, 32 012, nr. 37, p. 6).
Met de in dit wetsvoorstel neergelegde regeling wordt ook invulling gegeven aan de aanbevelingen van de Commissie Behoorlijk Bestuur (de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in de semipublieke sector, onder voorzitterschap van mevrouw
F. Halsema; zie bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 28 479, nr. 68). Deze commissie heeft aangedrongen op een nauwkeuriger omschrijving van de taak en de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders van instellingen in semipublieke sectoren, en op
de invoering van een tegenstrijdig-belangregeling voor deze instellingen. Het voorstel vormt verder de hoeksteen van de maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen in semipublieke sectoren, zoals deze
zijn aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer van 12 november 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VI, nr. 31). Verder kan worden gewezen op de bevindingen van de ministeriële commissie Vernieuwing Publieke Belangen. Vanuit deze commissie is er onder
meer op gewezen dat een goede taakvervulling door interne toezichthouders bevorderd wordt door helder in het BW vast te leggen wat die taak is en welke aansprakelijkheid een intern toezichthouder heeft indien de taak onbehoorlijk wordt vervuld (zie Kamerstukken
II 2014/15, 33 822, nr. 4, p. 8). In de navolgende paragraaf wordt kort ingegaan op de belangrijkste elementen van het wetsvoorstel.
3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1. Wettelijke grondslag voor raad van commissarissen bij vereniging en stichting
Voor de vereniging en de stichting voorziet de huidige wettelijke regeling niet in een uitdrukkelijke grondslag voor de instelling – uit eigen beweging – van een raad van commissarissen. Een dergelijke grondslag bestaat enkel bij de NV (artikel 2:140 lid
1 BW), de BV (artikel 2:250 lid 1 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 1 BW).
Met dit wetsvoorstel wordt in het algemene gedeelte van Boek 2 BW een bepaling opgenomen over de instelling van een raad van commissarissen (artikel 2:11). Deze bepaling komt te gelden voor alle genoemde rechtspersonen en dus ook voor de vereniging en de
stichting. Bij de internetconsultatie over het voorontwerp is naar voren gekomen dat hiermee voorzien wordt in een belangrijke behoefte van de praktijk. Een deel van de verenigingen en stichtingen werkt al met een raad van commissarissen, ook al ontbreekt
een uitdrukkelijke wettelijke grondslag daarvoor. Het betreffende orgaan wordt daarbij ook wel aangeduid als «raad van toezicht». De benaming van het toezichthoudend orgaan is echter niet bepalend voor de juridische kwalificatie van dat orgaan. Ook een toezichthoudend
orgaan dat wordt aangeduid als «raad van toezicht», kan een raad van commissarissen zijn in de zin van de wet. Dit laatste komt in het artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting nog nader aan de orde. De voorgestelde regeling heeft overigens geen gevolgen
voor de geldigheid van bestaande organen die in de statuten van een rechtspersoon zijn ingesteld.
3.2. Wettelijke grondslag voor monistisch bestuurssysteem bij de vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en stichting
De voorgestelde regeling biedt aan alle rechtspersonen de mogelijkheid om te kiezen voor een monistisch bestuurssysteem (artikel 2:9a). Bij een monistisch bestuurssysteem bestaat er geen afzonderlijk toezichthoudend orgaan, maar wordt de toezichthoudende
functie vervuld door niet-uitvoerende bestuurders. Deze niet-uitvoerende bestuurders maken evenals de uitvoerende bestuurders deel uit van het bestuur. Als voordeel van dit bestuursmodel wordt met name beschouwd dat de niet-uitvoerende bestuurders, in vergelijking
met de leden van een raad van commissarissen, meer betrokken zijn bij het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon en zij daardoor in beginsel ook een nauwer toezicht kunnen houden op de gang van zaken bij de rechtspersoon. Met de voorgestelde regeling kan
de rechtspersoon zelf kiezen welk bestuursmodel het beste bij hem past. Overigens kan de mogelijkheid om te kiezen voor een monistisch bestuursmodel in sectorspecifieke regelgeving wel worden uitgesloten. Voor de NV en de BV bestaat sinds 2013 al de mogelijkheid
om te kiezen voor een monistisch bestuursmodel. Uit de consultatie is gebleken dat ook bij verenigingen en stichtingen behoefte bestaat aan de mogelijkheid om een monistisch bestuursmodel te hanteren. Verschillende verenigingen en stichtingen werken in de
praktijk al met een monistisch bestuursmodel. Het ontbreken van een algemene wettelijke grondslag daarvoor, leidt daarbij echter tot rechtsonzekerheid. Om deze reden is ervoor gekozen om het monistisch bestuurssysteem ook bij deze rechtspersonen wettelijk
te regelen. Eerder was al een consultatie gehouden over een voorontwerp over het monistisch bestuursmodel bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. De beoogde regeling voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij is nu in dit wetsvoorstel
geïntegreerd. De vragen en suggesties van technische aard die bij de laatstgenoemde consultatie naar voren zijn gekomen, komen in het artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting aan de orde.
3.3. Uniformering van norm voor taakvervulling bestuurders en commissarissen
De norm waarnaar bestuurders en commissarissen zich bij de vervulling van hun taak moeten richten, is voor de NV en de BV uitdrukkelijk in de wet vastgelegd. Sinds de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013, bepaalt de wet voor
bestuurders van deze rechtspersonen dat zij zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:129/239 lid 5 BW). Voor commissarissen van de NV en de BV bestaat een dergelijke bepaling
al langer (artikel 2:140/250 lid 2 BW). Bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen ontbreekt een dergelijke normstelling. Ook bij deze rechtspersonen worden bestuurders en commissarissen echter geconfronteerd met een samenloop
van belangen. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om de belangen van leden, van donateurs, van schuldeisers, van werknemers en van vrijwilligers. Met het wetsvoorstel wordt daarom in de algemene bepalingen van Boek 2 BW opgenomen dat bestuurders en commissarissen
zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie (artikel 2:9 lid 3 en artikel 2:11 lid 4). Hiermee komt deze norm te gelden voor bestuurders en commissarissen van alle rechtspersonen.
Voor wat betreft de NV en de BV betekent dit geen verandering. In de formulering is alleen de term «organisatie» toegevoegd, dit omdat niet alle verenigingen en stichtingen een onderneming drijven. Op dit laatste wordt in het artikelsgewijze gedeelte van deze
toelichting nog nader ingegaan.
3.4. Uniformering van tegenstrijdig-belangregeling
Voor de meeste rechtspersonen – de NV, de BV, de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij – geeft de wet een regeling voor het geval dat een bestuurder of commissaris een belang heeft dat tegenstrijdig is met dat van de rechtspersoon.
Deze regeling strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon en van degenen die bij die rechtspersoon betrokken zijn. Voor de stichting ontbreekt een dergelijke tegenstrijdig-belangregeling. Voor de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij
geldt een tegenstrijdig-belangregeling met een zogenaamde «vertegenwoordigingsregel». Deze regel houdt in dat in het geval dat de rechtspersoon een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders of commissarissen, de algemene vergadering een of meer
personen kan aanwijzen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen (artikel 2:47 BW en artikel 2:53a lid 1 BW). De genoemde «vertegenwoordigingsregel» blijkt in de praktijk niet naar behoren te functioneren, onder meer omdat zij leidt tot rechtsonzekerheid bij
de rechtspersoon en bij de wederpartij. De nadelen van de «vertegenwoordigingsregel» zijn aanleiding geweest om voor de NV en de BV per 1 januari 2013 over te stappen naar een zogeheten «besluitvormingsregel». Deze laatste regel houdt in dat een bestuurder
of commissaris met een tegenstrijdig belang niet deelneemt aan de beraadslaging en de besluitvorming (zie artikel 2:129/239 lid 6 BW en artikel 2:140/250 lid 5 BW). Voor stichtingen kent de wet, zoals vermeld, op dit moment geen tegenstrijdig-belangregeling.
Er kan daardoor op dit punt nu nog rechtsonzekerheid bestaan. Mede omdat er tegenwoordig ook veel professionele organisaties zijn die de rechtsvorm van een stichting hebben, bestaat aan een dergelijke regeling behoefte. Een wettelijke tegenstrijdig-belangregeling
bevordert in de eerste plaats dat bestuurders en commissarissen zich bij hun taakvervulling daadwerkelijk richten naar het belang van de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Daarnaast draagt een dergelijke regeling bij aan de rechtszekerheid.
Het ontbreken van een wettelijke regeling leidt tot onduidelijkheid ten aanzien van de vraag in hoeverre bestuurders en commissarissen met een tegenstrijdig belang, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming en in hoeverre zij de stichting kunnen vertegenwoordigen
bij de uitvoering van het betreffende besluit. Voorgesteld wordt om de tegenstrijdig-belangregeling die nu al geldt voor bestuurders en commissarissen van de NV en de BV, te verplaatsen naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Door de plaatsing in het algemene
deel, komt de regeling voor bestuurders (artikel 2:9 lid 5) en de regeling voor commissarissen (artikel 2:11 lid 6) te gelden voor alle rechtspersonen. Daarmee komt voor alle rechtspersonen te gelden dat bestuurders met een tegenstrijdig belang niet mogen
deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het betreffende onderwerp. Als alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, kan het bestuur geen besluit nemen; in dat geval verschuift de beslissingsbevoegdheid naar de raad van commissarissen.
Als er geen raad van commissarissen is, komt de bevoegdheid bij de algemene vergadering te liggen. Voor de commissarissen gelden overeenkomstige regels: commissarissen met een tegenstrijdig belang mogen niet deelnemen aan de beraadslaging en de besluitvorming.
Wanneer alle commissarissen een tegenstrijdig belang hebben, komt de beslissingsbevoegdheid te liggen bij de algemene vergadering. In de statuten kan overigens anders worden bepaald. De statuten kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het besluit alsnog genomen kan
worden door het bestuur of door de raad van commissarissen. Met deze regeling wordt zeker gesteld dat de rechtspersoon ook in geval van tegenstrijdig belang van een of meer bestuurders of commissarissen, een besluit kan nemen. Bovendien wordt voorkomen dat
de tegenstrijdig-belangregeling te belastend is. De voorgestelde regeling bevat een aanvulling voor bestuurders en commissarissen van een stichting. Reden daarvoor is dat de stichting geen algemene vergadering kent. Voor stichtingen wordt daarom bepaald dat
als de stichting geen raad van commissarissen heeft, de bevoegdheid ook in geval van tegenstrijdig belang van de bestuurders blijft rusten bij het bestuur. Het bestuur van de stichting moet dan wel schriftelijk vastleggen wat de overwegingen zijn die aan het
besluit ten grondslag liggen. Als de stichting wél een raad van commissarissen heeft, blijft deze raad van commissarissen ook in geval van tegenstrijdig belang van de commissarissen bevoegd om te beslissen. Ook voor de raad van commissarissen geldt dan dat
de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, schriftelijk moeten worden vastgelegd. Met dit vereiste van schriftelijke vastlegging wordt bewerkstelligd dat bestuurders en commissarissen zich rekenschap geven van de norm dat zij bij de vervulling
van hun taak, de belangen van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie dienen te laten prevaleren boven hun persoonlijke belangen. De schriftelijke vastlegging helpt de bestuurder overigens ook als hij achteraf verantwoording moet
afleggen voor zijn besluit. Het vereiste van schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, betreft als zodanig overigens niet de totstandkoming van het besluit. Het niet-naleven van dit vereiste leidt dus niet tot
nietigheid of vernietigbaarheid van het besluit (vgl. artikelen 2:14 en 2:15 BW).
3.5. Uniformering van regels voor aansprakelijkstelling in geval van faillissement
Het wetsvoorstel beoogt een duidelijke algemene regeling te geven voor aansprakelijkstelling van bestuurders en commissarissen bij faillissement. Nu zijn deze regels nog verspreid over de verschillende titels van Boek 2 BW. De regeling voor de NV is te vinden
in artikel 2:138/149 BW. De laatstgenoemde bepalingen gelden op grond van schakelbepalingen ook voor de commerciële vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de commerciële stichting (artikel 2:50a BW, artikel 2:53a BW en artikel 2:300a
BW). De regeling voor de BV is te vinden in artikel 2:248/259 BW. Met het wetsvoorstel wordt in artikel 2:9c een uniforme regeling gegeven voor de aansprakelijkstelling van bestuurders door de faillissementscurator. Het voorgestelde artikel 2:11c verklaart
deze regeling van overeenkomstige toepassing op commissarissen. Inhoudelijk zijn de voorgestelde bepalingen grotendeels gelijk aan de regeling voor aansprakelijkheid bij faillissement die nu reeds voor de meeste rechtspersonen geldt. Daarbij kan worden opgemerkt
dat onder het huidige recht voor alle bestuurders reeds geldt dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die veroorzaakt wordt door onbehoorlijk bestuur. Met dit voorstel komen ook de bepalingen over aansprakelijkheid bij faillissement, te gelden voor
bestuurders en commissarissen van informele verenigingen en van verenigingen en stichtingen die niet onderworpen zijn aan de heffing van de vennootschapsbelasting. Dat laatste is van belang omdat het ook bij die rechtspersonen kan voorkomen dat bestuurders
en commissarissen zich schuldig maken aan fraude of andere vormen van ernstig taakverzuim. De curator dient dan adequate middelen te hebben om de geleden schade te verhalen op de bestuurders en commissarissen die hun taken ernstig hebben verzuimd. Omdat de
wijziging bestaat in een uitbreiding van het toepassingsbereik van de genoemde aansprakelijkheidsregel, en de aansprakelijkheidsregel daarbij als zodanig niet gewijzigd wordt, wordt overigens niet verwacht dat de voorgestelde regeling van invloed zal zijn
op de verzekerbaarheid van eventuele aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie, wordt de regeling wel aangevuld om meer bescherming te bieden aan onbezoldigde bestuurders en commissarissen
van niet-commerciële verenigingen en stichtingen en onbezoldigde bestuurders en commissarissen van informele verenigingen (zie artikel 2:9c lid 2 en artikel 2:11c). Deze aanvulling strekt ertoe om te voorkomen dat vrijwilligers ten onrechte worden weerhouden
om zich in te zetten als bestuurder of commissaris van bijvoorbeeld een buurtvereniging of een kleine sportvereniging. De regeling van de voorgestelde artikelen 2:9c en 2:11c is, evenals de thans geldende regeling, uitsluitend van toepassing in geval van faillissement
van de rechtspersoon. De regeling betreft de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen jegens de boedel, en de vordering kan dan ook uitsluitend door de faillissementscurator worden ingesteld. Dat laatste was ook een van de redenen dat in het voorontwerp
was voorgesteld om de regeling te verplaatsen naar de Faillissementswet. Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie en het advies van de Commissie vennootschapsrecht, is de regeling nu echter opgenomen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW.
Door deze plaatsing in het algemene gedeelte wordt de inhoudelijke samenhang met de normen voor bestuur en aansprakelijkheid benadrukt. De normstelling die ten grondslag ligt aan de regeling voor aansprakelijkstelling in geval van faillissement, wijkt immers
niet af van de algemene normen voor het handelen van bestuurders en commissarissen (zie daarover eerder reeds Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 33–34).
3.6. Modernisering van criteria voor ontslag bestuurders en commissarissen van stichting
Bij de stichting is het bestuur in veel gevallen het enige orgaan van de rechtspersoon. Om deze reden kent de wet een bijzondere regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder. Op grond van artikel 2:298 BW kan een stichtingsbestuurder op verzoek van
het openbaar ministerie of van een belanghebbende worden ontslagen indien de bestuurder handelt in strijd met de wet of de statuten of hij zich schuldig maakt aan wanbeheer. Deze ontslaggronden zijn in de jurisprudentie beperkt uitgelegd. Ontslag door de rechter
kan daardoor pas plaatsvinden als redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onrechtmatigheid van het handelen of wanneer sprake is van financieel wanbeheer (zie onder meer Hoge Raad 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123, NJ 1975/222). In de praktijk
blijken deze ontslaggronden in bepaalde gevallen niet toereikend om het ontslag te bewerkstelligen van een bestuurder die het belang van de stichting zodanig schaadt dat het niet langer verantwoord is om hem als bestuurder te handhaven. Deze situatie is onwenselijk.
Zij kan er onder omstandigheden toe leiden dat de continuïteit van de betreffende stichting in gevaar komt. In geval van stichtingen die actief zijn in semipublieke sectoren, kan daardoor mogelijk ook de uitvoering van diensten of taken van publiek belang
in het gedrang komen. Het wetsvoorstel bevat een aangepaste regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechter. Ingevolge de voorgestelde bepaling kan een stichtingsbestuurder door de rechter worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak,
wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden, en wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter
(artikel 2:298 lid 1). Met de regeling wordt, mede naar aanleiding van het advies van de Commissie vennootschapsrecht, aangesloten bij de criteria voor ontslag van een commissaris van een structuurvennootschap door de Ondernemingskamer (zie artikel 2:161 lid
2 BW en artikel 2:271 lid 2 BW). De voorgestelde regeling past hiermee beter bij de functie die stichtingen vandaag de dag in het maatschappelijke en economische verkeer vervullen. Wanneer er bij de stichting een raad van commissarissen is ingesteld, is dat
orgaan vanwege het ontbreken van een algemene vergadering evenmin onderworpen aan een vorm van interne controle. Een wettelijke regeling voor ontslag van een commissaris door de rechter ontbreekt thans echter. Met het wetsvoorstel wordt de regeling op dit
punt aangevuld, en wel doordat de regeling van ontslag van een stichtingsbestuurder van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de commissaris van een stichting (artikel 2:298 lid 4).
4. Gevolgen voor het bedrijfsleven
Met de voorgestelde regeling worden de regels voor bestuur en toezicht bij Nederlandse rechtspersonen aangevuld en verduidelijkt. Het Nederlandse ondernemingsrecht wordt zo merkbaar beter hanteerbaar en daarmee ook aantrekkelijker. Met dit voorstel wordt
de algemene regeling van rechtspersonen in Boek 2 BW ook beter bruikbaar als basis voor regelgeving die gericht is op specifieke sectoren. Het wetsvoorstel beoogt geen wijziging te brengen in bestaande bestuurs- en toezichtsstructuren. Het voorstel noodzaakt
evenmin tot het wijzigen van de statuten. Zo geldt de verplichting van artikel 2:9 lid 6 om in de statuten een ontstentenis- of beletregeling op te nemen, vanaf de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding van deze wet (artikel XV). Een rechtspersoon
die nog geen statutaire ontstentenis- of beletregeling heeft, kan bij de eerstvolgende statutenwijziging dus eenvoudig aan deze verplichting voldoen. Het bedrijfsleven zal naar verwachting enige kosten moeten maken om kennis te nemen van de wijziging van de
wettelijke regeling. Overigens wordt verwacht dat deze kosten zeer beperkt zullen zijn; de voorgestelde regeling bestaat namelijk voor een belangrijk deel uit een verduidelijking en herschikking van reeds geldende rechtsregels. Voor het overige leidt de voorgestelde
regeling niet tot kosten of tot een toename van lasten voor het bedrijfsleven. Het voorstel introduceert geen wettelijke verplichtingen tot verstrekking van informatie aan de overheid en leidt derhalve niet tot een verzwaring van administratieve lasten. Op
langere termijn zullen mogelijk juist kosten bespaard kunnen worden doordat de wettelijke regeling duidelijker en beter toegankelijk wordt. Het voorstel zal daardoor naar verwachting neutrale tot te verwaarlozen positieve kwantitatieve regeldrukeffecten hebben.
5. Consultatie
Over het voorontwerp van dit wetsvoorstel heeft een internetconsultatie plaatsgevonden. Uit de consultatie kwam naar voren dat er brede steun bestaat voor het streven naar verbetering van de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties,
onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen1. Voor de meeste onderdelen van de thans voorgestelde regeling bleek eveneens aanzienlijke steun te bestaan. Na de consultatie is het aangepaste ontwerpvoorstel voorgelegd aan de Commissie vennootschapsrecht.
De Commissie vennootschapsrecht heeft op 19 oktober 2015 advies uitgebracht. Dit advies is als bijlage bij deze memorie van toelichting gevoegd2. Naar aanleiding van de reacties in de consultatie en het advies van de Commissie vennootschapsrecht is de voorziene
regeling op een aantal punten aangepast. Zo was in het voorontwerp nog opgenomen dat de regeling voor aansprakelijkstelling van bestuurders en commissarissen bij faillissement, verplaatst zou worden naar de Faillissementswet. Mede naar aanleiding van de reacties
bij de consultatie en het advies van de Commissie vennootschapsrecht, wordt die regeling met dit wetsvoorstel echter gehandhaafd in Boek 2 BW. De regeling wordt nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. En andere belangrijke aanpassing betreft de
aansprakelijkheidsregel voor onbezoldigde bestuurders van niet-commerciële verenigingen en stichtingen. In de consultatie en in het advies van de Commissie vennootschapsrecht is de vrees geuit dat het door toepassing van de algemene aansprakelijkheidsregeling
op die bestuurders, moeilijker zou worden om vrijwilligers te vinden voor bijvoorbeeld een bestuursfunctie bij een buurtvereniging. Mede naar aanleiding van deze reacties is in het voorliggende wetsvoorstel een regeling opgenomen om de drempel voor aansprakelijkheid
van de genoemde onbezoldigde bestuurders te verhogen. Bij de consultatie is in meerdere reacties gepleit om ook voor de vereniging en de stichting een wettelijke regeling te treffen over gebruik van een monistisch bestuurssysteem. Het voorontwerp voorzag niet
in een dergelijke regeling. Mede naar aanleiding van die reacties is in dit wetsvoorstel alsnog in de bedoelde regeling voorzien. Daarbij is in dit voorstel geïntegreerd het voorontwerp tot wijziging van Boek 2 BW in verband met het vastleggen van een monistisch
bestuursmodel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Bij de internetconsultatie over het laatstgenoemde voorstel was gebleken van brede steun voor dat voorstel. Het laatstgenoemde voorontwerp is ook met de Commissie vennootschapsrecht besproken.
In verschillende reacties is opgemerkt dat een raad van commissarissen zijn werk alleen goed kan doen als deze de daarvoor benodigde informatie krijgt. Er zou daarom in het algemeen gedeelte van Boek 2 BW een bepaling opgenomen moeten worden over de verstrekking
van informatie aan de raad van commissarissen. Deze suggestie is overgenomen. Hetzelfde geldt voor de suggestie om in het algemeen gedeelte de verplichting op te nemen om in de statuten te voorzien in een regeling omtrent belet en ontstentenis van bestuurders
en commissarissen. In enkele reacties is opgemerkt dat de voorgestelde tegenstrijdig-belangregeling te bezwarend zou kunnen zijn voor kleine verenigingen en stichtingen. Er is echter geen aanleiding gezien om het voorziene regime op dit punt te wijzigen. Reden
daarvoor is dat indien een rechtspersoon de voorgestelde hoofdregel te bezwarend vindt, hij op dat punt in de statuten een andersluidende regeling kan opnemen. Ook een aantal suggesties van de Commissie vennootschapsrecht is niet in dit wetsvoorstel overgenomen.
Voor een deel van deze suggesties geldt dat zij niet zijn overgenomen omdat zij buiten het doel en de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het voorstel om de verschillende wijze van categorisering van stichtingen en verenigingen
in onder meer het enquêterecht en het jaarrekeningenrecht, opnieuw te bezien. De laatstgenoemde suggestie kan betrokken worden bij de evaluatie van de door de Wet bestuur en toezicht geïntroduceerde wettelijke beperking van het aantal commissariaten. Een ander
voorstel dat niet is overgenomen betreft het advies om de regeling inzake de raadgevende stem van bestuurders in de algemene vergadering, van aanvullend recht te maken. Reden hiervoor is dat deze raadgevende stem het functioneren van het bestuur en toezicht
bij rechtspersonen juist kan versterken. In de huidige regeling is deze raadgevende stem bij een aantal rechtspersonen overigens ook van dwingend recht (zie artikel 2:57 lid 7 BW, artikel 2:117 lid 4 en artikel 2:227 lid 1 BW).
II Artikelen
Artikel I Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
A Wijziging artikel 2:9 BW
Inleiding
Dit onderdeel wijzigt artikel 2:9 BW. De voorgestelde wijziging houdt verband met een van de doelstellingen van dit wetsvoorstel, namelijk de concentratie van een aantal voor alle rechtspersonen geldende kernbepalingen op één plaats, zodat voor alle rechtspersonen
een uniforme regeling geldt. Met dit wetsvoorstel wordt artikel 2:9 een algemene basisbepaling over de taken en de bevoegdheden van het bestuur. De verdere algemene regels voor het bestuur krijgen plaats in de aansluitende bepalingen. Het voorgestelde artikel
2:9a regelt de mogelijkheid tot instelling van een monistisch bestuurssysteem. Het nieuwe artikel 2:9b bevat de hoofdregels voor bestuurdersaansprakelijkheid, en artikel 2:9c geeft tot slot de regels voor aansprakelijkstelling van bestuurders bij faillissement
van de rechtspersoon.
Lid 1
Het voorgestelde eerste lid betreft de algemene taakomschrijving van het bestuur, namelijk het besturen van de rechtspersoon. Thans is dit per rechtspersoon geregeld; in artikel 2:44 lid 1 BW voor de vereniging, in artikel 2:129 BW voor de NV, in artikel
2:239 lid 1 BW voor de BV en in artikel 2:291 lid 1 BW voor de stichting. De bepaling voor de vereniging is ingevolge de schakelbepaling van artikel 2:53a BW eveneens van toepassing op de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Met het voorgestelde
eerste lid worden deze bepalingen samengevoegd. De afzonderlijke bepalingen kunnen daardoor komen te vervallen. Inhoudelijk wordt de taak van het bestuur niet gewijzigd: het bestuur is belast met het besturen van de rechtspersoon. Gehandhaafd blijft ook het
beginsel dat het bestuur zijn door de wet en de statuten afgebakende taak autonoom vervult en dat het bestuur bevoegd is tot het bepalen van het dagelijkse beleid en de strategie van de rechtspersoon.
Lid 2
De eerste volzin van het voorgestelde tweede lid bepaalt dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Deze volzin is gelijk aan de eerste volzin van het huidige tweede lid. De aansprakelijkheidsregel die nu nog is opgenomen
in de tweede volzin van artikel 2:9 lid 2 BW, wordt verplaatst naar het nieuwe artikel 2:9b. In de tweede volzin van het voorgestelde tweede lid wordt bepaald dat tot de taak van een bestuurder alle bestuurstaken behoren die niet bij of krachtens de statuten
aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. De laatstgenoemde regel is thans nog te vinden in de slotzin van artikel 2:9 lid 1 BW. Voor deze negatieve formulering is destijds gekozen om te voorkomen dat taken tussen wal en schip zouden vallen omdat
zij niet uitdrukkelijk zijn toegedeeld (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 7). De reden voor verplaatsing van de regel is een wetssystematische: het ligt voor de hand om eerst te bepalen wat de taak van het bestuur is, en om pas daarna een regeling
te geven omtrent de taakverdeling door het bestuur. Inhoudelijk wordt de regel niet gewijzigd. De regel is overigens van bijzonder belang voor rechtspersonen met een monistisch bestuurssysteem. Bij een rechtspersoon met een monistisch bestuurssysteem dient
er een duidelijke taakverdeling tussen de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders te zijn (zie ook artikel 2:9a lid 1); dit om te voorkomen dat de niet-uitvoerende bestuurders op gelijke wijze als de uitvoerende bestuurders verantwoordelijk zijn voor
het bestuur van de rechtspersoon.
Lid 3
Het derde lid bepaalt in de eerste volzin dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Deze regel staat thans nog in artikel 2:9 lid 1 BW. De regel wordt om wetssystematische redenen verplaatst.
Het ligt immers voor de hand dat eerst bepaald wordt wat de taak van het bestuur is, en dat vervolgens bepaald wordt op welke wijze de bestuurders die taak dienen te vervullen. In de tweede volzin wordt bepaald dat bestuurders zich bij de vervulling van hun
taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Voor de bestuurder van de NV en de BV is thans reeds bepaald dat zij zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de vennootschap
en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:129/239 lid 5 BW). Een dergelijke bepaling bestaat nog niet voor andere rechtspersonen. Om deze reden wordt de voor de NV en de BV geldende regel verplaatst naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Met de voorgestelde
bepaling wordt voor alle rechtspersonen tot uitdrukking gebracht dat de bestuurders bij de vervulling van hun taak de belangen van de rechtspersoon moeten laten prevaleren boven hun eigen belangen. In de bepaling wordt overigens niet gesproken van het belang
van «de vennootschap», zoals dat het geval was in de regeling voor de NV en de BV, maar van het belang van «de rechtspersoon». Met de aanduiding «de daaraan verbonden onderneming of organisatie» wordt tot uitdrukking gebracht dat ook wanneer een rechtspersoon
geen onderneming drijft, toch sprake kan zijn van een in dit kader relevant samenstel van belangen. In de consultatie is opgemerkt dat het bij de stichting niet vanzelfsprekend is dat bestuurders het belang van de rechtspersoon voorop moeten stellen. Bestuurders
van stichtingen zouden ook specifieke deelbelangen mogen behartigen. Het belang van de stichting zou bovendien in overwegende mate bepaald worden door de statutaire doelstelling. In dat kader is gesuggereerd om een afzonderlijke norm te formuleren voor de
taakvervulling door bestuurders van een stichting. Deze suggestie is niet overgenomen. Reden daarvoor is dat de genoemde zienswijze niet goed te verenigen is met de geldende opvattingen over rechtspersoonlijkheid, welke opvattingen ook ten grondslag liggen
aan de regeling van Boek 2 BW. Volgens deze opvattingen moet het belang van de rechtspersoon onderscheiden worden van het belang van degenen die bij de rechtspersoon betrokken zijn en van de deelbelangen die zij behartigen.3 Voor bestuurders van stichtingen
geldt evenzeer als voor bestuurders van andere rechtspersonen dat zij zich moeten richten naar het belang van de rechtspersoon. Daaraan doet niet af dat dit belang in overwegende mate bepaald kan worden door de statutaire doelstelling.
Lid 4
Het vierde lid regelt de besluitvorming in een meerhoofdig bestuur. De regeling is identiek aan de regeling die nu al geldt voor de NV (artikel 2:129 lid 2 BW) en de BV (artikel 2:239 lid 2 BW). Door de regel op te nemen in de algemene bepalingen van Boek
2 BW komt deze voor alle rechtspersonen te gelden.
Lid 5
Met het voorgestelde vijfde lid komt voor alle rechtspersonen een zelfde tegenstrijdig-belangregeling te gelden. De voorgestelde regeling is gelijk aan de regeling die nu al geldt voor de NV en de BV (zie artikel 2:129 lid 6 BW en artikel 2:239 lid 6 BW).
In het algemene gedeelte van deze toelichting is al ingegaan op de inhoud van de voorgestelde regeling en op de belangrijkste redenen om de regeling die nu reeds geldt voor de NV en de BV op te nemen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Indien een bestuurder
handelt in strijd met de tegenstrijdig-belangregeling van het voorgestelde artikel 2:9 lid 5, zal het betreffende besluit vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW. Er is dan immers sprake van strijd met de bepalingen die het
tot stand komen van besluiten regelen. De vernietiging van het besluit heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van rechtshandelingen die verricht zijn ter uitvoering van het besluit. Ook de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur en de bestuurders
blijft ongewijzigd. Een en ander betekent niet dat een derde die wist dat de bestuurder handelde in strijd met de tegenstrijdig-belangregeling, in alle gevallen beschermd wordt. Zo kan het bewust profiteren van het schenden van de tegenstrijdig-belangregeling,
onder omstandigheden onrechtmatig zijn. In de consultatie is in dit verband terecht gewezen op het belang van transparantie. De bestuurder die een tegenstrijdig belang heeft bij een kwestie die voorligt ter besluitvorming, dient dat tijdig aan zijn medebestuurders
kenbaar te maken. Daarbij zal hij een volledig beeld moeten schetsen van het tegenstrijdige belang. Of een bestuurder een belang heeft dat tegenstrijdig is met dat van de rechtspersoon, moet bepaald worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Evenals
onder de huidige wettelijke regeling, behoeft de enkele omstandigheid dat de bestuurder een eigen belang heeft bij een voorgenomen besluit, nog niet te leiden tot de kwalificatie van tegenstrijdig belang. Van een tegenstrijdig belang is namelijk geen sprake
zolang de belangen van de bestuurder parallel lopen met die van de rechtspersoon. Zo brengt de omstandigheid dat een bestuurder tevens lid of aandeelhouder is van de rechtspersoon, niet zonder meer mee dat die bestuurder een tegenstrijdig belang heeft. Van
een tegenstrijdig belang in de zin van deze bepaling is geen sprake als een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij met een bepaalde categorie van leden overeenkomsten op gelijke wijze sluit of wijzigt, en in dat kader ook een overeenkomst gesloten of
gewijzigd wordt met een lid dat tevens bestuurder is. De voorgestelde regeling brengt op dit punt dus geen verandering (vgl. artikel 2:57 lid 4 BW).
Lid 6
De verplichting om een statutaire voorziening te treffen voor gevallen van ontstentenis of belet van een bestuurder geldt nu alleen voor de NV (artikel 2:134 lid 4 BW) en de BV (artikel 2:244 lid 4 BW). Van ontstentenis is sprake als een bestuurder ophoudt
bestuurder te zijn. Met belet wordt gedoeld op de situatie dat een bestuurder tijdelijk zijn functie niet kan of niet mag uitoefenen. Bij de consultatie is er in meerdere reacties op gewezen dat het ook voor andere rechtspersonen van belang is dat zij een
regeling kennen voor ontstentenis en belet. Het voorgestelde zesde lid beoogt hier nu in te voorzien. De voorgestelde bepaling is ontleend aan de regelingen voor de NV en de BV. Bepaald wordt dat de statuten van de rechtspersoon een statutaire regeling dienen
te bevatten het geval van belet en ontstentenis van alle bestuurders. De statuten kúnnen een dergelijke regeling bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een deel van de bestuurders. De verplichting tot het treffen van een statutaire regeling
betreft dus alleen de situatie waarin er ten aanzien van alle bestuurders sprake is van belet of ontstentenis. Dit is thans ook het geval voor de NV en de BV, al is de thans voor de BV geldende bepaling op dit punt minder duidelijk. Met de voorgestelde algemene
regeling, kunnen de afzonderlijke bepalingen over ontstentenis en belet bij de NV en de BV komen te vervallen. De slotzin van het zesde lid geeft een regeling voor de rechtspositie van degene die in geval van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders,
de nodige bestuurshandelingen verricht. Het gaat daarbij om de persoon die op basis van de statutaire ontstentenis- of beletregeling voor het verrichten van deze handelingen is aangewezen. Bepaald wordt dat deze persoon voor wat betreft de nodige bestuurshandelingen,
met een bestuurder wordt gelijkgesteld. De regel is ontleend aan de bepalingen over het verrichten van bestuursdaden door een niet-bestuurder bij de NV (artikel 2:151 BW) en de BV (artikel 2:261 BW). De laatstgenoemde bepalingen komen bijna letterlijk overeen
met de voorgangers van deze bepalingen zoals die in 1928 werden opgenomen in het Wetboek van Koophandel. Strekking van de regels was destijds met name om vast te leggen dat personen die bevoegdelijk bestuursdaden verrichtten, op dezelfde voet aansprakelijk
waren als bestuurders.4 De vraag in welke gevallen een niet-bestuurder bevoegd is tot het verrichten van bestuurshandelingen, wordt in de bepalingen overigens niet beantwoord. Aangenomen werd dat deze bepalingen van belang waren voor het geval van tegenstrijdig
belang van de bestuurders en voor het geval van ontstentenis of belet van bestuurders. Aangezien de tegenstrijdig-belangregeling voor de NV en de BV sinds 2013 niet meer uitgaat van een «vertegenwoordigingsregel» maar van een «besluitvormingsregel», zijn de
bepalingen nu alleen nog van belang in het kader van ontstentenis of belet. De regel wordt daarom met dit voorstel toegevoegd aan de algemene regeling voor ontstentenis of belet van bestuurders. De formulering van de regel is daarbij aangepast om tot uitdrukking
te brengen dat het toepassingsbereik van de regel beperkt is tot gevallen van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders. In de gevallen waarin er slechts ten aanzien van een deel van de bestuurders sprake is van ontstentenis of belet, kunnen de nodige
bestuurshandelingen verricht worden door de overige bestuurders. Hiermee wordt voorkomen dat derden, zonder dat toepassing is gegeven aan de wettelijke en statutaire besluitvormingsregels en waarborgen voor de benoeming van een bestuurder, feitelijk voor enige
tijd deel kunnen uitmaken van het bestuur. Voor de gevallen dat er slechts ten aanzien van een deel van de bestuurders sprake is van ontstentenis of belet, kan in de statuten bijvoorbeeld geregeld worden dat de resterende bestuurders bepaalde bestuurshandelingen
vooraf voor advies dienen voor te leggen aan een bepaalde derde, of dat de resterende bestuurders voor bepaalde besluiten vooraf goedkeuring dienen te krijgen van de raad van commissarissen.
Lid 7
Het voorgestelde zevende lid bepaalt dat de bestuurders een raadgevende stem hebben in de algemene vergadering. Doel van de toekenning van deze raadgevende stem is dat de bestuurders in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering
voorgenomen besluiten te doen blijken zodat de aandeelhouders of de leden met die visie rekening kunnen houden. Op dit moment is de raadgevende stem alleen wettelijk geregeld voor de NV (artikel 2:117 lid 4 BW) en voor de BV (artikel 2:227 lid 7 BW). Mede
gezien de aanbevelingen die er in de consultatie op dat punt zijn gedaan, wordt nu voorgesteld om een regeling over de raadgevende stem van bestuurders op te nemen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. De regeling komt daarmee te gelden voor alle rechtspersonen
die een algemene vergadering hebben. Aangezien de bestuurders in de algemene vergadering een de raadgevende stem hebben, zullen zij ook uitgenodigd moeten worden voor de algemene vergadering. Het niet in acht nemen van de raadgevende stem van bestuurders leidt
op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW tot vernietigbaarheid van het besluit van de algemene vergadering wegens strijd met de wettelijke bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen. De tweede volzin betreft de situatie dat de besluitvorming
van de algemene vergadering plaatsvindt buiten vergadering. Een raadgevende stem van de bestuurder in de algemene vergadering kan dan strikt genomen niet aan de orde zijn. Thans is alleen in de wettelijke regeling van de BV bepaald dat de bestuurders (en de
commissarissen) voorafgaand aan deze besluitvorming buiten vergadering in de gelegenheid gesteld moeten worden om advies uit te brengen (zie artikel 2:238 lid 2 BW). Aangezien de wet de bestuurders van een NV een raadgevende stem toekent in de algemene vergadering,
zonder daarbij een uitzondering te maken voor het geval dat de algemene vergadering buiten vergadering beslist, moet worden aangenomen dat deze regel ook reeds geldt voor de NV (zie Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK2001, NJ 2010/16). Met de voorgestelde
regeling wordt voor alle rechtspersonen bepaald dat bij besluitvorming van de algemene vergadering buiten vergadering, de bestuurders de gelegenheid dienen te krijgen om voorafgaand advies uit te brengen.
B Nieuw artikel 2:9a
Inleiding
Met het voorgestelde artikel 2:9a wordt het monistisch bestuursmodel ook wettelijk geregeld voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Sinds de invoering van de Wet bestuur en toezicht per 1 januari 2013, bestaat
een dergelijke wettelijke regeling al voor de NV en de BV (Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275). De
voor de NV en de BV bestaande regeling wordt nu verplaatst naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW, waarmee de regeling komt te gelden voor alle rechtspersonen. Hiermee is in dit wetsvoorstel geïntegreerd de regeling van het voorontwerp tot wijziging van
Boek 2 BW in verband met het vastleggen van een monistisch bestuursmodel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. In een monistisch bestuursmodel is er geen raad van commissarissen als toezichthoudend orgaan. De taken van de commissarissen
worden vervuld door personen die bestuursverantwoordelijkheid dragen, de zogeheten niet-uitvoerende bestuurders. Zij houden toezicht op de uitvoerende bestuurders. De uitvoerende bestuurders in het monistische model vervullen dezelfde taken als de bestuurders
in het traditionele dualistische bestuursmodel. Als voordelen van dit monistische bestuursmodel worden onder meer genoemd dat niet-uitvoerende bestuurders eerder en meer informatie ontvangen dan commissarissen, en dat zij ook meer betrokken zijn bij de dagelijkse
gang van zaken. Ook rechtspersonen waarop de structuurregeling van toepassing is, kunnen kiezen voor een monistisch bestuursmodel. In de structuurregeling zijn bepaalde bestuursbesluiten onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen en hebben
werknemers via de ondernemingsraad invloed op de samenstelling van de raad van commissarissen. Dit verplichte toezicht kan ook worden vormgegeven binnen een monistisch bestuursmodel. Deze mogelijkheid bestaat onder het huidige recht ook al voor de NV en de
BV. Eerder is al opgemerkt dat in sectorspecifieke regelgeving zo nodig ook kan worden afgeweken van de regeling in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Het voorgestelde artikel 2:9a sluit dan ook niet uit dat in bijzondere wetgeving voor bepaalde instellingen
de verplichting wordt opgenomen om een dualistisch bestuursmodel te hanteren. Een dergelijke verplichting is bijvoorbeeld te vinden in de Woningwet. Uit artikel 30 lid 1 van de Woningwet blijkt dat een toegelaten instelling in de zin van deze wet een dualistisch
bestuurssysteem dient te hebben; de keuze voor een monistisch bestuursmodel is voor toegelaten instellingen derhalve uitgesloten. Met name bij verenigingen wordt in de praktijk ook wel gebruik gemaakt van een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur. De vraag
of dergelijke entiteiten kwalificeren als bestuur of als raad van commissarissen in de zin der wet, komt aan de orde in de toelichting op de regel over de instelling van een raad van commissarissen (artikel 2:11 lid 1).
Lid 1
Met het eerste lid wordt voor alle rechtspersonen een grondslag geboden voor de instelling van een monistisch bestuurssysteem. Bepaald wordt dat binnen het bestuur een taakverdeling kan worden gemaakt tussen uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende bestuurders.
Met de uitvoerende bestuurders wordt bedoeld de bestuursleden die zich bezighouden met de dagelijkse leiding. De niet-uitvoerende bestuurders zijn te vergelijken met commissarissen. De formulering van het eerste lid is ontleend aan de regeling die thans geldt
voor de NV (artikel 2:129a lid 1 BW) en voor de BV (artikel 2:239a lid 1 BW). Het eerste lid bepaalt voorts welke taken zijn voorbehouden aan de niet-uitvoerende bestuurders. De dwingendrechtelijke taakverdeling tussen uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende
bestuurders bestaat reeds voor de NV en de BV met een monistisch bestuursmodel. Ingevolge deze taakverdeling zijn de niet-uitvoerende bestuurders in elk geval belast met de volgende taken: het houden van toezicht, het voorzitterschap van het bestuur, het voordragen
van kandidaat-bestuurders en het vaststellen van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders. Het gaat hier om taken die in een dualistisch bestuursmodel berusten bij de raad van commissarissen en die nauw aansluiten bij de toezichthoudende en adviserende
rol. Wanneer deze taken zouden berusten bij uitvoerende bestuurders, zou dit bovendien kunnen leiden tot belangenconflicten (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 14–17). De bestuurders kunnen nadere afspraken maken over de invulling van de taakverdeling.
Taken die niet aan een of meer bepaalde bestuurders zijn toebedeeld, behoren ingevolge het voorgestelde artikel 2:9 lid 3 BW aan de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders tezamen. De slotzin van het eerste lid bepaalt dat de niet-uitvoerende
bestuurders natuurlijke personen zijn. Dit laatste geldt reeds voor de NV en de BV met een monistisch bestuursmodel (artikel 2:129a lid 1 BW en artikel 2:239a lid 1 BW). De regel komt overeen met de regel voor het dualistisch bestuursmodel dat de commissarissen
natuurlijke personen dienen te zijn.
Lid 2
Het voorgestelde tweede lid bevat de regel die nu reeds geldt voor de NV en de BV met een monistisch bestuurssysteem (zie artikel 2:129a lid 3 BW en artikel 2:239a lid 3 BW). Ingevolge deze regel kan bij of krachtens de statuten bepaald worden dat een of
meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot het takenpakket van de betreffende bestuurders behoren. De regel is bedoeld om het mogelijk te maken om in gevallen waarin een monistisch bestuursmodel gehanteerd wordt, de besluitvorming
te vereenvoudigen (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 17).
Lid 3
In het voorgestelde derde lid is opgenomen dat bij de benoeming van een bestuurder wordt vermeld of hij uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder zal zijn. In de gevallen dat er ingevolge de wettelijke regeling een statutaire regeling kan worden gegeven voor
benoeming van een bestuurder door een ander dan de algemene vergadering, zal in die statutaire regeling ook duidelijk moeten maken of de gegeven regeling ziet op de benoeming van een uitvoerende bestuurder of op de benoeming van een niet-uitvoerende bestuurder.
De uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders moeten overigens ook als zodanig worden ingeschreven in het handelsregister (zie voor de NV en de BV thans artikel 22 lid 4 Handelsregisterbesluit 2008).
Lid 4
In het voorgestelde vierde lid is geregeld dat een uitvoerende bestuurder geschorst kan worden door een besluit van het bestuur. Deze regel geldt nu ook reeds voor de NV en de BV met een monistisch bestuurssysteem (zie artikel 2:134 lid 1 BW en artikel 2:244
lid 1 BW). De bevoegdheid van het bestuur staat naast de bevoegdheid tot schorsing door degene die de bestuurder benoemd heeft.
Lid 5
Het vijfde lid geeft een regel voor de vaststelling van een bezoldiging voor uitvoerende bestuurders. Bepaald wordt dat uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het vaststellen van een bezoldiging van uitvoerende
bestuurders. Deze bepaling is gelijk aan de regel die nu al geldt voor de NV en de BV met een monistisch bestuursmodel (artikel 2:129a lid 2 BW en artikel 2:239a lid 2 BW).
Lid 6
Het zesde lid bepaalt dat uitsluitend de algemene vergadering bevoegd is tot het toekennen van een bezoldiging aan de niet-uitvoerende bestuurders. Deze regel sluit aan bij de regeling voor de NV en de BV met een raad van commissarissen. Voor deze rechtspersonen
geldt reeds dat uitsluitend de algemene vergadering bevoegd is om de commissarissen een bezoldiging toe te kennen (zie artikel 2:145 BW en artikel 2:255 BW). Voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij geldt thans nog dat de statuten op dit punt
een andere regeling kunnen geven (zie artikel 2:57 lid 6 BW). Onder de voorgestelde regeling geldt dat afwijking op grond van de statuten niet langer is toegestaan. Hiermee wordt beoogd om de waarborgen voor behoorlijk functioneren van het interne toezicht
van rechtspersonen te versterken. Mogelijk is wel dat een bijzondere wet voor bijvoorbeeld rechtspersonen in een bepaalde sector een afwijkende regel geeft. Omdat een stichting geen algemene vergadering kent, wordt in de tweede volzin van het zesde lid bepaald
dat aan niet-uitvoerende bestuurders van een stichting uitsluitend een bezoldiging kan worden toegekend op de wijze die daartoe in de statuten is voorzien. Deze regel geeft bijvoorbeeld de oprichter van een stichting de mogelijkheid om te kiezen voor een regeling
die hij in de gegeven omstandigheden geschikt acht om onder meer ongewenste besteding van het vermogen van de stichting tegen te gaan. Daarbij is van belang dat het voor de organen van een stichting alleen mogelijk is om de statuten van de stichting te wijzigen,
als de statuten zelf daartoe de mogelijkheid openen (zie artikel 2:293 BW).
Nieuw artikel 2:9b
Lid 1
Het eerste lid bevat de algemene regel voor aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon. Deze regel is thans te vinden in de tweede volzin van artikel 2:9 lid 2 BW. Inhoudelijk wordt de regel niet gewijzigd. Wel wordt ter verduidelijking
van de wetstekst toegevoegd dat het gaat om aansprakelijkheid «jegens de rechtspersoon». Het toepassingsbereik van de regel verandert evenmin; de regel geldt nu reeds voor bestuurders van elke rechtspersoon. Reden voor de verplaatsing is dat hiermee een meer
overzichtelijke regeling gegeven kan worden met afzonderlijke bepalingen over het bestuur (artikelen 2:9 en 2:9a) en over bestuurdersaansprakelijkheid (artikelen 2:9b en 2:9c).
Lid 2
Het tweede lid bevat de regel die thans is opgenomen in artikel 2:11 BW. Ingevolge deze regel rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon, tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid
bestuurder van die rechtspersoon is. De bepaling strekt ertoe te voorkomen dat een natuurlijke persoon aan bestuurdersaansprakelijkheid kan ontkomen door tussenschakeling van een rechtspersoon-bestuurder. Inhoudelijk wordt de regel niet gewijzigd.
Lid 3
Het derde lid regelt dat één rechtbank bevoegd is ten aanzien van vorderingen betreffende de overeenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder. De bepaling is bedoeld om procedures betreffende geschillen tussen de bestuurder en de rechtspersoon, die
over het algemeen een belang betreffen waarbij de vennootschapsrechtelijke aspecten meer betrokken zijn dan bij geschillen tussen de rechtspersoon en een werknemer, te laten behandelen door de rechtbank en niet door de kantonrechter. Bovendien worden met deze
bepaling de procedures tussen de bestuurder en de rechtspersoon geconcentreerd bij één bevoegde rechtbank, namelijk de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de rechtspersoon zijn woonplaats heeft. De bepaling komt inhoudelijk overeen met hetgeen nu al geldt
voor de NV (artikel 2:131 BW), de BV (artikel 2:241 BW) en – op grond van de schakelbepalingen van artikelen 2:50a, 2:53a en 2:300a BW – voor de commerciële vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de commerciële stichting. Met het
voorgestelde derde lid komt de regel te gelden voor alle rechtspersonen. De regel wordt daarbij op een punt gecorrigeerd. In de huidige artikelen 2:131 en 2:241 BW wordt nog verwezen naar artikel 7:685 BW, dat met de invoering van de Wet werk en zekerheid
per 1 juli 2015 vervallen is. De voorgestelde regel verwijst naar daarvoor in de plaats gekomen artikelen 7:671b en 7:671c BW.
Lid 4
Het voorgestelde vierde lid bepaalt dat de rechter niet een veroordeling kan uitspreken tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder. Met deze bepaling wordt recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om bestuurd
te worden door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is. De regel geldt thans reeds voor de NV (artikel 2:134 lid 3 BW), de BV (artikel 2:244 lid 3 BW), de vereniging (artikel 2:37 lid
6 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:37 lid 6 en 2:53a lid 1 BW). Omdat het vertrouwen in de bestuurder ook bij de stichting van wezenlijk belang is, komt de genoemde regel ook voor stichtingen te gelden. In het voorontwerp
was dit nog opgenomen in de afzonderlijke titel voor de stichting (artikel 2:298 lid 4 van het voorontwerp). Om de duidelijkheid van de wettelijke regeling op dit punt te verbeteren, is de regel in het voorliggende wetsvoorstel verplaatst naar het algemene
gedeelte van Boek 2 BW. Nieuw artikel 2:9c Het voorgestelde artikel 2:9c bevat de regels voor aansprakelijkstelling van bestuurders in geval van faillissement van de rechtspersoon. Zij komt overeen met de bepalingen voor de NV en de BV in de huidige artikelen
2:138 en 2:248 BW. Op grond van schakelbepalingen geldt die regeling onder het huidige recht ook reeds voor de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:50a en 2:53a BW) en de commerciële stichting
(artikel 2:300a BW). Met dit wetsvoorstel wordt de regeling opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Hierdoor wordt de wettelijke regeling verduidelijkt en wordt de regel bovendien van toepassing op alle rechtspersonen. In de consultatie is erop gewezen
dat de toepassing van de bedoelde regeling op alle rechtspersonen, het voor kleine, niet-commerciële verenigingen en stichtingen moeilijker kan maken om vrijwilligers te vinden voor de vervulling van bestuurs- of commissarisfuncties. Ook de Commissie vennootschapsrecht
heeft op dit risico gewezen. Mede naar aanleiding van deze reacties is thans in het tweede lid een uitzondering opgenomen voor onbezoldigde bestuurders van niet-commerciële verenigingen of stichtingen en voor onbezoldigde bestuurders van informele verenigingen
(verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte). Van een onbezoldigde functie als bedoeld in deze bepaling zal sprake zijn als de bestuurder voor zijn werkzaamheden geen vergoeding ontvangt of enkel een vergoeding voor werkelijk
gemaakte onkosten. Met de voorgestelde bepaling geldt voor onbezoldigde bestuurders niet de regel dat in het geval dat niet voldaan is aan de administratieverplichtingen (artikel 2:10 BW) of de verplichting tot publicatie van de jaarrekening (artikel 2:394
BW), vaststaat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Voor onbezoldigde commissarissen van deze verenigingen en stichtingen geldt
een overeenkomstige uitzondering (zie artikel 2:11c). De drempel voor een succesvolle aansprakelijkstelling van de genoemde bestuurders en commissarissen wordt zo aanmerkelijk verhoogd. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat men zich ten onrechte door
de regeling laat weerhouden om zich als vrijwilliger in te zetten als bijvoorbeeld bestuurder van een buurtvereniging of sportclub. Nieuw in de voorgestelde bepaling is de vermelding in de derde volzin van het zesde lid dat de bestuurder niet bevoegd is tot
verrekening van zijn schuld met een vordering op de rechtspersoon. Het gaat hier om de codificatie van een reeds geldende rechtsregel (zie Hoge Raad 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5912, NJ 2009/438). Een verdere toevoeging is te vinden in de slotzin
van het zevende lid, waar bepaald wordt dat de regeling niet van toepassing is op een door de Ondernemingskamer in een enquêteprocedure aangestelde tijdelijke bestuur als bedoeld in artikel 2:356 onder c BW. Het betreft daarbij zowel de bestuurder die op grond
van artikel 2:349a lid 2 BW aangesteld is bij wege van voorlopige voorziening als de bestuurder die aangesteld is bij een op grond van artikel 2:355 lid 1 BW getroffen voorziening. Ingevolge het voorgestelde artikel 2:11d is de regeling evenmin van toepassing
op een door de Ondernemingskamer benoemde commissaris als bedoeld in artikel 2:356 onder c BW. De regel laat overigens onverlet de mogelijkheid van de curator om een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder of commissaris aansprakelijk te stellen op grond
van artikel 2:9b lid 1 (het huidige artikel 2:9 BW). In het voorontwerp was nog opgenomen dat de regeling voor aansprakelijkstelling bij faillissement verplaatst zou worden naar de Faillissementswet. In het voorliggende wetsvoorstel is de regeling opgenomen
in artikel 2:9c, vlak achter de algemene bepaling over de taak van de bestuurders (artikelen 2:9 en 2:9a) en de algemene regeling voor bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9b). Hiermee wordt de inhoudelijke samenhang tussen de betreffende normen benadrukt.
Zo ligt de norm die artikel 2:9c aan bestuurders voorschrijft, in feite ook reeds besloten in de algemene aansprakelijkheidsregel van artikel 2:9b (het huidige artikel 2:9 lid 2 BW).5
C Wijziging artikel 2:11
Inleiding
Met dit voorstel wordt een nieuw artikel 2:11 geïntroduceerd. De voorgestelde bepaling bevat een regeling van de taak van commissarissen en van bepaalde normen die zij bij de vervulling van hun taak in acht moeten nemen. In het algemene gedeelte van deze
toelichting kwam al aan de orde dat er voor de vereniging en voor de stichting op dit moment nog geen regeling bestaat voor de raad van commissarissen. De regeling voor de overige rechtspersonen is nu nog verspreid over Boek 2 BW; zie onder meer voor de NV
artikel 2:140 BW, voor de BV artikel 2:250 BW en voor de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij artikel 2:57 BW.
Lid 1
Het eerste lid biedt voor alle rechtspersonen een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen: bij de statuten kan worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. De mogelijkheid tot het instellen van een raad van
commissarissen bestaat niet wanneer de rechtspersoon een monistisch bestuursmodel hanteert. Dit monistische bestuursmodel wordt geregeld in het voorgestelde artikel 9a. De regel dat de raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen, geldt
ook nu reeds (zie artikelen 2:57 lid 1, 2:140 lid 1 en 2:250 lid 1 BW). In het voorontwerp was nog opgenomen dat er voor de vereniging en de stichting afzonderlijke bepalingen zouden komen over de instelling van een toezichthoudend orgaan. Bij de consultatie
bleek dat die opzet niet de gewenste duidelijkheid bood. Met dit wetsvoorstel wordt er daarom voor gekozen om in het algemene gedeelte van Boek 2 BW een voor alle rechtspersonen geldende regeling te geven over de instelling van een toezichthoudend orgaan (de
raad van commissarissen). Deze opzet is ook in lijn met het uitgangspunt dat wanneer er onvoldoende rechtvaardiging bestaat om voor de verschillende soorten rechtspersonen onderling afwijkende regels te hanteren, een uniforme regeling in de algemene bepalingen
van Boek 2 BW de voorkeur verdient. Het voorontwerp gebruikte voor het toezichthoudende orgaan bij verenigingen en stichtingen nog de term «toezichthoudend orgaan». De bedoeling daarvan was om aan te sluiten bij de benaming die in de praktijk veelal door verenigingen
en stichtingen wordt gehanteerd. Zo wordt de raad van commissarissen van een onderwijsinstelling in de regel aangeduid als «raad van toezicht». Ook daarbuiten blijken verenigingen en stichtingen die een toezichthoudend orgaan hebben ingesteld, dat orgaan vaak
aan te duiden als «raad van toezicht». Verder wordt in bepaalde bijzondere wettelijke regelingen, zoals de Woningwet, de raad van commissarissen van een vereniging of stichting aangeduid als «raad van toezicht». Bij de consultatie bleek echter dat de in het
voorontwerp gebruikte terminologie tot onduidelijkheden leidde. Wetssystematisch ligt het ook niet voor de hand om binnen Boek 2 BW verschillende benamingen hanteren voor organen die in feite dezelfde functie vervullen. In het voorgestelde artikel 2:11 wordt
het toezichthoudende orgaan daarom voor alle rechtspersonen aangeduid als «raad van commissarissen». Overigens maakt het voor de toepassing van de wettelijke regeling strikt genomen niet uit hoe het orgaan door de rechtspersoon zelf wordt aangeduid. Wanneer
in de statuten een orgaan van de rechtspersoon wordt ingesteld en daarbij aan dat orgaan de taak wordt toegekend om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of
organisatie, is dat orgaan een raad van commissarissen in de zin van de wet (vgl. artikel 2:11 leden 1 en 2). Het orgaan heeft in dat geval de taken en de bevoegdheden die door de wet aan een raad van commissarissen worden toebedeeld. In de consultatie is
de vraag opgeworpen of in het geval dat er bij een rechtspersoon sprake is van meerdere toezichthoudende organen die elk toezicht houden op een specifiek onderdeel van het beleid, elk van die organen (al dan niet voor een deel) als raad van commissarissen
moet worden beschouwd. Het antwoord op die vraag luidt gezien het voorgaande ontkennend. Een wezenlijk element van de taak van de raad van commissarissen is immers dat toezicht wordt gehouden op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan
verbonden onderneming of organisatie. Een orgaan dat bijvoorbeeld enkel tot taak heeft om toezicht te houden op de financiële gang van zaken binnen de rechtspersoon, is derhalve geen raad van commissarissen in de zin van de wet. Hetzelfde geldt voor een orgaan
dat enkel de taak heeft om het bestuur te adviseren. Overigens is het ook denkbaar dat een andere rechtspersoon op een bepaalde wijze toezicht houdt op het bestuur, bijvoorbeeld doordat het bestuur tussentijds informatie verstrekt over omzet en winstperspectief.
De voorgestelde regeling sluit die mogelijkheid niet uit, maar ook in dat geval zal er geen sprake zijn van een raad van commissarissen in de zin van de wet. Daarbij is van belang dat een raad van commissarissen dient te bestaan uit een of meer natuurlijke
personen, en dat een rechtspersoon dus geen lid van een raad van commissarissen kan zijn (vgl. artikel 2:11 lid 1). Op overeenkomstige wijze kan vastgesteld worden wat de wettelijke kwalificatie is van bijvoorbeeld een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur.
Zo is het «dagelijks bestuur» alleen te beschouwen als het bestuur in de zin van de wet, als dit het orgaan van de rechtspersoon is dat bevoegd is tot het bepalen van het dagelijkse beleid en de strategie van de rechtspersoon, en het zijn taak in beginsel
autonoom vervult (vgl. artikel 2:9 lid 1). Mogelijk is ook dat het «dagelijks bestuur» vooral uitvoerende taken heeft en dat de wettelijke algemene bestuurstaak berust bij het «algemeen bestuur». Wanneer de leden van het dagelijks bestuur in dat geval ook
lid zijn van het algemeen bestuur, zijn deze leden mogelijk te beschouwen als bestuurders waaraan bij de onderlinge taakverdeling bepaalde uitvoerende taken zijn toebedeeld (vgl. artikel 2:9 lid 2). De vraag of een algemeen bestuur of een dagelijks bestuur
kwalificeert als het bestuur in de zin der wet, is echter niet in algemene zin te beantwoorden.
Lid 2
Het voorgestelde tweede lid bevat de taakomschrijving van de raad van commissarissen. De taak van de raad van commissarissen is het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken. Verder staat de raad van commissarissen
het bestuur met raad terzijde. De voorgestelde bepaling komt daarmee overeen met de regeling die nu reeds geldt voor de NV (artikel 2:140 lid 2 BW), de BV (artikel 2:250 lid 2 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 2 BW).
Deze afzonderlijke bepalingen kunnen met dit wetsvoorstel komen te vervallen. Uit de gegeven taakomschrijving vloeit voort dat de raad van commissarissen in beginsel gekend dient te worden in het algemene bestuursbeleid en in belangrijke beslissingen van het
bestuur; zie in dit verband ook het voorgestelde artikel 2:11a. De raad van commissarissen heeft daarnaast alle bevoegdheden die in redelijkheid nodig zijn om zich een juist beeld te kunnen vormen van de toestand van de rechtspersoon en van het gevoerde beleid.
Zo kan hij bijvoorbeeld door een derde onderzoek laten doen naar een bepaalde activiteit van de rechtspersoon. De kosten van dat onderzoek worden dan gedragen door de rechtspersoon. De raad van commissarissen dient bij het gebruik van dergelijke bevoegdheden
wel telkens de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW in acht te nemen. In de slotzin van het tweede lid wordt bepaald dat de statuten aanvullende bepalingen kunnen bevatten omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad van commissarissen
en van zijn leden. Deze regel geldt nu reeds voor de NV (artikel 2:140 lid 3 BW), de BV (artikel 2:250 lid 3 BW), en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 5 BW). Met de bepaling blijft de op dit punt reeds bestaande flexibiliteit
behouden. De gewenste invulling van de bevoegdheden van de raad van commissarissen kan immers verschillen al naar gelang het karakter en het werkterrein van de rechtspersoon. Zo kan er bij bepaalde rechtspersonen vooral behoefte zijn aan een regeling waarbij
voor bepaalde bestuursbesluiten voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen is vereist, terwijl voor andere rechtspersonen de adviserende taak van de raad van commissarissen belangrijker is.
Lid 3
Het voorgestelde derde lid bepaalt in de eerste volzin dat tot de taak van een commissaris behoren alle taken die niet bij of krachten de statuten aan een of meer andere commissarissen zijn toebedeeld. De bepaling biedt daarmee ook een wettelijke grondslag
voor een taakverdeling tussen de commissarissen. Op grond van de tweede volzin van het derde lid is elke commissaris verantwoordelijk voor het algemene toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken. De genoemde regels gelden thans
voor de meeste rechtspersonen al op basis van een van overeenkomstige toepassing verklaring, direct of indirect, van artikel 2:9 BW op de taakvervulling door de raad van commissarissen. De regel geldt reeds voor de NV (artikel 2:149 BW), de BV (artikel 2:259
BW), de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:50a en 2:53a lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW).
Lid 4
Het vierde lid bepaalt in de eerste volzin dat elke commissaris jegens de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor de meeste rechtspersonen geldt deze regel thans al op basis van de van overeenkomstige toepassing verklaring,
direct of indirect, van artikel 2:9 BW op de taakvervulling door de raad van commissarissen. Dit betreft de NV (artikel 2:149 BW), de BV (artikel 2:259 BW), de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen
2:50a en 2:53a lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW). De reeds bestaande regel wordt verduidelijkt door de regel afzonderlijk te formuleren voor de taakvervulling door commissarissen. Door de regel op te nemen in het algemene gedeelte van
Boek 2 BW, komt zij bovendien uitdrukkelijk te gelden voor alle rechtspersonen. In de tweede volzin wordt bepaald dat de commissarissen zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming
of organisatie. De huidige wet geeft deze regel reeds voor de commissarissen van de NV (artikel 2:140 lid 2 BW), de BV (artikel 2:250 lid 2 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 2 BW). Met de norm wordt onder meer tot uitdrukking
gebracht dat commissarissen bij de vervulling van hun taak de belangen van de rechtspersoon moeten laten prevaleren boven hun eigen belangen. Voor bestuurders geldt ingevolge het voorgestelde artikel 2:9 lid 3 een overeenkomstige norm. Omdat de norm geldt
bij alle rechtspersonen, wordt hier niet gesproken van «vennootschap» maar van «rechtspersoon», en van «onderneming of organisatie» in plaats van «onderneming». De keuze voor deze formulering is hierboven bij de bespreking van het voorgestelde artikel 2:9
lid 3 al toegelicht.
Lid 5
Op grond van het voorgestelde vijfde lid kunnen de statuten bepalen dat aan een bepaalde commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen. Deze regels zijn identiek aan de
regels die nu reeds gelden voor de NV (artikel 2:140 lid 4 BW) en voor de BV (artikel 2:250 lid 4 BW). Omdat de regels zich lenen voor toepassing bij alle rechtspersonen, worden zij met dit wetsvoorstel opgenomen in het algemene gedeelte. Inhoudelijk blijft
de regel ongewijzigd.
Het toekennen van meer dan één stem aan een bepaalde commissaris kan bijvoorbeeld aangewezen zijn indien men extra gewicht wil toekennen aan het inzicht van een door een bepaalde aandeelhouder of subsidieverschaffer benoemde commissaris. Daarbij moet worden
aangetekend dat ook een dergelijke commissaris zich bij de uitoefening van zijn taak dient te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie.
Lid 6
Het zesde lid bevat de tegenstrijdig-belangregeling voor commissarissen. De regeling sluit aan bij de voorgestelde regeling voor tegenstrijdig belang bij bestuurders (artikel 2:9 lid 5). Voor een verdere toelichting verwijs ik dan ook naar hetgeen in het
algemene gedeelte van deze toelichting en bij de toelichting op artikel 2:9 lid 5 over de tegenstrijdig-belangregeling is opgemerkt. Ook bij niet-naleving van de tegenstrijdig-belangregeling door een commissaris geldt dat zulks leidt tot vernietigbaarheid
van het besluit. Er is dan immers sprake van strijd met een wettelijke regeling die het tot stand komen van besluiten regelt (artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW). Als de rechtspersoon schade lijdt door het niet-naleven van de tegenstrijdig-belangregeling,
kan hij deze schade onder omstandigheden verhalen op de betreffende commissaris.
Lid 7
Op grond van het zevende lid dienen de statuten een regeling te bevatten voor het geval dat sprake is van ontstentenis of belet van elk van de commissarissen. De statuten kúnnen een dergelijke regeling bevatten voor de situatie dat sprake is van ontstentenis
of belet van een deel van de raad van commissarissen. Een dergelijk wettelijk voorschrift bestaat thans alleen voor de commissarissen van de BV (artikel 2:252 lid 4 BW). Zie verder hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over de voorgeschreven regeling voor ontstentenis
en belet van bestuurders (artikel 2:9 lid 6).
Lid 8
Het achtste lid bepaalt dat de raad van commissarissen bevoegd is om iedere bestuurder te allen tijde te schorsen, dit tenzij de statuten anders bepalen. Deze regel bestaat nu reeds voor de NV (artikel 2:147 lid 1 BW), de BV (artikel 2:257 lid 1 BW) en de
coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 3 BW). Bij de wettelijke taak van de raad van commissarissen past dat dit orgaan zo nodig kan ingrijpen in het bestuur van de rechtspersoon. Met de bevoegdheid tot schorsing beschikt de raad van
commissarissen over een instrument waarmee een bestuurder zo nodig op per direct op non-actief kan worden gesteld. De bevoegdheid tot schorsing betreft ook de bestuurders die benoemd zijn door een derde. Zulks ligt voor de hand omdat de raad van commissarissen
toezicht houdt op de taakuitoefening van alle bestuurders. De mogelijkheid tot schorsing geldt overigens niet ten aanzien van een door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijke bestuurder. Met een dergelijke schorsing zou immers een door de Ondernemingskamer
getroffen voorziening ongedaan worden gemaakt (zie artikel 2:357 lid 3 BW). Het ontwerpvoorstel bevatte geen regeling voor de opheffing van de schorsing van een bestuurder. Bij de consultatie kwam uit enkele reacties naar voren dat er op dat punt echter behoefte
bestaat aan een basisregeling. Hieraan wordt tegemoetgekomen door in de tweede volzin van dit lid te bepalen dat de schorsing te allen tijde kan worden opgeheven door het orgaan of de persoon welke bevoegd is tot benoeming.
Lid 9
Het negende lid bepaalt dat de commissarissen in de algemene vergadering een raadgevende stem hebben. Deze raadgevende stem van de commissarissen is op dit moment voor een aantal rechtspersoon afzonderlijk geregeld; dit betreft de coöperatie en onderlinge
waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 7 BW), de NV (artikel 2:117 lid 4 BW) en de BV (artikel 2:227 lid 7 BW). De ratio van de raadgevende stem is dat de commissarissen in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering voorgenomen
besluiten te doen blijken, zodat de aandeelhouders of leden daarmee rekening kunnen houden. Mede naar aanleiding van hetgeen in de consultatie op dit punt naar voren is gebracht, wordt de regel nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Voor een
verdere toelichting zij verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over de raadgevende stem van bestuurders in de algemene vergadering (artikel 2:9 lid 7).
Lid 10
Het voorgestelde tiende lid vermeldt welke gegevens meegedeeld moeten worden bij een aanbeveling of voordracht tot benoeming van een commissaris. Dit is thans voor een aantal rechtspersonen afzonderlijk geregeld; dit is het geval voor de coöperatie en onderlinge
waarborgmaatschappij (artikel 2:57a lid 2 BW), de NV (artikel 2:142 lid 3 BW) en de BV (artikel 2:252 lid 3 BW). Naar aanleiding van de in de consultatie gedane aanbevelingen wordt deze regeling nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW, waardoor
de regeling voor alle rechtspersonen komt te gelden.
Lid 11
Ingevolge het elfde lid kan, tenzij de wet anders bepaalt, alleen de algemene vergadering aan commissarissen een bezoldiging toekennen. Onder bezoldiging moet worden verstaan elke vergoeding voor verrichte of te verrichten werkzaamheden. De commissarissen
stellen niet hun eigen bezoldiging vast. Hun bezoldiging wordt evenmin vastgesteld door het bestuur. Dat laatste zou niet passend zijn omdat de raad van commissarissen mede tot taak heeft om toezicht te houden op het bestuur. De wet kent de genoemde regel
thans reeds voor de NV (artikel 2:145 BW) en de BV (artikel 2:255 BW). Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie, wordt voorgesteld om de regel voor alle rechtspersonen te hanteren. Onder de voorgestelde regeling is het overigens wel mogelijk
om in bijvoorbeeld sectorspecifieke wetgeving op dit punt een afwijkende regel te geven. De tweede volzin van het elfde lid geeft een bijzondere regel voor de stichting. Deze regel is nodig omdat de stichting geen algemene vergadering kent. Om deze reden wordt
bepaald dat een bezoldiging van commissarissen van een stichting wordt vastgesteld op de wijze die daartoe in de statuten is voorzien. In dat kader is van belang dat het voor de organen van een stichting alleen mogelijk is om de statuten van de stichting te
wijzigen, als de statuten zelf daartoe de mogelijkheid openen (zie artikel 2:293 BW).
D Nieuw artikel 2:11a
Het voorgestelde artikel 2:11a regelt de informatieverstrekking door het bestuur aan de raad van commissarissen. Het bestuur dient de raad van commissarissen de informatie te verschaffen die deze nodig heeft voor een adequate uitvoering van zijn toezichthoudende
en adviserende taak. De verantwoordelijkheid voor de informatieverschaffing ligt derhalve primair bij het bestuur. Dit betekent niet dat de raad van commissarissen telkens kan volstaan met het beoordelen van de informatie die door het bestuur aangeleverd wordt.
De raad van commissarissen heeft ook zelf een taak in het verkrijgen van de relevante en juiste informatie.6 Een raad van commissarissen die geen initiatief neemt op het moment dat hij signalen ontvangt dat de reeds verstrekte informatie onjuist of ontoereikend
is, handelt dan ook onzorgvuldig. In het eerste lid wordt bepaald dat het bestuur de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens verschaft. Deze regel is gelijk aan de regel die nu al geldt voor de coöperatie
en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 8 BW), de NV (artikel 2:141 lid 1 BW) en de BV (artikel 2:251 lid 1 BW). De laatstgenoemde bepalingen komen dan ook te vervallen. Op grond van het tweede lid dient het bestuur de raad van commissarissen
ten minste één keer per jaar schriftelijk op de hoogte te stellen van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen. Deze regel geldt nu al voor de NV (artikel 2:141 lid 2
BW) en de BV (artikel 2:251 lid 2 BW). Van elke rechtspersoon waarbij er aanleiding is geweest voor de instelling van het toezichthoudende orgaan van de raad van commissarissen, mag verwacht worden dat aan dit minimum wordt voldaan. Zoals ook uit de tekst
van het tweede lid blijkt, verplicht de hier aan de orde zijnde bepaling zélf de rechtspersoon niet tot het gebruik van een of meer beheers- of controlesystemen. Bedoeling is echter dat het gebruik van dergelijke systemen, of het ontbreken van dat gebruik,
wel de aandacht heeft van het bestuur en de raad van commissarissen. Overigens zullen op grond van het eerste lid in veel gevallen aanzienlijk hogere eisen gelden voor de informatieverstrekking door het bestuur. Nieuw artikel 2:11b Het voorgestelde artikel
2:11b bevat in het eerste lid de hoofdregel voor persoonlijke aansprakelijkheid van de commissaris jegens de vennootschap. De regel komt overeen met de regel voor interne aansprakelijkheid van bestuurders (zie artikel 2:9b lid 1). Voor de meeste rechtspersonen
geldt de regel op dit moment al op basis van een van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 2:9 BW; dit geldt voor de NV (artikel 2:149 BW), de BV (artikel 2:259 BW), de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij
(artikelen 2:50a en 2:53a lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW). Met de voorgestelde bepaling wordt het geldende recht op dit punt echter verduidelijkt. Het eerste lid maakt onderscheid tussen gezamenlijke verantwoordelijkheid en individuele
aansprakelijkheid. De commissarissen zijn samen verantwoordelijk voor de taakvervulling door de raad van commissarissen. Zij zijn in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de uit onbehoorlijke taakvervulling voortvloeiende schade. Disculpatie van een commissaris
is mogelijk indien de betreffende commissaris van de onbehoorlijke taakvervulling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij ook niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Wanneer
een commissaris signaleert dat een andere commissaris zijn taken niet goed vervult, zal hij derhalve moeten ingrijpen wil hij zich later kunnen disculperen. Het tweede lid verklaart hetgeen in het voorgestelde artikel 2:9b leden 3 en 4 BW is bepaald ten aanzien
van bestuurders, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen. Dit betreft in de eerste plaats de regeling omtrent de bevoegde rechter bij geschillen tussen de rechtspersoon en de commissaris (lid 3). Deze regel geldt reeds voor de meeste
rechtspersonen (zie de artikelen 2:131 en 2:149 BW, artikelen 2:241 en 2:259 BW, en voorts de artikelen 2:50a, 2:53a en 2:300a BW). Ten tweede gaat het om de regel dat geen veroordeling kan worden uitgesproken tot herstel van de arbeidsovereenkomst met de
bestuurder (lid 4). De regel geldt nu reeds voor de commissarissen van de NV en de BV (zie artikelen 2:134 lid 3 en 2:144 lid 2 BW, alsmede artikelen 2:244 lid 3 en 2:254 lid 2 BW).
Nieuw artikel 2:11c
Het voorgestelde artikel 2:11c verklaart de regeling voor aansprakelijkstelling van bestuurders in geval van faillissement, van overeenkomstige toepassing op commissarissen. De bepaling biedt daarmee vooral een verduidelijking van het wettelijke regime.
Voor de meeste rechtspersonen is de regeling nu op basis van schakelbepalingen namelijk reeds van toepassing. De regeling geldt nu reeds voor commissarissen van de NV (artikelen 2:138 en 2:149 BW), de BV (artikelen 2:248 en 2:259 BW), de commerciële vereniging
(artikelen 2:138, 2:149 en 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:138, 2:149, 2:50a en 2:53 lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikelen 2:138, 2:149 en 2:300a BW).
E Wijziging artikel 2:37 BW
Met de Wet bestuur en toezicht is voor de NV voorzien in een vereenvoudiging van de procedure voor benoeming van een bestuurder uit een voordracht (zie artikel 2:133 lid 3 BW) (Stb. 2011, 275). De Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht heeft deze
vereenvoudiging ook doorgevoerd voor de BV (zie artikel 2:243 lid 3 BW) (Stb. 2012, 299). Met de nu voorgestelde aanvulling van artikel 2:37 BW wordt die vereenvoudiging van de benoemingsprocedure ook doorgevoerd voor de andere rechtspersonen met een algemene
vergadering. Dit betreft derhalve de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Voor deze laatste twee rechtspersonen geldt de voorgestelde wijziging dan op grond van de schakelbepaling van artikel 2:53a lid 1 BW. De voorgestelde wijziging
heeft, zoals vermeld, betrekking op de benoeming van bestuurders uit een voordracht. Volgens artikel 2:37 lid 4 BW kunnen de statuten bepalen dat een bestuurder uit een bindende voordracht moet worden benoemd; de algemene vergadering kan het bindende karakter
aan die voordracht ontnemen door een met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen genomen besluit. De voorgestelde aanvulling van het vierde lid heeft betrekking op de situatie dat er voor een bestuursfunctie één kandidaat wordt voorgedragen. Ingevolge
de voorgestelde regeling kan deze kandidaat benoemd worden met één besluit van de algemene vergadering. De algemene vergadering behoeft in dat geval niet langer eerst te stemmen over ontneming van het bindende karakter aan de voordracht en vervolgens nog een
keer over de benoeming. De laatste volzin van het huidige zesde lid van artikel 2:37 BW komt te vervallen. Met de voorgestelde regeling wordt in artikel 2:9b lid 4 immers voor alle rechtspersonen bepaald dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst
tussen de rechtspersoon en de bestuurder door de rechter niet kan worden uitgesproken.
F
Wijziging artikel 2:44 lid 1 BW Het eerste lid van artikel 2:44 BW komt te vervallen in verband met de regeling van de bestuurstaak in het voorgestelde artikel 2:9 lid 1. De nummering van het huidige tweede lid vervalt dan eveneens.
G
Wijziging artikel 2:47 BW Gezien de voorgestelde algemene tegenstrijdig-belangregeling voor bestuurders en voor commissarissen (artikel 2:9 lid 5 en artikel 2:11 lid 6), kan de afzonderlijke tegenstrijdig-belangregeling voor de vereniging komen te vervallen
(het huidige artikel 2:47 BW). Hierdoor ontstaat ruimte om in artikel 2:47 voor de vereniging een regeling op te nemen omtrent benoeming, schorsing en ontslag van commissarissen. De voorgestelde bepaling is voor een deel ontleend aan het huidige artikel 2:57a
lid 1 BW, dat de regeling bevat voor benoeming van commissarissen bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. De voorgestelde bepaling ziet echter niet alleen op benoeming, maar ook op schorsing en ontslag. Op grond van de schakelbepaling van
artikel 2:53a lid 1 BW zal de bepaling ook gelden voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij voor zover er voor deze rechtspersonen geen afwijkende regeling is getroffen. Een dergelijke afwijkende regeling bestaat alleen voor coöperaties en onderlinge
waarborgmaatschappijen onder het structuurregime; voor deze rechtspersonen geven artikelen 2:63e t/m 2:63i BW een bijzondere regeling omtrent benoeming, schorsing en ontslag van commissarissen.
H
Wijziging artikel 2:50a BW Artikel 2:50a BW dient te worden aangepast omdat een aantal van de aangeduide regelingen met dit voorstel worden ondergebracht in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Met de voorgestelde wijziging komt de vermelding van de artikelen
2:131, 2:138, 2:149 BW te vervallen. Verder wordt de bepaling gecorrigeerd door in de voorgestelde bepaling niet meer op te nemen dat de overeenkomstige toepassing alleen zou gelden in geval van faillissement.
I
Wijziging artikel 2:53a BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
J
Vervallen artikel 2:57 BW en artikel 2:57a BW Artikelen 2:57 en 2:57a BW bevatten een regeling voor de raad van commissarissen bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Deze bepalingen kunnen geschrapt worden omdat de genoemde onderwerpen
geregeld worden in de voorgestelde artikelen 2:11, 2:11a en 2:47. De regel die thans is opgenomen in artikel 2:57 lid 4 BW, geldt eveneens onder de voorgestelde regeling van artikel 2:9 lid 5. Het is niet nodig om de uitdrukkelijke bepaling van het huidige
artikel 2:57 lid 4 BW te handhaven.
K
Wijziging artikel 2:63f BW Artikel 2:63f lid 5 BW wordt aangepast door de verwijzing naar het te schrappen artikel 2:57a lid 2 BW te vervangen door een verwijzing naar het voorgestelde artikel 2:11 lid 10.
L
Nieuw artikel 2:63k Deze bepaling regelt de mogelijkheid tot toepassing van een monistisch bestuursmodel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij die onder het structuurregime valt. De bepaling komt inhoudelijk goeddeels overeen met de regeling
van het monistische bestuurssysteem voor de NV en de BV die onder de structuurregeling valt (zie artikel 2:164a BW en artikel 2:274a BW). Het eerste lid verklaart de d bepalingen die bij een dualistische bestuurssysteem gelden ten aanzien van de samenstelling
van de raad van commissarissen, de benoeming van commissarissen, onverenigbaarheid van functies, de benoemingstermijn en het ontslag van commissarissen, van overeenkomstige toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders binnen het monistische bestuursmodel.
Het tweede lid bepaalt dat bestuursbesluiten als bedoeld in artikel 2:63j BW goedkeuring behoeven van de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders. Dit meerderheidsvereiste sluit aan bij hetgeen geldt voor de rechtspersoon met een dualistisch bestuursmodel
die onder de structuurregeling valt: bij deze rechtspersoon behoeven de ingrijpende besluiten die vermeld zijn in artikel 2:63j BW de goedkeuring van de raad van commissarissen. Deze regeling komt overeen met de regeling bij de NV en de BV (zie artikel 2:164a
lid 4 BW en artikel 2:274a lid 4 BW).
M
Wijziging artikel 2:93 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
N
Wijziging artikel 2:117 BW Met dit artikel wordt lid 4 van artikel 2:117 BW geschrapt. De raadgevende stem van bestuurders en commissarissen in de algemene vergadering wordt met dit wetsvoorstel geregeld in het algemene gedeelte van Boek 2 BW, te weten in
artikel 2:9 lid 7 en artikel 2:11 lid 9.
O
Wijziging artikel 2:129 BW Vanwege de aanvulling van artikel 2:9 BW met een regeling omtrent de taak van de bestuurder, het stemrecht en de tegenstrijdig-belangregeling, kunnen de leden 1, 2, 5 en 6 van het huidige artikel 2:129 BW geschrapt worden. De leden
3 en 4 van het huidige artikel 2:129 BW worden om deze reden vernummerd tot respectievelijk lid 1 en lid 2.
P
Vervallen artikel 2:129a BW Met dit wetsvoorstel wordt in artikel 2:9a een algemene regeling gegeven voor toepassing van het monistische bestuursmodel. De regeling voor het monistische bestuursmodel bij de NV in het huidige artikel 2:129a BW wordt daardoor
overbodig.
Q
Vervallen artikel 2:131 BW Het huidige artikel 2:131 BW kan komen te vervallen omdat het voorgestelde artikel 2:9b lid 3 op dit punt voorziet in een algemene regeling voor alle rechtspersonen.
R
Wijziging artikel 2:132 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
S Wijziging artikel 2:134 BW De laatste volzin van artikel 2:134 lid 1 BW kan worden geschrapt omdat het voorgestelde artikel 2:9a lid 4 voor alle rechtspersonen met een monistisch bestuurssysteem bepaalt dat het bestuur te allen tijde bevoegd
is tot schorsing van een uitvoerende bestuurder. Lid 3 vervalt vanwege de uitsluiting van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in het voorgestelde artikel 2:9b lid 4. Lid 4 vervalt vanwege de algemene belet- en ontstentenisregeling in artikel
2:9 lid 6. T Wijziging artikel 2:135 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
U Vervallen artikel 2:138 BW Artikel 2:138 BW vervalt in verband met de introductie van de algemene regeling van bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement in artikel 2:9c.
V
Vervallen artikel 2:140 BW Artikel 2:140 BW vervalt omdat het voorgestelde artikel 2:11 voorziet in een algemene regeling omtrent de instelling van een raad van commissarissen.
W
Vervallen artikel 2:141 BW Artikel 2:141 BW kan vervallen omdat de regels van deze bepaling met het wetsvoorstel worden opgenomen in artikel 2:11a.
X
Wijziging artikel 2:142 BW Het derde lid van artikel 2:142 BW kan komen te vervallen omdat het voorgestelde artikel 2:11 lid 10 op dit punt een algemene regeling treft.
Y
Wijziging artikel 2:144 BW In het tweede lid van deze bepaling komt te verwijzing naar het huidige derde lid van artikel 2:134 BW te vervallen. Het bepaalde in het laatstgenoemde artikellid wordt met dit voorstel opgenomen in de algemene bepalingen van Boek
2 BW, in artikel 2:9b lid 4. De regel is om die reden reeds rechtstreeks van toepassing.
Z
Vervallen artikel 2:145 BW Artikel 2:145 BW komt te vervallen in verband met de algemene regeling van het voorgestelde artikel 2:11 lid 11.
AA
Vervallen artikel 2:147 BW Artikel 2:147 BW komt te vervallen in verband met de introductie van de algemene regeling van artikel 2:11 lid 8.
BB
Vervallen artikel 2:149 BW Artikel 2:149 BW komt te vervallen in verband met de voorgestelde algemene regeling in de artikelen 2:11, 2:11b lid 2 en 2:11c.
CC
Vervallen artikel 2:151 BW De regeling van artikel 2:151 BW wordt verplaatst naar het voorgestelde artikel 2:9 lid 6, waarbij de regeling ook verduidelijkt wordt. Het eerstgenoemde artikel kan om die reden komen te vervallen.
DD
Wijziging artikel 2:155 BW en artikel 2:155a BW In de literatuur is gesignaleerd dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de toepassing van het verzwakte structuurregime bij de NV met een monistisch bestuursmodel.7 Het verzwakt structuurregime geldt wanneer
de NV een structuurvennootschap is en, kort gezegd, deze NV dochter is in een internationaal concern (zie artikel 2:155 BW) of sprake is van besloten verhoudingen (zie artikel 2:155a BW). In die gevallen geldt niet het voorschrift van de structuurregeling
dat de raad van commissarissen bevoegd is tot benoeming en tot ontslag van de bestuurders (zie artikel 2:155 BW). Deze bevoegdheid blijft onder het verzwakt structuurregime berusten bij de algemene vergadering. Met de voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt
dat bij de NV met een monistisch bestuurssysteem die onder het verzwakt structuurregime valt, de bevoegdheid tot benoeming van de uitvoerende bestuurders berust bij de algemene vergadering. Anders dan onder het volledige structuurregime, berust die bevoegdheid
dus niet bij de niet-uitvoerende bestuurders. Hiertoe wordt in artikel 2:155 lid 1 BW en in artikel 2:155a lid 1 BW opgenomen dat artikel 2:164a lid 2 BW niet geldt onder een verzwakt structuurregime. De regeling voor het verzwakt structuurregime bij de BV
wordt op overeenkomstige wijze verduidelijkt. Zie de voorgestelde wijziging van de artikelen 2:265 en 2:265a BW. De regeling voor coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij behoeft op dit punt geen aanpassing. Reden daarvoor is dat bij deze rechtspersonen
– anders dan bij de NV en de BV – de toepassing van het structuurregime niet leidt tot een verschuiving van de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van bestuurders.
EE
Wijziging artikel 2:164a BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
FF
Wijziging artikel 2:203 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
GG
Wijziging artikel 2:207 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
HH
Wijziging artikel 2:216 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
II
Wijziging artikel 2:227 BW Het zevende lid van artikel 2:227 BW komt te vervallen. De raadgevende stem van bestuurders en commissarissen wordt met dit voorstel geregeld in artikel 2:9 lid 7 en artikel 2:11 lid 9.
JJ
Wijziging artikel 2:238 BW De laatste volzin van artikel 2:238 lid 2 BW wordt geschrapt omdat de regel omtrent de raadgevende stem buiten vergadering met het voorliggende wetsvoorstel wordt opgenomen in artikel 2:9 lid 7 en artikel 2:11
lid 9.
KK
Wijziging artikel 2:239 BW Gezien de voorgestelde aanvulling van artikel 2:9 BW met een regeling omtrent de taak van de bestuurder, het stemrecht en de tegenstrijdig-belangregeling, kunnen de leden 1, 2, 5 en 6 van artikel 2:239 BW komen te vervallen. De
leden 3 en 4 van het huidige artikel 2:239 BW worden vernummerd tot respectievelijk lid 1 en lid 2.
LL
Vervallen artikel 2:239a BW Het voorliggende wetsvoorstel geeft in artikel 2:9a een algemene regeling voor de toepassing van het monistisch bestuursmodel. De regeling voor het monistische bestuursmodel voor de BV in het huidige artikel 2:239a kan daardoor
komen te vervallen.
MM
Vervallen artikel 2:241 BW Artikel 2:241 BW komt te vervallen omdat het voorgestelde artikel 2:9b lid 3 BW op dit punt voorziet in een algemene regeling.
NN
Wijziging artikel 2:242 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
OO
Wijziging artikel 2:244 BW De laatste volzin van artikel 2:244 lid 1 BW kan geschrapt worden omdat het voorgestelde artikel 2:9a lid 4 voor alle rechtspersonen met een monistisch bestuurssysteem bepaalt dat het bestuur te allen tijde bevoegd is tot schorsing
van een uitvoerende bestuurder. Lid 3 vervalt vanwege de uitsluiting van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in het voorgestelde artikel 2:9b lid 4. Lid 4 van artikel 2:244 BW vervalt vanwege de algemene belet- en ontstentenisregeling in
het voorgestelde artikel 2:9 lid 6.
PP
Vervallen artikel 2:248 BW Artikel 2:248 BW komt te vervallen in verband met de introductie van de algemene regeling van artikel 2:9c.
QQ
Vervallen artikel 2:250 BW Artikel 2:250 BW vervalt omdat het voorgestelde artikel 2:11 voorziet in een algemene regeling omtrent de instelling van een raad van commissarissen.
RR
Vervallen artikel 2:251 BW Artikel 2:251 BW vervalt vanwege de introductie van de algemene regeling van artikel 2:11a.
SS
Wijziging artikel 2:252 BW Het derde lid van artikel 2:252 BW wordt geschrapt omdat de betreffende regels over de benoemingsprocedure verplaatst worden naar artikel 2:11 lid 10. Het vierde lid vervalt omdat het voorgestelde artikel 2:11 lid 7 een algemeen
voorschrift bevat omtrent belet en ontstentenis van commissarissen.
TT
Wijziging artikel 2:254 BW In het tweede lid van deze bepaling komt te verwijzing naar het huidige derde lid van artikel 2:244 BW te vervallen. Het bepaalde in het laatstgenoemde artikellid wordt met dit voorstel opgenomen in de algemene bepalingen van Boek
2 BW, in artikel 2:9b lid 4. De regel is om die reden reeds rechtstreeks van toepassing.
UU
Vervallen artikel 2:255 BW Artikel 2:255 BW komt te vervallen in verband met de algemene regeling van het voorgestelde artikel 2:11 lid 10.
VV
Vervallen artikel 2:257 BW Artikel 2:257 BW komt te vervallen in verband met de introductie van de algemene regeling van artikel 2:11 lid 8.
WW
Vervallen artikel 2:259 BW Artikel 2:259 BW komt te vervallen in verband met de voorgestelde algemene regeling van de artikelen 2:11, 2:11b lid 2 en 2:11c.
XX
Vervallen artikel 2:261 BW De regeling van artikel 2:261 BW wordt verplaatst naar het voorgestelde artikel 2:9 lid 6, waarbij de regeling ook verduidelijkt wordt. Het eerstgenoemde artikel kan om die reden komen te vervallen.
YY
Wijziging artikel 2:265 BW en artikel 2:265a BW Met de voorgestelde wijziging van artikelen 2:265 en 2:265a BW wordt verduidelijkt dat bij een BV met een monistisch bestuursmodel die onder het verzwakt structuurregime valt, de bevoegdheid tot benoeming van
de uitvoerende bestuurders berust bij de algemene vergadering. Zie voor een verdere toelichting hetgeen is opgemerkt omtrent de wijziging van de artikelen 2:155 en 2:155a BW.
ZZ
Wijziging artikel 2:274a BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
AAA
Wijziging artikel 2:286 BW De wijziging van artikel 2:286 lid 4, onderdeel c, BW houdt verband met de introductie van een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen bij de stichting. Deze grondslag wordt gegeven in het voorgestelde
artikel 2:11. Bij andere rechtspersonen vindt benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen in beginsel plaats door de algemene vergadering. Omdat een stichting geen algemene vergadering heeft, dient een stichting waarbij een raad van commissarissen
is ingesteld een statutaire regeling te hebben omtrent benoeming en ontslag van commissarissen.
BBB
Wijziging artikel 2:291 BW Het eerste lid van artikel 2:291 BW komt te vervallen omdat de bestuurstaak met dit wetsvoorstel geregeld wordt in artikel 2:9 lid 1. De nummering van het huidige tweede lid vervalt dan eveneens.
CCC
Wijziging artikel 2:298 BW De voorgestelde wijziging van artikel 2:298 BW bewerkstelligt een verruiming van de gronden op basis waarvan een stichtingsbestuurder door de rechter kan worden ontslagen. Ingevolge de voorgestelde bepaling kan een stichtingsbestuurder
door de rechter worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden, en wegens
het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter. Deze ontslaggronden zijn ontleend aan de regeling voor ontslag van een commissaris van een structuurvennootschap door de Ondernemingskamer (zie artikelen 2:161 lid 2 en 2:271 lid
2 BW). De regeling komt ook te gelden voor commissarissen. In het algemene gedeelte van deze toelichting is de voorgestelde wijziging al op hoofdlijnen toegelicht. In aanvulling daarop kan nog het volgende worden opgemerkt. Een verzoek aan de rechter tot ontslag
van een stichtingsbestuurder kan worden ingediend door het openbaar ministerie en door een belanghebbende. Wie in een concreet geval als belanghebbende in de zin van deze regeling kan worden aangemerkt, dient afgeleid te worden uit de aard van de procedure
en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre de betreffende persoon door de uitkomst van de procedure in een eigen belang kan worden getroffen en in hoeverre deze
persoon anderszins zo nauw betrokken is bij het onderwerp van de procedure dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (zie Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45). De voorgestelde regeling brengt hierin als zodanig
geen verandering. Naar aanleiding van misstanden bij stichtingen die actief zijn in semipublieke sectoren, is wel de vraag gesteld of de Staat in dergelijke gevallen in een ontslagprocedure als belanghebbende kan worden aangemerkt. In dat kader is van belang
dat in gevallen waarin sprake is van een financieringsrelatie tussen de Staat en de stichting, de Staat in zijn belangen kan worden geraakt wanneer de stichtingsbestuurder het belang van de stichting schaadt (vgl. onder meer Rb. ’s-Hertogenbosch 30 januari
2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BC3002, JOR 2008/69). Mogelijk is ook dat de Staat vanwege zijn stelselverantwoordelijkheid als belanghebbende wordt aangemerkt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een stichting die actief is in de onderwijssector. Bij de consultatie
is de vraag gesteld hoe de ontslagbepaling zich verhoudt tot bepalingen over ontslag van bestuurders die zijn opgenomen in sectorspecifieke wetgeving. In dat kader is van belang dat de voorgestelde regeling van artikel 2:298 BW een basisregeling is die zal
gelden voor alle stichtingen. In sectorspecifieke wetgeving kan deze basisregeling zo nodig worden aangevuld. Overigens staat de regeling van artikel 2:298 BW ook los van een ontslagregeling in de statuten van de stichting. De wettelijke regeling voor ontslag
door de rechter laat de mogelijkheid tot toepassing van een statutaire ontslagregeling onverlet. In het kader van de consultatie is ook de suggestie gedaan om te bepalen dat de rechtbank bij de stichting een tijdelijke bestuurder of commissaris kan benoemen.
Een dergelijke bevoegdheid komt in enquêteprocedures toe aan de Ondernemingskamer (zie artikel 2:346 aanhef en onder c BW). Deze suggestie is niet overgenomen. De bestaande regeling is op het genoemde punt namelijk toereikend. Het tweede lid van artikel 2:298
BW – dat door het wetsvoorstel gehandhaafd wordt – biedt de rechtbank de mogelijkheid om de bestuurder hangende het onderzoek te schorsen en om voorlopige voorzieningen te treffen in het bestuur. Op basis van deze bepaling kan de rechter zo nodig een of meer
tijdelijke bestuurders of commissarissen benoemen (zie Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989, NJ 2010/296). Verder bepaalt artikel 2:299 BW – samengevat – dat telkens wanneer het bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en er niet overeenkomstig
de statuten in het bestuur wordt voorzien, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een voorziening kan treffen waardoor de bestuurdersposities alsnog worden ingevuld. Het derde lid van artikel 2:298 BW kent sinds 1 januari
1994 de regel dat een door de rechter ontslagen stichtingsbestuurder gedurende vijf jaren na het ontslag geen bestuurder van een stichting kan worden. Deze regel wordt met het voorstel uitgebreid zodat de ontslagen bestuurder in die periode van vijf jaren
evenmin commissaris van een stichting kan worden. Ingevolge het nieuwe vierde lid komen de hiervoor besproken ontslag-regels ook te gelden voor de commissaris van een stichting. Aanleiding voor deze toevoeging is dat met dit wetsvoorstel ook voor de stichting
een wettelijke grondslag wordt gegeven voor de instelling van een raad van commissarissen. De overwegingen die ten grondslag liggen aan de gegeven mogelijkheid tot ontslag van een stichtingsbestuurder, gelden eveneens ten aanzien van een commissaris. De regeling
wordt daarom van overeenkomstige toepassing verklaard op commissarissen van een stichting.
DDD
Wijziging artikel 2:300a BW Artikel 2:300a BW wordt aangepast in verband met de verplaatsing van een aantal regelingen naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Met de voorgestelde wijziging komt de vermelding van de artikelen 2:131, 2:138, 2:149 BW te vervallen.
De bepaling wordt bovendien aangepast door in de bepaling niet meer op te nemen dat de overeenkomstige toepassing alleen zou gelden in geval van faillissement.
EEE
Wijziging artikel 2:346 BW Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.
Artikel II Wijziging van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek
In artikel 10:121 lid 1 BW wordt de verwijzing naar de artikelen 2:138 en 2:149 BW vervangen door een verwijzing naar de voorgestelde artikelen 2:9c en 2:11c. Met dit wetsvoorstel wordt de regeling voor aansprakelijkstelling van de bestuurder en commissaris
in geval van faillissement verplaatst naar de laatstgenoemde bepalingen.
Artikelen III – XIV Wijziging van andere wetten
Met deze artikelen worden een twaalftal wetten aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen van Boek 2 BW. Daarbij worden ook bepalingen geschrapt die dezelfde materie regelen als de bepalingen die met dit voorstel worden opgenomen in het algemene
gedeelte van Boek 2 BW. Omdat die bepalingen in de bijzondere wetten door de aanvulling van Boek 2 BW overbodig worden, kunnen zij komen te vervallen.
Artikel XV Overgangsrecht
In het eerste lid van de voorgestelde bepaling worden de artikelen 29, eerste lid, 74, 79 en 80 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Algemeen uitgangspunt is dat de nieuwe bepalingen vanaf het moment van inwerkingtreding
onmiddellijk van toepassing zijn, maar enkel ten aanzien van feiten die na dat moment voorvallen (artikel 29 Overgangswet). Het van toepassing verklaarde artikel 74 van de Overgangswet regelt onder meer dat het van toepassing worden van de wettelijke regeling
geen gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de rechter in het geval dat de zaak al was aangevangen vóór het van toepassing worden van de regeling. Op grond van artikel 79 Overgangswet is, tenzij anders is bepaald, een rechtshandeling die verricht is voordat
de wet daarop van toepassing wordt, niet nietig of vernietigbaar ten gevolge van een omstandigheid die de wet, in tegenstelling tot het tevoren geldende recht, aanmerkt als een grond van nietigheid of vernietigbaarheid. Verder kan ingevolge artikel 80 Overgangswet
een rechtshandeling die onder het oude recht vernietigbaar was, vanaf het van toepassing worden van de nieuwe wet niet meer vernietigd worden wegens een gebrek dat onder de nieuwe wet geen grond voor vernietiging meer oplevert. Het voorgestelde tweede lid
geeft een afzonderlijke overgangsregel voor de bepaling dat er een statutaire regeling dient te zijn voor het geval van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders of elk van de commissarissen (artikel 2:9 lid 6 en artikel 2:11 lid 7). Op basis van deze
overgangs-regel noodzaakt de verplichting tot het treffen van een ontstentenis- en beletregeling niet tot een zelfstandige statutenwijziging. De rechtspersoon die nog geen statutaire ontstentenis- of beletregeling heeft, kan aan de wettelijke regeling voldoen
door bij de eerstvolgende statutenwijziging alsnog een dergelijke regeling op te nemen.
Artikel XVI Samenloop
Deze bepaling regelt in de eerste plaats de samenloop met het wetsvoorstel over de herintroductie van de bepalingen over evenwichtige verdeling van zetels van het bestuur en van de raad van commissarissen over mannen en vrouwen (zie Kamerstukken II 2015/16,
34 435). De bepaling is nodig omdat de regel over de gegevens die meegedeeld moeten worden bij een aanbeveling of een voordracht tot benoeming van een commissaris, met het onderhavige wetsvoorstel wordt opgenomen in artikel 2:11 lid 10 (zie thans voor de NV
artikel 2:142 lid 3 BW en voor de BV artikel 2:252 lid 3 BW). Voorts regelt deze bepaling de samenloop met het wetsvoorstel voor de Wet continuïteit ondernemingen I (zie Kamerstukken II 2014/15, 34 218). Dat wetsvoorstel bevat een aanvulling op het eerste
lid van artikelen 2:138 en 2:248 BW. De regel van de laatstgenoemde bepalingen wordt met het voorliggende wetsvoorstel verplaatst naar artikel 2:9c.
Artikel XVII Inwerkingtreding
Voor de inwerkingtreding van de regeling wordt aangesloten bij het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten.
Artikel XVIII Citeertitel
Deze bepaling regelt dat indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, de wet wordt aangehaald als de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Deze titel is gekozen om te voorkomen dat verwarring ontstaat met de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet
tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (Wet van 6 juni 2011, Stb. 2011, 275).
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer
2 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer
3 Vgl. onder meer Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nrs. 15, 16 en 27 t/m 29; en B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, § 3.3.
4 Zie hierover P.J. Dortmond, Van der Heijden Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, 2013/263.
5 Zie hierover ook reeds de toelichting die destijds gegeven is bij de invoering van artikelen 2:138 en 2:248 BW; Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 6, p. 18–43.
6 Zie daarover Asser/Rensen 2-III* 2012/253 en Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II* 2009/492.
7 Zie onder meer R.G.J. Nowak, «Kunnen structuurvennootschappen met verzwakt regime een one-tier board hebben?», Ondernemingsrecht 2013/8, en M. van Olffen, «Inrichting van de one tier vennootschap bij of krachtens de statuten», Ondernemingsrecht 2012/89.
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
34 491 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)
C MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 28 oktober 2020
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen. Zij hebben daarover nog enkele vragen. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel
dat strekt tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen). Het wetsvoorstel biedt
onder meer een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen bij verenigingen en stichtingen en maakt de keuze voor een monistisch bestuurssysteem voor alle rechtspersonen mogelijk. Tevens wordt de regeling voor bestuur en toezicht
geüniformeerd. De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen vragen over de ontstaansgrond, de proportionaliteit van het wetsvoorstel voor kleine stichtingen en verenigingen die volledig afhankelijk zijn van vrijwilligers en de daarmee samenhangende
uitvoeringslast van het voorliggende voorstel. De leden van de SGP-fractie hebben met de nodige scepsis kennisgenomen van het voorstel om te komen tot een Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Zij vragen zich af of dit voorstel als positief moet worden bezien.
Welke concrete problemen liggen er nu precies ten grondslag aan dit voorstel? Op welke punten zou er echt iets misgaan met rechtspersonen wanneer dit voorstel geen wet zou worden?
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van de fracties van GroenLinks, de ChristenUnie en de SGP. De vragen uit het voorlopig verslag zal ik beantwoorden in de volgorde waarin ze zijn gesteld, tenzij anders aangegeven.
De leden van de SGP-fractie willen weten welke concrete problemen ten grondslag liggen aan het wetsvoorstel en wat er nu zonder dit wetsvoorstel misgaat bij rechtspersonen. Ik zal daartoe eerst het doel en de achtergrond van het wetsvoorstel schetsen, waarna
ik inga op de verschillende maatregelen die met dit wetsvoorstel worden genomen. Het wetsvoorstel geeft vorm aan een professionaliseringsslag bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen1 en stichtingen, waaronder in de semipublieke sector.
De noodzaak van deze professionaliseringsslag is gebleken na een aantal incidenten zoals in de sociale huursector (Vestia), de gezondheidszorg (Meavita) en het onderwijs (Amarantis). Deze incidenten zijn onderzocht door de Commissie Halsema.2 Haar advies was
onder meer om een nauwkeuriger taakomschrijving van toezichthouders van verenigingen en stichtingen in het Burgerlijk Wetboek (BW) op te nemen en om de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in de semipublieke sector aan te scherpen wanneer zij
hun taken niet goed vervullen.3 Met het wetsvoorstel wordt dit geregeld. Ik noem de vijf maatregelen die in het wetsvoorstel worden voorgesteld, waarbij ik per maatregel toelicht voor welke problemen bij verenigingen en stichtingen een oplossing wordt geboden.
Ik betrek bij deze toelichting tevens de vraag van de leden van de fractie van Groen-Links om in te gaan op de noodzaak en nut van het wetsvoorstel per soort rechtspersoon.
(i) Het wetsvoorstel geeft regels voor een raad van commissarissen en voor een monistisch bestuur bij verenigingen en stichtingen, mede over de taakverantwoordelijkheid en aansprakelijkheidsrisico’s
Voor de NV en de BV is op grond van de bestaande wetgeving al duidelijk dat een raad van commissarissen of een monistisch bestuurssysteem kan worden ingesteld (bij een monistisch bestuursmodel zitten uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders in het bestuursorgaan;
er is geen aparte raad van commissarissen). In combinatie met de wettelijke taakomschrijving van commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders wordt duidelijk wat van een commissaris en een niet-uitvoerende bestuurder mag worden verwacht. Voor de rechtspersoon
van de vereniging en de stichting ontbreekt die duidelijkheid nu. Er wordt in de praktijk bij de vereniging of stichting soms wel een raad van toezicht ingesteld, maar door het ontbreken van een wettelijke taakomschrijving is discussie mogelijk over welke
taken en verantwoordelijkheden de leden daarvan precies hebben. Dit kan tot gevolg hebben dat toezichthouders niet goed weten wat van hen verwacht wordt en niet ingrijpen wanneer daartoe aanleiding bestaat. Dat is onwenselijk. Om deze reden geeft het wetsvoorstel
– net als onder het huidige recht voor de NV en de BV – een omschrijving van de bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden van een toezichthouder van een rechtspersoon.4 Vastgelegd wordt dat een raad van commissarissen tot taak heeft om toezicht te houden
op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie én verder tot taak heeft om het bestuur met raad terzijde te staan. Commissarissen richten zich bij de vervulling van hun taken
op het belang van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming of organisatie(zie de voorgestelde artikelen 2:47 lid 2 BW en 2:292a lid 2 BW). Deze «taakgerichtheid» is ook opgenomen voor (niet-uitvoerende) bestuurders (zie de voorgestelde artikelen
2:44 lid 2 en 2:291 lid 3 BW). Verder wordt, op dezelfde wijze als voor NV’s en BV’s, verduidelijkt wanneer commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders van verenigingen en stichtingen aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van onbehoorlijke taakvervulling
en wanneer de taakvervulling onbehoorlijk is (waarbij sprake moet zijn van ernstige verwijtbaarheid).5Die duidelijkheid is in het belang van de rechtspersoon, de commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders zelf, maar ook voor derden die door het optreden
van de rechtspersoon zijn geraakt en bijvoorbeeld een commissaris willen aanspreken voor onbehoorlijk toezicht.
(ii) Het wetsvoorstel regelt dat bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen met een tegenstrijdig belang niet mogen deelnemen aan de besluitvorming
Onder het huidige recht ontbreekt een tegenstrijdigbelangregeling voor de stichting. De stichting is een rechtspersoon zonder leden aan wie het bestuur verantwoording hoeft af te leggen, waardoor het risico groter kan zijn dat het bestuur eigen belangen
laat prevaleren boven die van de rechtspersoon. Om die reden is juist bij de stichting behoefte aan een tegenstrijdigbelangregeling om het bestuur en toezicht te versterken. Ter illustratie verwijs ik ook naar een uitspraak van de Rechtbank Gelderland uit
2019 waar de rechtbank, anticiperend op dit wetsvoorstel, de tegen-strijdigbelangregeling zoals voorgesteld in het nieuwe artikel 2:291 lid 6 BW toepast op een stichting (Rb. Gelderland 11 juni 2019, ECLI:NL-:RBGEL:2019:3247). De tegenstrijdigbelangregeling
voor de vereniging is verouderd. Op grond van het huidige artikel 2:47 BW geldt voor de vereniging nog de regeling zoals die tot 2013 voor de NV en de BV gold. De huidige besluitvormings-regeling voor tegenstrijdig belang voor bestuurders en commissarissen
van de NV en de BV is ingevoerd bij de Wet bestuur en toezicht 2011 (Stb.
2011, 275, in werking getreden op 1 januari 2013).6 Deze besluitvormings-regeling bepaalt dat indien een bestuurder of commissaris een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de NV/BV hij niet mag deelnemen aan de besluitvorming. Als
alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, schuift de bevoegdheid om het besluit te nemen door naar de raad van commissarissen of de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen (zie de huidige artikelen 2:129 lid 6 en 2:140 lid 5 BW respectievelijk
2:239 lid 6 en 2:250 lid 5 BW voor de NV en de BV). Deze regeling voor tegenstrijdig belang voor de NV en de BV is geëva-lueerd.7 Uit het evaluatieonderzoek volgt dat deze regeling de door de wetgever beoogde rechtszekerheid in het handelsverkeer bevordert.8
Ik heb daarom de voordelen van deze regeling niet willen onthouden aan de vereniging en de stichting en heb de besluitvormingsregel voor tegenstrijdig belang ook voor de verenigingen en de stichting ingevoerd (zie de voorgestelde artikelen 2:44 lid 6 en 2:47
lid 7 BW voor de vereniging respectievelijk 2:291 lid 6 en 2:292a lid 7 BW voor de stichting).
(iii) Het wetsvoorstel geeft regels voor aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen in geval van faillissement wegens onbehoorlijke taakvervulling
Op dit moment kan de curator tegen bestuurders en commissarissen van informele verenigingen en van verenigingen en stichtingen die niet onderworpen zijn aan de heffing van de vennootschapsbelasting (niet-commerciële verenigingen en stichtingen)
nog geen vordering instellen op grond van aansprakelijkheid in geval van faillissement wegens onbehoorlijke taakvervulling. Zo’n vordering kan alleen ingesteld worden tegen bestuurders en commissarissen van formele en commerciële verenigingen en commerciële
stichtingen. Dit wetsvoorstel vult deze lacune op en regelt dat bestuurders en commissarissen van informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen aansprakelijk zijn in geval van faillissement van de rechtspersoon wanneer zij hun
taken onbehoorlijk hebben vervuld (zie de voorgestelde artikelen 2:50a/2:300a leden 1 en 2 BW in samenhang met artikel 2:138 BW). Immers ook bij deze rechtspersonen kan voorkomen dat bestuurders en commissarissen zich schuldig maken aan fraude of andere vormen
van ernstig taakverzuim. Als de vereniging of stichting als gevolg daarvan failliet gaat en daarbij bijvoorbeeld schuldeisers of werknemers benadeeld worden, dient de curator adequate middelen te hebben om de geleden schade te verhalen op deze bestuurders
en commissarissen die hun taken ernstig hebben verzuimd. Voor bestuurders en commissarissen van semipublieke instellingen die in sectorspecifieke regelgeving aan een variant jaarrekeningenplicht zijn onderworpen (zoals woningcorporaties, onderwijsinstellingen,
zorginstellingen en pensioenfondsen), geldt verder op grond van het wetsvoorstel bovendien een bewijsvermoeden als, kort gezegd, hun boekhouding niet op orde is (dit bewijsvermoeden geldt op grond van de huidige artikelen 2:50a/300a en artikel 2:138 lid 2
BW nu al voor bestuurders en commissarissen van formele en commerciële verenigingen en commerciële stichtingen). Het bewijsvermoeden houdt in dat wanneer niet aan de jaarrekeningplicht (2:394 BW) of boekhoudplicht (2:10 BW) is voldaan, er sprake is van een
onbehoorlijke taakvervulling en aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder of commissaris is dan aansprakelijk jegens de vennootschap, tenzij hij aantoont dat het faillissement niet
te wijten is aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het wordt zo eenvoudiger voor de curator de bestuurder of commissaris aansprakelijk te stellen in geval van faillissement. Het bewijsvermoeden is overigens niet van toepassing op bestuurders en commissarissen
van de overige informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen. Als zij de boekhouding niet op orde hebben, is dat niet automatisch een reden voor aansprakelijkheid (zie de voorgestelde wijziging van de artikelen 2:50a/2:300a leden
2 en 3 BW). Derhalve is de drempel voor aansprakelijkheid in faillissement bij informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen hoger dan bij de commerciële en semipublieke verenigingen en stichtingen.
Hiermee is tegemoetgekomen aan de wens om rekening te houden met de verschillen in bijvoorbeeld professionaliteit tussen de informele en niet-commerciële verenigingen en de niet-commerciële stichtingen enerzijds en de commerciële en formele verenigingen,
de commerciële stichtingen en de semipublieke verenigingen en stichtingen anderzijds.
(iv) De rechter krijgt meer beoordelingsvrijheid om een bestuurder of commissaris van een stichting te ontslaan als het OM of een belanghebbende daar om verzoekt
Stichtingen hebben geen leden – en vaak ook geen raad van commissarissen (of raad van toezicht) – die de bestuurders kunnen ontslaan. Om deze reden kent artikel 2:298 BW een bijzondere regeling over het rechterlijk ontslag van stichtingsbestuurders op verzoek
van het OM of een belanghebbende bij, kort gezegd, wanbeheer en andere tekortkomingen van bestuurders. Het ontslag door de rechter leidt tot een bestuursverbod voor vijf jaar. Daarbij wordt wanbeheer nu beperkt uitgelegd als financieel wanbeheer (in die zin
dat het moet gaan om tekortkomingen bij het beheer over het vermogen van de stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten van de stichting). Ontslag door de rechter op grond van een doen of nalaten in strijd met de wet of de statuten kan nu
pas plaatsvinden als redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onrechtmatigheid van het handelen. In de praktijk blijken deze ontslaggronden niet altijd toereikend om het ontslag te bewerkstelligen van een wanpresterende bestuurder.9 Dit acht ik onwenselijk.
In het wetsvoorstel worden in artikel 2:298 lid 1 BW de gronden uitgebreid waarop een stichtingsbestuurder kan worden ontslagen door de rechter. Ontslag wordt mogelijk op grond van taakverwaarlozing of andere gewichtige redenen of wegens ingrijpende wijziging
van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden. Deze ontslagregeling komt op grond van het voorgestelde artikel 2:298 lid 4 BW ook te gelden voor commissarissen van een stichting. Hiervoor
is gekozen omdat de overwegingen die ten grondslag liggen aan de mogelijkheid tot ontslag van een stichtingsbestuurder (hij is niet onderworpen aan een vorm van interne controle), eveneens gelden ten aanzien van een stichtingscommissaris. Tevens wordt in het
gewijzigde derde lid geregeld dat de rechter de mogelijkheid krijgt het bestuursverbod achterwege te laten als de bestuurder of commissaris geen ernstig verwijt te maken valt.
(v) Het wetsvoorstel geeft regels over het meervoudig stemrecht en ontstentenis en belet voor bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen
Voor de vereniging en de stichting komt te gelden dat: (i)een bestuurder of commissaris niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders of commissarissen tezamen (regeling begrenzing meervoudig stemrecht); en (ii)de statuten een regeling moeten
bevatten voor ontstentenis of belet, bijvoorbeeld door defungeren, ontslag of langdurige ziekte van alle bestuurders en commissarissen (de statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuurders of commissarissen).10
Deze bepalingen zijn ontleend aan de regelingen voor de NV en de BV.11
De begrenzing van meervoudig stemrecht draagt bij aan de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen en voorkomt dat één bestuurder niet zijn zin kan doordrukken. Deze regeling doet daarmee recht aan het beginsel van collegiaal
bestuur bij verenigingen en stichtingen. De verplichting voor verenigingen en stichtingen tot het opnemen van een ontstentenis- en beletregeling in de statuten draagt eveneens bij aan goed bestuur en toezicht. Bij ontstentenis gaat het om de situaties waarin
een vacature ontstaat, bijvoorbeeld door ontslag. Bij belet gaat het om situaties waar een bestuurder zijn functie tijdelijk niet mag uitoefenen door een schorsing, of tijdelijk niet kan uitoefenen, bijvoorbeeld door een langdurige ziekte. Een ontstentenis-
en beletregeling in de statuten voorkomt dat een vereniging of stichting zonder functionerend bestuur of raad van commissarissen komt te zitten wanneer er bestuurders of commissarissen uitvallen. In het bijzonder in verband met de uitbraak van COVID-19 is
het voor rechtspersonen aan te raden, in de statuten een regeling te treffen voor belet en ontstentenis van zowel één of meer functionarissen als alle functionarissen, om zo de continuïteit van de rechtspersoon te waarborgen.
Ook vragen de leden van de SGP-fractie zich af of er bij inwerkingtreding voldoende oog is voor de overgangssituatie.
Verenigingen en stichtingen kunnen bij inwerkingtreding van de wet hun bestaande structuren voor bestuur en toezicht houden, zoals de structuur waarin sprake is van een algemeen en een dagelijks bestuur of een raad van toezicht. Het wetsvoorstel brengt daar
geen wijziging in. Verder wordt door middel van het overgangsrecht voorkomen dat verenigingen en stichtingen verplicht kosten moeten maken voor een gang naar de notaris om hun statuten in overeenstemming te brengen met de nieuwe wet. Zo geldt de verplichting
om in de statuten een ontstentenis- of beletregeling voor alle bestuurders en commissarissen op te nemen, vanaf de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding (artikel XV lid 4). Een rechtspersoon die nog geen statutaire ontstentenis- of beletregeling
heeft, kan hier bij de eerstvolgende statutenwijziging eenvoudig aan voldoen door zo’n regeling in de statuten op te nemen. Dit geldt eveneens voor de bepaling dat een bestuurder of commissaris niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders of
commissarissen tezamen. Als de statuten een regeling bevatten dat één bestuurder (commissaris) meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders (commissarissen) tezamen, dienen verenigingen en stichtingen zo’n regeling aan te passen bij de eerstvolgende
statutenwijziging (artikel XV lid 4). Na 5 jaar kan van rechtswege geen beroep meer worden gedaan op zo’n regeling (artikel XV lid 5). Tot slot geldt er overgangsrecht voor de nieuwe tegenstrijdigbelangregeling voor verenigingen. In het wetsvoorstel wordt
geregeld dat op een tegenstrijdigbelangregeling in de statuten conform de oude opzet geen beroep meer kan worden gedaan (Artikel XV lid 3). Als de statuten zo’n oude afwijkende regeling voor tegenstrijdig belang bevatten, dan kan daarop na inwerkingtreding
van de wet geen beroep meer worden gedaan en geldt de nieuwe tegenstrijdigbelangregeling uit de wet. Verenigingen worden dan ook niet gedwongen om naar de notaris te gaan om dit punt in de statuten aan te passen aan de nieuwe tegenstrijdigbelangregeling.
2. Nut en noodzaak
Het valt de leden van de GroenLinks-fractie op dat in de memorie van toelichting uniformering van de regelgeving voor alle rechtspersonen en het onderbrengen van de uniforme regels in het algemeen deel van boek 2 nog een belangrijk doel van de wet is.12
De uniformering en opname in het algemeen deel is met de eerste nota van wijzigingen echter losgelaten met het oog op de flexibiliteit die nodig is in verband met de grote diversiteit van rechtspersonen.13 Deze wijziging in de focus van het wetsvoorstel roept
bij de leden van de fractie van GroenLinks de vraag op of uniformering van de regelgeving nog steeds een doel van de wet is of dat dit geheel is losgelaten.
De kern van dit wetsvoorstel is goed bestuur en toezicht met behoud van zoveel mogelijk flexibiliteit. Daartoe faciliteert het wetsvoorstel dat verenigingen en stichtingen (net als de BV en NV) kunnen kiezen voor een raad van commissarissen of een monistisch
bestuursmodel. In zoverre is inderdaad sprake van een uniformering van bestuur en toezicht tussen de verschillende rechtspersonen. Uniformering is er ook waar het gaat om de basisomschrijving van de bestuurstaak en de taak van een toezichthouder van een rechtspersoon.
Een ieder die niet als privépersoon optreedt in het rechtsverkeer, maar als bestuurder of commissaris, moet ervoor zorgen dat hij zijn taken behoorlijk vervult. Voldoet hij niet aan die eis, dan mag hem eventuele schade van de rechtspersoon of derden worden
tegengeworpen. Daarnaast is er uniformering op het gebied van de regeling voor meervoudig stemrecht en de ontstentenis- en beletregeling: beide regelingen komen voor alle rechtspersonen te gelden. Eveneens komt voor alle rechtspersonen te gelden dat bestuurders
en commissarissen met een tegenstrijdig belang zich moeten onthouden van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming. Op deze punten acht ik een vorm van uniformiteit bij alle rechtspersonen gerechtvaardigd om zo het verlangde basisniveau van goed bestuur
en toezicht bij alle rechtspersonen – inclusief de vereniging en stichting – te waarborgen. De gedachte van goed bestuur en toezicht met behoud van zoveel mogelijk flexibiliteit lag ook ten grondslag aan de eerste nota van wijziging bij dit wetsvoorstel uit
2018, waarnaar de leden van de fractie van GroenLinks-fractie verwijzen. Het wetsvoorstel, zoals oorspronkelijk ingediend, ging uit van een plaatsing in het algemene deel (titel 1) van Boek 2 BW van zoveel mogelijk algemene bepalingen omtrent bestuur en toezicht.
Op die manier zouden deze regels van toepassing zijn op alle rechtspersonen. Met de eerste nota van wijziging is ten opzichte van het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel de regeling van het algemeen deel verplaatst naar de delen van de wet die specifiek
gaan over de vereniging en de stichting. De regels voor bestuur en toezicht voor de verschillende rechtsvormen worden nu per rechtsvorm uitgewerkt. Daardoor kan ook in de toekomst gemakkelijker rekening worden gehouden met de verschillen tussen de rechtsvormen.
Ook vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af of bij de keuze voor meer flexibiliteit ook een nieuwe inhoudelijke afweging is gemaakt per soort rechtspersoon: is er per rechtspersoon bekeken of er daadwerkelijk sprake is van een gebrek in de
regelgeving of een knelpunt in de praktijk? Zo ja, is nagegaan of de voorgestelde oplossing voor die specifieke rechtspersoon de meest gewenste is? Met andere woorden: heeft het feit dat is tegemoetgekomen aan de breed geuite wens flexibilisering mogelijk
te maken ook geleid tot flexibilisering? De leden van de fractie van GroenLinks zien graag de afweging van noodzaak en nut van de voorgestelde bepalingen per soort rechtspersoon tegemoet.
In de eerste nota van wijziging is bij de keuze voor meer flexibiliteit inderdaad ook een nieuwe inhoudelijke afweging gemaakt welke bepalingen het meest gewenst zijn voor verenigingen en stichtingen. Zo bepaalde het oorspronkelijke wetsvoorstel dat het
bewijsvermoeden bij aansprakelijkheid in faillissement kwam te gelden voor bezoldigde bestuurders en commissarissen van informele verenigingen en van niet-commerciële verenigingen en stichtingen (zie voor een uitleg over het bewijsvermoeden supra paragraaf
1). Bij de eerste nota van wijziging is dit bewijsvermoeden geschrapt voor bestuurders en commissarissen van niet-commerciële rechtspersonen (zie artikel 2:50a en 2:300a lid 2 BW, vgl. ook de artikelsgewijze toelichting bij onderdelen g en gg van de eerste
nota van wijziging). Wel geldt het bewijsvermoeden voor semipublieke stichtingen en verenigingen die op basis van sectorale wetgeving een financiële verantwoording moeten opstellen die (gelijk)waardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Titel 9 van Boek
2 BW. Hiermee is tegemoetgekomen aan de wens om rekening te houden met de verschillen in bijvoorbeeld professionaliteit tussen de informele en niet-commerciële verenigingen en de niet-commerciële stichtingen enerzijds en de commerciële en formele verenigingen,
de commerciële stichtingen en de semipublieke verenigingen en stichtingen anderzijds. Daarnaast is bij de eerste nota van wijziging de bepaling ingevoerd dat de rechter in het kader van de ontslagregeling voor stichtingsfunctionarissen de mogelijkheid krijgt
het bestuursverbod achterwege te laten als de bestuurder of commissaris geen ernstig verwijt te maken valt (zie artikel 2:298 lid 3 BW, onderdeel ff van de nota van wijziging). Voor deze uitzonderingsgrond is onder meer gekozen om de rechter meer ruimte te
geven om niet-professionele bestuurders en commissarissen van bijvoorbeeld kleine verenigingen en stichtingen die geen ernstig verwijt te maken vallen voor het wanbeleid, tegemoet te komen. Voor een nadere uiteenzetting van de nut en noodzaak van deze bepalingen
voor verenigingen respectievelijk stichtingen verwijs ik naar het antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie in de inleiding.
De fractieleden van de SGP constateren dat het oorspronkelijke wetsvoorstel zo’n vijf jaar geleden is ingediend bij de Tweede Kamer.14 Via een nota van wijziging is het voorstel behoorlijk ingrijpend gewijzigd.15 Kan de regering toelichten wat er concreet
in de achterliggende jaren precies is gebeurd? Zou het niet goed zijn wanneer de Raad van State nog eens uitvoerig kijkt naar het voorliggende wetsvoorstel?
In 2016 is het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. In het oorspronkelijke wetsvoorstel waren de regels voor het bestuur en toezicht voor alle rechtspersonen (NV’s, BV’s, verenigingen, stichtingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen)
in het algemene deel (Titel 1) van Boek 2 BW geplaatst. In het advies van de Raad van State en in het verslag van 2016 is door de Tweede Kamer gevraagd te wachten met dit wetsvoorstel tot afronding van de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht 2011 voor
de NV en de BV (Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 4, p. 3 en Kamerstukken II
2015–16, 34 491, nr. 5, p. 4). De evaluatie van die wet is eind 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II
2017–18, 31 763, nr. 22). Uit de evaluatie bleek dat het monistisch bestuursmodel bij de NV en de BV in de praktijk grotendeels werkt zoals beoogd en geen wezenlijke problemen oplevert.16 De onderzoekers concludeerden verder dat de besluitvormingsregeling
voor tegenstrijdig belang voor de NV en de BV de door de wetgever beoogde rechtszekerheid in het handelsverkeer bevordert.17 In 2018 zijn de nota naar aanleiding van het verslag en de eerste nota van wijziging bij het wetsvoorstel uitgebracht. De resultaten
van de evaluatie zijn besproken in deze nota naar aanleiding van het verslag (vgl.
Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 3, 11–13 en 15–16). Tevens zijn naar aanleiding van opmerkingen in het verslag dat teveel uniformering van de regelgeving plaatsvond in het oorspronkelijke wetsvoorstel, de regels voor bestuur en toezicht
bij (de eerste) nota van wijziging in de respectievelijke titels voor de verschillende soorten rechtspersonen van Boek 2 BW geplaatst in plaats van in het algemene deel van Boek 2 BW. Deze wetstechnische aanpassing is in lijn met het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State (vgl. Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 4, p. 4). In dit advies gaf de Afdeling advisering aan dat het doel van het wetsvoorstel ook kan worden bereikt door «het aanpassen van de bepalingen die uitsluitend op de
verschillende soorten rechtspersonen betrekking hebben, of door het werken met schakelbepalingen waardoor de bepalingen voor de NV/BV van toepassing worden verklaard op een of meer andere soorten rechtspersonen». Voor de andere elementen van de eerste nota
van wijziging en over hoe die elementen bijdragen aan flexibiliteit van dit wetsvoorstel verwijs ik naar hetgeen ik in reactie op de vorige vraag van de fractie van GroenLinks heb opgemerkt. Die elementen sluiten zo aan bij de opmerking van de Raad van State
dat bij dit wetsvoorstel flexibiliteit geboden is (Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 4, p. 2). In het nader verslag van december 2018 vroeg de Tweede Kamer met name om toelichting op de eerste nota van wijziging. In februari 2019 is de nota naar
aanleiding van het nader verslag en een tweede nota van wijziging ingediend met daarin twee technische verbeteringen (Kamerstukken II
2018–19, 34 491, nr. 10). In januari 2020 is het wetsvoorstel behandeld en aangenomen in de Tweede Kamer. Daarbij zijn twee amendementen aangenomen van de Kamerleden Van Gent en Van Dam die regelen dat de bepalingen omtrent het meervoudig stemrecht en
ontstentenis- en belet komen te gelden voor bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen.18 Deze amendementen en de elementen die met de eerste en tweede nota van wijziging aan het wetsvoorstel zijn toegevoegd, geven geen noodzaak voor een
nieuwe adviesaanvraag bij de Raad van State. Zij sluiten aan bij de kern van het wetsvoorstel en veranderen het oorspronkelijke wetsvoorstel niet op een ingrijpende wijze (vgl. aanwijzingen 7.15 en 7.16 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving). Tevens is met
de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel juist tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de Raad van State. Ik acht het daarom niet nodig om het wetsvoorstel nogmaals voor te leggen aan de Raad van State.
3. Organisatie van toezicht
De leden van de GroenLinks-fractie zien dat het wetsvoorstel voor alle rechtspersonen expliciet de mogelijkheid opent om een Raad van Commissarissen in te stellen (eventueel onder een andere benaming).19 Dit is niet verplicht. Ook is er de mogelijkheid
om te kiezen voor een monistisch bestuur, waarin uitvoerende en niet-uitvoerende bestuursleden zitting hebben. De keuzes zijn als een kanbepaling geformuleerd. Dit betekent dat het de rechtspersonen vrij staat om van de mogelijkheid gebruik te maken. Impliceert
dit dat de rechtspersonen ook geen van beide opties kunnen kiezen en kunnen (blijven) werken met één bestuur waarin alle leden uitvoerende taken hebben en er niemand is met expliciet toezichthoudende taken?
Het wetsvoorstel verplicht verenigingen en stichtingen noch tot het instellen van een dualistisch bestuurssysteem (toezicht in de vorm van een raad van commissarissen of raad van toezicht) noch tot het instellen van een monistisch bestuurssysteem (toezicht
in de vorm van een bestuur met niet-uitvoerende leden). Dit blijft een keuze van de rechtspersoon, tenzij sectorspecifieke regelgeving verplicht tot instelling van een raad van commissarissen (vgl. artikel 3:19Wet op het financieel toezicht), een raad van
toezicht of een monistisch bestuurssysteem (vgl. artikel 103 Pensioenwet). Dit betekent, zoals de GroenLinks-fractie terecht aangeeft, dat verenigingen en stichtingen die niet onder sectorspecifieke regelgeving vallen, onder het huidige recht en na inwerkingtreding
van deze wet kunnen werken met een bestuur waarin alle leden uitvoerende bestuurders zijn en er verder geen raad van commissarissen of raad van toezicht is ingesteld.
De leden van de fractie van de ChristenUnie zien het wetsvoorstel mede als een antwoord van de regering op eerdere ernstige voorvallen van verspilling van publieke middelen of wanbeleid in de zorg, bij woningbouwverenigingen en in het onderwijs. Zij
vragen of dit wetsvoorstel het sluitstuk is in het ontwikkelen van regelgeving die het toezicht op het gebruik van publieke middelen door rechtspersonen moet versterken en misstanden doet voorkomen of dat andere nadere regelgeving te verwachten is. De leden
van de fractie van de ChristenUnie hebben weet van de meer specifieke sectorale regelgeving, maar constateren dat in dit wetsvoorstel vooralsnog een raad van toezicht niet verplicht wordt gesteld, ook niet bij stichtingen of verenigingen waar substantiële
bedragen omgaan die voortkomen uit publieke middelen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke afweging de regering heeft gemaakt om af te zien van deze verplichting.
In dit wetsvoorstel is niet gekozen voor een algemene verplichting voor verenigingen en stichtingen om een raad van toezicht te organiseren omdat er in de praktijk vele kleine verenigingen en stichtingen zijn waarvoor een dergelijke verplichting te belastend
zou zijn en overigens ook niet nodig is. Wanneer een rechtspersoon klein is (denk aan een bridgevereniging), is de afstand tussen degene die de rechtspersoon bestuurt en degenen die daarbij belang hebben zoals de leden van een vereniging zodanig klein, dat
het verplicht organiseren van formeel intern toezicht geen toegevoegde waarde zou hebben. Deze leden kunnen dan zelf voldoende toezicht houden; de omvang van de rechtspersoon staat daar niet aan in de weg. Dit wetsvoorstel bevat eveneens geen algemene verplichting
om een raad van toezicht te organiseren voor verenigingen en stichtingen waarvan het vermogen voor een belangrijk deel wordt gevormd uit publieke middelen. Voor dergelijke semipublieke verenigingen en stichtingen geldt, mede gelet op het maatschappelijke belang
en de financiering, eigen sectorspecifieke wetgeving. In sectorspecifieke wetgeving wordt geregeld dat bepaalde stichtingen of verenigingen verplicht zijn om intern toezicht te organiseren wanneer zij werkzaam zijn in een bepaalde branche. Zo is in de sectoren
onderwijs, volkshuisvesting en in de zorg een intern toezichthoudend orgaan verplicht gesteld. Voor het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs is een raad van toezicht het uitgangspunt.20 In het primair en voorgezet onderwijs moet er ook een vorm
van intern toezicht zijn.21 Woningcorporaties kennen verplicht een raad van commissa-rissen.22 Voor zorginstellingen is een raad van toezicht verplicht.23 Dergelijke sectorspecifieke regelingen staan buiten dit wetsvoorstel. Bovendien wordt er in deze sectorspecifieke
gevallen vaak voorzien in onafhankelijk extern toezicht op goed bestuur (bijvoorbeeld de Inspectie van het Onderwijs, de Autoriteit woningcorporaties, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Nederlandse Zorgautoriteit). Dit wetsvoorstel betreft enkele
basiseisen die aan elke bestuurder en toezichthouder van elke rechtspersoon kunnen worden gesteld; zij zijn sectoroverstijgend van aard. Dit past bij het algemene karakter van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dat ziet op alle privaatrechtelijke rechtspersonen,
ongeacht de sector waar zij actief zijn. Sectorspecifieke regelgeving op het terrein van bestuur en toezicht blijft bovendien in beweging; zo verwijs ik hieronder bij de beantwoording van de vraag van de ChristenUnie naar de verschillende ophanden zijnde wetsvoorstellen
en besluiten die de governance van zorginstellingen betreffen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen tevens om enerzijds nader in te gaan op de aanbevelingen van de commissie Halsema en meer specifiek per aanbeveling te benoemen welk gevolg de regering hieraan gegeven heeft.24
In 2013 bracht de Commissie Halsema haar rapport «Een lastig gesprek» uit, waarin aanbevelingen waren opgenomen die zijn gericht op het gedrag, het elkaar aanspreken op gedrag en het creëren van een meer open cultuur binnen semipublieke organisaties. De
Commissie kwam tot twaalf aanbevelingen over elementen die in haar ogen een plaats moeten krijgen in de sectorale governancecodes. Ook bevatte het rapport aanbevelingen van de Commissie over de door haar beschreven weeffouten die zij ziet in de verschillende
semipublieke sectoren. De Commissie deed acht aanbevelingen om deze weeffouten te adresseren. De belangrijkste hiervan waren een herijking van publieke belangen, in overleg met de sectoren; een goede toetsing van de beleidskwaliteit van met name nieuw beleid
en nieuwe regelgeving in de sectoren; een duidelijkere positie voor de externe toezichthouder; en versterking van de medezeggenschap waar nodig.25 Eind 2013 volgde een kabinetsreactie op dit rapport. In de kabinetsreactie werd per aanbeveling uiteengezet welk
gevolg hieraan wordt gegeven door het kabinet.26 Het gaat het bestek van dit wetsvoorstel ver te buiten om hier op alle aanbevelingen apart in te gaan. Ik verwijs daarvoor graag naar de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Halsema. Voor dit wetsvoorstel
zijn primair van belang de aanbevelingen van de Commissie die zien op de taakvervulling en aansprakelijkheid van bestuur en toezicht. De Commissie stelde dat – terwijl de taken van de raad van commissarissen bij private ondernemingen expliciet in het Burgerlijk
Wetboek zijn omschreven en verder worden uitgewerkt in de Nederlandse corporate governance code – een omschrijving van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de interne toezichthouder bij stichtingen en verenigingen ontbreekt. De Commissie raadde aan
hier wat aan te doen. De Commissie raadde verder aan om de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen in de semipublieke sector aan te scherpen wanneer zij hun taken niet goed vervullen.27 In de kabinetsreactie is destijds gemeld dat deze aanbevelingen
in de kern overgenomen zouden worden door de Minister van Veiligheid en Justitie in het Burgerlijk Wetboek.28 Daar is met dit wetsvoorstel gevolg aan gegeven. Het wetsvoorstel schept een wettelijk kader voor de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van toezichthouders
bij de vereniging en de stichting in de artikelen 2:47/2:292a BW waar de verschillende sectoren in de praktijk mee aan de slag kunnen. In sectorspecifieke regelgeving kan deze basisregeling nader worden ingekleurd, bijvoorbeeld door uitdrukkelijk te regelen
dat bestuurders en toezichthouders het belang van goed onderwijs of goede zorg bij hun overwegingen moeten betrekken. Daarnaast verduidelijkt het wetsvoorstel wanneer commissarissen van verenigingen en stichtingen aansprakelijk zijn voor schade als gevolg
van onbehoorlijke taakvervulling en wanneer de taakvervulling onbehoorlijk is (waarbij sprake moet zijn van ernstige verwijtbaarheid, zie de artikelen 2:9 jo. artikel 2:50a/300a lid 3, onder b, BW). Tevens scherpt het wetsvoorstel de regels voor aansprakelijkheid
van bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen in geval van faillissement aan (in artikel 2:50a/300a BW).
Anderzijds vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie hoe de huidige regelgeving en onderhavig wetsvoorstel nu een sluitend antwoord bieden op het voorkomen van financiële wantoestanden en kerstboomconstructies aan rechtspersonen zoals de casus
van thuiszorgorganisatie Privazorg.29 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen daarbij om concreet in te gaan op de situatie dat een omvangrijk aantal rechtspersonen wordt opgetuigd tot een schimmige constructie waarbij de beslissende zeggenschap
bijvoorbeeld komt te liggen bij een stichting zonder raad van toezicht.
Er kunnen valide redenen zijn die het gebruik van verschillende rechtspersonen door ondernemingen rechtvaardigen. Zo kunnen verschillende bedrijfsactiviteiten van elkaar gescheiden worden en kunnen risico’s gespreid worden (een bedrijfsonderdeel hoeft niet
te lijden onder slechte prestaties van een ander onderdeel). Vanwege de grote verscheidenheid aan denkbare ondernemingsrechtelijke constructies is het niet uitvoerbaar om bepaalde verschijningsvormen te verbieden. Zogenaamde kerstboom-constructies worden pas
problematisch wanneer er sprake is van belangenverstrengeling, ondoorzichtige bedrijfsvoering en/of gebrekkig intern toezicht, zoals bij de zorginstelling Privazorg het geval was.
In algemene zin biedt het rechtspersonenrecht verschillende mogelijkheden om de verantwoordelijken voor financiële wantoestanden aan te spreken en op te treden tegen schimmige constructies bij stichtingen. Zo kan met artikel 2:11 BW worden opgetreden tegen
het ontlopen van bestuurdersaansprakelijkheid door het optuigen van malafide constructies. Dit artikel bepaalt namelijk dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde
van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Verder is het OM op grond van artikel 2:297 BW bevoegd aan het bestuur van een stichting inlichtingen te verzoeken bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder
trouw worden nageleefd, dan wel het bestuur naar behoren wordt gevoerd. Het OM kan, indien de stichting niet aan het verzoek om inlichtingen voldoet, de rechter inschakelen die zo nodig maatregelen kan nemen. Tevens wijs ik op de invoering van het UBO-register.
Dit register heeft tot doel het transparant en inzichtelijk maken wie de UBO’s – d.w.z. de uiteindelijk belanghebbenden (in het Engels «ultimate beneficial owners») – zijn van vennootschappen en andere juridische entiteiten (zoals stichtingen) die
in Nederland zijn opgericht. In het register kan gecontroleerd worden wie belang heeft in een onderneming zodat makkelijker inzicht kan worden verkregen waar de uiteindelijke zeggenschap ligt bij onder meer niet-transparante constructies.
Vanaf 27 september jl. moeten vennootschappen en andere juridische entiteiten hun UBO’s inschrijven in dit register. In het bijzonder in relatie tot zorginstellingen wijs ik op verschillende voorstellen waarmee de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, inzet op versterking van het intern toezicht bij zorginstellingen (zie nader de Kamerbrief over goed bestuur en intern toezicht bij een zorginstelling, 17 oktober 2019, p. 2). In het uitvoeringsbesluit Wet toelating zorginstellingen (WTZi) en in de
nieuwe Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) (aangenomen door de Eerste Kamer op 9 juni jl.) is de eis van een onafhankelijk intern toezichthouder voor zorginstellingen opgenomen. In het algemeen geldt dat de dagelijkse of algemene leiding van een zorginstelling
er ingevolge artikel 6.1 van het Uitvoeringsbesluit WTZi en in de toekomst ook conform artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wtza zorg voor moet dragen dat er een onafhankelijke interne toezichthouder is die toezicht houdt op het beleid van de dagelijkse of
algemene leiding van de instelling en de algemene gang van zaken binnen de instelling. Dit betekent dat de zorgaanbieder de interne toezichthouder in staat moet stellen zijn taken zo goed mogelijk uit te voeren. Daarnaast zal het aangekondigde wetvoorstel
integere bedrijfsvoering zorgaanbieders er in voorzien dat externe toezichthouders, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit, kunnen handhaven op de toepassing van de tegenstrijdigbelangregeling door zorginstellingen en op nadere transparantieverplichtingen. Ook
zal in dat wetsvoorstel de mogelijkheid gecreëerd worden om randvoorwaarden te stellen aan dividenduitkering bij zorginstellingen zodat situaties als bij Privazorg in de toekomst voorkomen kunnen worden. Tevens is in juni en juli van dit jaar geconsulteerd
over het Uitvoeringsbesluit Wtza waarbij gelijktijdig informele voorhang bij beide Kamers heeft plaatsgevonden. Dit concept Uitvoeringsbesluit bevat onder meer nadere voorschriften voor de onafhankelijk interne toezichthouder bij zorginstellingen met betrekking
tot diens taken, bevoegdheden en samenstelling, de waarborging van de onafhankelijke taakvervulling en de verstrekking van gegevens aan de interne toezichthouder.
De leden van de SGP-fractie vragen een nadere duiding van de regering op de status van de raad van commissarissen of toezicht binnen de vereniging, in het licht van het gegeven dat de algemene vergadering binnen de vereniging wettelijk gezien onvervreemdbare
verantwoordelijkheden als intern toezichthouder heeft. Zij vragen hoe volgens de regering voorkomen kan worden dat, tegen de wens van de vereniging in, allerlei fundamentele bevoegdheden worden weggehaald bij de ledenvergadering doordat bijvoorbeeld een commissie
die namens de ledenvergadering belast is met het dagelijkse toezicht op het bestuur en de algemene gang van zaken zich zou kwalificeren als raad van toezicht? Deze leden wijzen ter illustratie op de norm van artikel 17c, vierde lid van de Wet op het primair
onderwijs die bepaalt dat een raad van toezicht belast is met benoeming, schorsing en ontslag van de bestuurders en de algemene norm van artikel 37c, zesde lid van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dat degene die benoemt, ook kan ontslaan. De regering schrijft
onder meer dat kleinere stichtingen en verenigingen vaak geen behoefte zullen hebben aan het benoemen van interne toezichthouders.30 Zij vragen zich af of die organisaties niet toch met die verplichtingen te maken zullen krijgen als zij wél een bepaalde kleinschalige
vorm van intern toezicht hebben of een orgaan dat als zodanig zou kunnen worden gekwalificeerd.
Een orgaan is een raad van commissarissen als bedoeld in de artikelen 2:44 lid 1 en 2:292a lid 1 BW van het wetsvoorstel indien het orgaan tot taak heeft om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de rechtspersoon
en de daaraan verbonden onderneming of organisatie én het orgaan tot taak heeft om het bestuur met raad terzijde te staan.
Een raad van commissarissen van een vereniging of een stichting kan ook worden aangeduid als een raad van toezicht. Bij meer beperkte of kleinschaligere vormen van intern toezicht, zoals een commissie die toezicht houdt op deelaspecten van de gang van zaken
(bijvoorbeeld uitsluitend op de financiële gang van zaken) is er geen sprake van een raad van commissarissen in de zin van de wet. Ook een orgaan dat enkel de taak heeft om te adviseren of enkel als klankbord van het bestuur te dienen, geldt niet als een raad
van commissarissen. Deze andere organen blijven mogelijk, maar dan is geen sprake van een raad van commissarissen in de zin van de wet. Wanneer bij een vereniging een «commissie» bij de statuten is ingesteld die «namens de ledenvergadering belast is met het
dagelijks toezicht op het bestuur en de algemene gang van zaken», is een dergelijke commissie geen commissie, maar een raad van commissarissen (of raad van toezicht). Ik meen dat dit niet anders is onder het huidige recht. Ook nu kan de situatie zich voordoen
dat de rechter bij een juridische procedure door een etiket als «commissie» heen kijkt en afgaat op hetgeen de desbetreffende commissie op grond van de statuten had moeten doen bij de bepaling of juridisch sprake is van een raad van commissarissen waarbij
degenen die zitting hebben in zo’n commissie fungeren als «commissarissen». Fundamentele rechten worden in dat geval niet weggehaald bij de algemene vergadering. Het huidige artikel 2:40 lid 1 BW bepaalt dat alle bevoegdheden die niet door de wet of de statuten
aan andere organen zijn opgedragen, toekomen aan de algemene vergadering van de vereniging. De leden van een commissie die kwalificeert als raad van commissarissen zullen in beginsel moeten worden benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene vergadering
(zie ook het voorgestelde artikel 2:47a lid 1 in samenhang met artikel 2:37 BW). De commissie die kwalificeert als raad van commissarissen komt evenmin het recht toe om bestuurders te benoemen als hierover niets in de statuten geregeld is (vgl. artikel 2:37
lid 2 BW). De door de SGP-fractie aangehaalde bepaling – wie de bestuurder benoemt, mag de door hem benoemde bestuurder ook schorsen en ontslaan (artikel 2:37 lid 6 BW) – staat hier niet aan in de weg; de bevoegdheid om de bestuurder te benoemen, schorsen
en ontslaan komt dan toe aan de algemene vergadering en niet aan de commissie die kwalificeert als raad van commissarissen. De leden van de SGP-fractie wijzen in dit kader ook op artikel 17c lid 4 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Het bevoegd gezag
van instellingen in het primair onderwijs kent als voorwaarde voor bekostiging de verplichting om te voorzien in intern toezicht, dat gescheiden is van het bestuur (artikel 17a en 17b WPO). Het bevoegd gezag is vrij in de wijze waarop zij het bestuur en toezicht
op het bestuur vormgeven in de statuten (artikel 17a lid 1 WPO). Men kan onder meer kiezen voor een raad van toezicht of voor een monistisch bestuurssysteem (vgl. artikel 17b, eerste lid WPO). De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan
van een instelling in het primair onderwijs moet toezicht houden op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur en het bestuur met raad terzijde staan (artikel 17c lid 1 WPO). Wanneer het interne toezicht wordt uitgeoefend
door een statutair ingestelde raad van toezicht dan is deze tevens belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van het bestuur (artikel 17c lid 4 WPO). In dat geval vereist (onder het huidige recht en onder het wetsvoorstel) het voornoemde artikel 2:37 lid
2 BW dat – bij een onderwijsinstelling die een vereniging is – in beginsel alle leden van de algemene vergadering aan de benoeming van de leden van de raad van toezicht kunnen deelnemen.31 Zo wordt ervoor gezorgd dat fundamentele rechten niet zomaar kunnen
worden weggehaald bij de algemene vergadering en dat een algemene vergadering niet geconfronteerd wordt met het bestaan van een raad van toezicht waar zij niet van af wist.
De leden van de SGP-fractie vragen een uiteenzetting inzake de aansprakelijkheid van toezichthouders binnen een monistisch en een dualistisch bestuursmodel. In hoeverre is de inschatting juist dat een minimalistische taakinvulling van toezichthouders
in een monistisch bestuursmodel kan betekenen dat zij in de praktijk vrijwel dezelfde taken vervullen als toezichthouders binnen een dualistisch bestuursmodel, maar dat de regeling van de aansprakelijkheid desondanks wezenlijk verschilt? Is het in zulke situaties
wenselijk en billijk dat toezichthouders in een monistisch bestuursmodel met een strenger regime geconfronteerd worden, zo vragen zij.
Verondersteld mag worden dat de niet-uitvoerende bestuurders bij een monistisch bestuursmodel vaak eerder en meer informatie over (de consequenties) van het bestuursbeleid ontvangen dan commissarissen bij een dualistisch bestuursmodel. Tijdens de behandeling
van de Wet bestuur en toezicht 2011, waar het monistisch bestuurssysteem bij de NV en BV werd geïntroduceerd, heeft de toenmalige Minister van Justitie aangegeven dat vanuit de gedachte dat kennis over misstanden verplicht tot ingrijpen, een uitvoerend bestuurder
onder omstandigheden inderdaad eerder aansprakelijk kan zijn dan de commissaris met een meer beperkte taak in het dualistische bestuurssysteem. Of in een specifiek geval aansprakelijkheid optreedt, hangt af van de omstandigheden van het geval (zie Kamerstukken
II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 4 en 6). Hetzelfde kan gezegd worden over de aansprakelijkheid van niet-uitvoerende bestuurders bij de vereniging en de stichting. Kort gezegd, het is niet automatisch zo dat een niet-uitvoerende bestuurder in een monistisch model
eerder aansprakelijk is dan een commissaris in een dualistisch model; het hangt af van de omstandigheden van het geval. Het is aan de rechter om over deze omstandigheden te oordelen. Overigens treedt aansprakelijkheid in het geval van onbehoorlijk bestuur
niet op tenzij de (niet-uitvoerende) bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. artikel 2:9 lid 2 BW).
4. Kleinschalige verenigingen en stichtingen
De fractieleden van GroenLinks constateren dat de doorgevoerde wijzigingen in de regelgeving voor verenigingen, stichtingen en corporaties afkomstig is uit wat al geregeld was voor besloten en naamloze vennootschappen. Het gaat dus om regels die gemaakt
zijn voor rechtspersonen met een substantiële omvang, die actief zijn op de commerciële markt. Zij zien voor de verenigingen, stichtingen en coöperaties die op diezelfde markt of in de semipublieke sector actief zijn de meerwaarde van de voorgestelde regels
in. Daarover hebben zij geen vragen. Zoals de Raad van State in zijn advies ook al opmerkte kent Nederland honderdduizenden stichtingen en verenigingen.32 Veel daarvan zijn klein en niet actief buiten hun eigen kring. De vraag die de Raad van State ook al
opwierp is of deze kleine, niet commerciële verenigingen en stichtingen geholpen zijn met de gewijzigde regelgeving, hierdoor zullen worden gehinderd, of er niets van zullen merken. Er is in de loop van de wetsbehandeling het nodige over gezegd en geschreven,
maar zonneklaar is het daarmee naar het oordeel van de leden van de GroenLinks-fractie nog niet geworden. Kan de regering vanuit het oogpunt van een zeer kleine vereniging (zeg een zaalvoetbalclub van twaalf vrienden die om een zaal te kunnen huren een officiële
vereniging moeten zijn) en een kleine vereniging (zeg een harmonie met vijftig leden) aangeven wat de nieuwe wet zal brengen aan nieuwe verplichtingen en aan nieuwe mogelijkheden? En maakt het daarbij uit of het een al bestaande vereniging met bestaande statuten
is of een nieuw op te richten vereniging? En kan de Minister dezelfde vraag beantwoorden vanuit een kleine stichting (zeg een stichting met drie onbezoldigde bestuursleden die met een jaarlijkse kaarsenverkoopactie een weeshuis in Afrika steunt met € 10.000
per jaar)?
Verenigingen, zoals kleine sportverenigingen, fanfares of harmonieën, en stichtingen, zoals een klein goed doel met drie onbezoldigde bestuursleden die een jaarlijkse kaarsenverkoopactie houdt, zullen doorgaans alleen een bestuur hebben, met bijvoorbeeld
een voorzitter, een penningmeester, een secretaris, en met, in het geval van de vereniging, een algemene vergadering (de stichting kent geen algemene vergadering). Deze verenigingen en stichtingen zullen dan in de praktijk geen behoefte hebben om een raad
van toezicht in te stellen of om een onderscheid te maken tussen een dagelijks bestuur en een algemeen bestuur. Het wetsvoorstel dwingt hen hier niet toe. Specifiek voor de bestuurders van verenigingen en stichtingen, zoals door de GroenLinks-fractie genoemd,
kunnen – onder meer afhankelijk van hoe hun huidige statuten luiden – de volgende bepalingen uit het wetsvoorstel nieuw zijn.
1. De regel dat bestuurders van verenigingen en stichtingen niet mogen deelnemen aan de besluitvorming als zij een tegenstrijdig belang hebben Wanneer bestuurders van verenigingen en stichtingen een persoonlijk belang hebben dat tegenstrijdig is met het
belang van de vereniging mogen zij niet deelnemen aan de besluitvorming (de nieuwe artikelen 2:44 lid 6 en 2:291 lid 6 BW). Denk aan het geval dat de bestuurder van een vereniging een auto voor de vereniging koopt die zijn privéeigendom is. Het persoonlijk
belang van de bestuurder (van een zo hoog mogelijke prijs voor de auto) is in dat geval tegenstrijdig aan het belang van de vereniging (een zo laag mogelijke prijs voor de auto). Als alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, schuift de bevoegdheid
om het besluit te nemen bij een vereniging zonder raad van commissarissen door naar de leden (van de algemene vergadering), tenzij de statuten anders bepalen.
Als alle bestuurders van een stichting zonder raad van commissarissen een tegenstrijdig belang hebben, wordt het besluit genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, tenzij de statuten
anders bepalen. Deze besluitvormingsregeling voor tegenstrijdig belang komt automatisch te gelden voor bestuurders van bestaande verenigingen en stichtingen op het moment van inwerkingtreding van de wet. De wet gaat voor op oude statuten. Men hoeft dus niet
naar de notaris om de statuten aan te laten passen. In het overgangsrecht wordt geregeld dat wanneer de statuten van bestaande verenigingen de verouderde tegenstrijdigbelangregeling bevatten die onder het huidige recht geldt voor de vereniging op grond van
artikel 2:47 BW (dat met het wetsvoorstel komt te vervallen), hierop na inwerkingtreding van de wet geen beroep meer kan worden gedaan (zie Artikel XV lid 3).
2. De verplichting dat in de statuten een regeling moet worden opgenomen voor ontstentenis- en belet van alle bestuurders en de regeling omtrent de begrenzing van het meervoudig stemrecht Vanaf de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding van
het wetsvoorstel (Artikel XV lid 4), moeten de statuten van bestaande verenigingen en stichting een regeling bevatten voor ontstentenis of belet van alle bestuurders.
Voor verenigingen en stichtingen die worden opgericht na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geldt dat zij verplicht zijn een ontstentenis- of beletregeling voor alle bestuurders op te nemen. In de praktijk is in de statuten van bestaande verenigingen
vaak bepaald dat in geval van belet of ontstentenis van alle bestuurders, het bestuur tijdelijk berust bij een door de algemene vergadering daartoe aangewezen persoon. Voor een stichting zonder raad van commissarissen kan worden gedacht aan een statutaire
regeling waaruit direct volgt wie bij ontstentenis of belet tijdelijk met het bestuur is belast. In de statutaire regeling wordt dan een persoon of meerdere personen genoemd die tijdelijk het bestuur overneemt. Ook komt voor bestaande verenigingen en stichtingen
te gelden dat, bij de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, een bepaling die regelt dat één bestuurder meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen uit de statuten moet worden gehaald. Dit betekent dat
een bepaling in de statuten die bijvoorbeeld aan een van de bestuurders absolute stemmacht bij de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding door de notaris uit de statuten gehaald zal moeten worden. Daarbij wordt in het wetsvoorstel ook een termijn
aan de geldigheid gesteld. Na 5 jaar kan door een vereniging of stichting sowieso geen beroep meer worden gedaan op zo’n bepaling in de statuten (Artikel XV lid 5). De begrenzing van het meervoudig stemrecht in de wet gaat dan voor op oude statuten waar een
bestuurder meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders. Voor verenigingen en stichtingen die worden opgericht na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geldt dat zij in de statuten geen regeling mogen opnemen waar één bestuurder meer stemmen kan
uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. 3. Regels voor aansprakelijkheid van bestuurders van verenigingen en stichtingen in geval van faillissement wegens onbehoorlijke taakvervulling Verder regelt dit wetsvoorstel dat voor bestuurders van informele
verenigingen en van verenigingen en stichtingen die niet onderworpen zijn aan de heffing van de vennootschapsbelasting (niet-commerciële verenigingen en stichtingen) de regels voor aansprakelijkheid in het faillissement komen te gelden (zie artikel 2:50a/2:300a
BW jo. artikel 2:138 BW). Onder het huidige recht gelden deze regels ten aanzien van bestuurders van formele en commerciële verenigingen en commerciële stichtingen. Het wetsvoorstel bepaalt dat bestuurders van informele en niet-commerciële verenigingen en
niet-commerciële stichtingen aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van faillissement van de vereniging of stichting voor het tekort in de boedel wanneer zij hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld. De curator moet aantonen dat er (i) sprake
is van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling en (ii) dat het een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Denk hierbij aan bestuurders van een vereniging of stichting die een flinke greep uit de kas hebben gedaan. Wanneer bestuurders de boekhouding
niet op orde hebben, dan geldt, kort gezegd, het bewijsvermoeden dat dit nalaten een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zoals in paragraaf 1 van deze memorie van antwoord uiteen is gezet, blijft gelden dat dit bewijsvermoeden (net als onder het
huidige recht) niet van toepassing is op bestuurders van informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen. Verenigingen en stichtingen die vrijwel uitsluitend maatschappelijke, kerkelijke, sociale en charitatieve activiteiten verrichten,
zijn voorbeelden van niet-commerciële rechtspersonen.
De GroenLinks-fractie vraagt wat de Minister gaat doen om de gewijzigde regelgeving en de consequenties daarvan voor verenigingen en stichtingen onder de aandacht te brengen van de (kleinere) verenigingen en stichtingen?
De rijksoverheid zal op www.rijksoverheid.nl actief heldere publieksvoorlichting geven over de gevolgen van het wetsvoorstel. Daartoe zal ik in overleg met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en de Kamer van Koophandel (KvK) een factsheet voorbereiden
voor, in het bijzonder, kleinere verenigingen en stichtingen. Hiermee wil ik mij met name richten op de mogelijkheden voor het instellen van een raad van commissarissen/raad van toezicht of een monistisch bestuurssysteem, de tegenstrijdigbelangregeling, de
ontstentenis- en beletregeling, de begrenzing van het meervoudig stemrecht en de regeling voor aansprakelijkheid in faillissement. Deze factsheet zal door de KNB onder haar leden worden verspreid. De notaris kan contact met een vereniging of stichting aangrijpen
om de verschillende mogelijkheden die het wetsvoorstel biedt aan de orde te stellen. De factsheet zal gepubliceerd worden op de website van de KNB. Ook de KvK zal op de website aandacht besteden aan het wetsvoorstel door middel van de factsheet. De Nederlandse
Associatie (DNA) – een vereniging die Nederlandse brancheverenigingen, federaties, beroepsverenigingen, sportbonden en ledenorganisaties verenigt – zal de factsheet eveneens verspreiden onder haar leden. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan de motie
van het lid Van Dam c.s. van de Tweede Kamer om actief de gevolgen van het wetsvoorstel te communiceren aan bestaande verenigingen en stichtingen (zie
Kamerstukken II 2019–20, 34 491, nr. 16).
De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn beducht voor de uitvoeringslast die dit wetsvoorstel met zich meebrengt voor vele kleinschalige stichtingen, verenigingen en corporaties die draaien op de inzet van vrijwilligers. Zij zien in de antwoorden
van de regering veelal staan dat er niet direct aanleiding tot statutenwijziging is omdat de wettekst doorslaggevend is, maar dat dit een zaak is die de betreffende rechtspersonen kunnen regelen indien zij naar de notaris moeten voor een statutenwijziging.33
De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat deze aanpassing nog steeds niet zonder inspanning zal plaatsvinden en dat alleen de zon voor niets op gaat. Zij vragen welke winst dit wetsvoorstel voor kleine stichtingen en verenigingen oplevert en
andersom welke inschatting de Minister heeft gemaakt voor de kosten die dit op middellange of langere termijn met zich meebrengt.
Verenigingen en stichtingen zullen mogelijk enige kosten moeten maken om kennis te nemen van de wijziging van de wettelijke regeling. Overigens wordt verwacht dat deze kennisnamekosten zeer beperkt zullen zijn; de voorgestelde regeling bestaat namelijk voor
een belangrijk deel uit een verduidelijking en herschikking van reeds geldende rechtsregels. Aan de regels die wel nieuw kunnen zijn voor verenigingen en stichtingen, zal ik aandacht besteden in mijn voorlichting (zie daarvoor het antwoord op de vorige vraag
van de GroenLinks-fractie). Het wetsvoorstel noodzaakt verenigingen en stichtingen verder niet tot het wijzigen van hun statuten. Door middel van het overgangsrecht (artikel XV van het wetsvoorstel) wordt voorkomen dat verenigingen en stichtingen verplicht
kosten moeten maken voor een gang naar de notaris om hun statuten te conformeren aan de regeling omtrent het meervoudig stemrecht, de ontstentenis en belet-regeling en de tegenstrijdigbelangregeling. Ik verwijs naar het antwoord van de SGP-fractie in paragraaf
1 voor een inhoudelijke bespreking van het overgangsrecht ten aanzien van deze regelingen. De aanpassingen van het wetsvoorstel vinden zo zonder nadere inspanning van verenigingen en stichtingen plaats. Hetzij omdat de wettelijke regeling vóór een statutaire
afwijkende regeling gaat (zoals bij de verouderde vertegenwoordigingsregeling in het kader van tegenstrijdig belang). Hetzij omdat de aanpassingen op grond van het overgangsrecht in de toekomst ter gelegenheid van een eerstvolgende (en toch al voorgenomen)
statutenwijziging door de notaris worden meegenomen (zoals bij de regeling omtrent de begrenzing van meervoudig stemrecht en de ontstentenis- en beletregeling). Wanneer een vereniging of stichting de notaris verzoekt om de statuten te wijzigen om wat voor
reden dan ook, kan de notaris eenvoudig de statuten conformeren aan de regeling omtrent het meervoudig stemrecht en de ontstentenis en belet-regeling uit dit wetsvoorstel, in het geval de vereniging of stichting nog niet aan deze regelingen voldoet. De kosten
daarvoor zullen te verwaarlozen zijn. Overigens kunnen er diverse andere overwegingen zijn voor verenigingen en stichtingen om naar aanleiding van het wetsvoorstel de statuten aan te passen en speciaal daarvoor een gang naar de notaris te maken. In die gevallen
is geen sprake van dwingende noodzaak tot aanpassing van de statuten en gaat het eerder om de wenselijkheid daarvan. Verenigingen of stichtingen kunnen de nieuwe regeling voor het monistisch bestuursmodel uit dit wetsvoorstel aangrijpen om een monistisch bestuursmodel
in te voeren omdat zij dit beter bij de structuur van hun vereniging of stichting vinden passen. Op langere termijn zullen mogelijk juist kosten bespaard kunnen worden door verenigingen en stichtingen doordat de wettelijke regeling duidelijker en beter toegankelijk
wordt. Het voorstel zal daardoor op langere termijn naar verwachting neutrale tot te verwaarlozen positieve kwantitatieve regeldrukeffecten hebben (zie
Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 3, p. 8). Het bestaande systeem is onduidelijk als het gaat om de precieze taakvervulling en verantwoordelijkheden van bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen. De duidelijkheid die het wetsvoorstel
hierover biedt is in het belang van leden van verenigingen of stichtingen of derden die door onbehoorlijke taakvervulling van bestuurders en commissarissen zijn geraakt. Dit is ook van belang voor (betrokkenen bij) kleine verenigingen en stichtingen. Kleinere
verenigingen hebben immers ook leden die bijdragen aan de clubkas en crediteuren die eronder lijden als de vereniging failliet gaat door onbehoorlijke bestuur of toezicht. Hetzelfde geldt voor kleine stichtingen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de Minister heeft overwogen om dit wetsvoorstel alleen – en dan ten aanzien van het toezicht meer verplichtend – te richten op rechtspersonen met een bepaalde omvang of bekostiging vanaf een bepaald
bedrag uit publieke middelen.
Het wetsvoorstel bepaalt een aantal sectoroverstijgende normen waaraan elke rechtspersoon moet kunnen voldoen. Zij zijn niet zodanig zwaar dat daarvoor een uitzondering op zijn plaats is voor bepaalde verenigingen en stichtingen. In verband met de vraag
of een raad van commissarissen of toezicht ingesteld moet worden, is niet alleen de grootte van de onderneming (het aantal werknemers) en/of de omvang van het verenigings- of stichtingsvermogen relevant, maar is vooral van belang welke (soorten) belangen bij
de vereniging en stichting betrokken zijn. Met die belangen kan met wetgeving op sectoraal niveau beter rekening gehouden worden. Ik meen dan ook dat semipublieke wetgeving het meest geschikt is wanneer specifieke – aanvullende – eisen dienen te worden gesteld
aan toezichthouders van rechtspersonen actief in sectoren waar bijvoorbeeld sprake is van bekostiging uit publieke middelen. Het gaat dit wetsvoorstel te buiten om zulke regels te treffen. Voor dergelijke sectoren is intern toezicht vaak reeds verplicht gesteld
zoals is aangegeven in het antwoord op de eerdere vraag van de fractie van de ChristenUnie over het verplicht stellen van toezicht. Bovendien worden in de semipublieke wetgeving extra waarborgen getroffen voor intern toezicht waarmee wordt ingespeeld op de
behoefte van die specifieke sector. Zo geldt bijvoorbeeld voor woningcorporaties de regel dat de Autoriteit woningcorporaties namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een zienswijze afgeeft die nodig is vóórdat een commissaris kan worden
benoemd (zie artikel 30 lid 3 van de Woningwet).
De leden van de SGP-fractie vragen de regering een nadere toelichting op de inwerkingtreding van de bepalingen inzake het intern toezicht. Deze leden hebben de indruk dat de regering met de stelling dat rechtspersonen niet verplicht zijn de statuten
te wijzigen te weinig rekenschap geeft van de implicaties die het wetsvoorstel kan hebben voor de veelkleurige maatschappelijke praktijk van verenigingen en stichtingen. Zij constateren niet alleen dat veel betrokkenen in kleine maatschappelijke organisaties
onwetend zullen zijn van de wetswijziging, maar ook dat de mogelijkheid bestaat dat de rechter bijvoorbeeld in strijd met de verwachtingen en bedoelingen van betrokkenen kan constateren dat een bepaald orgaan zich kwalificeert als raad van toezicht. De organisatie
zelf heeft met zo’n orgaan echter nooit de bedoeling gehad een structuur te hebben met een raad van toezicht zoals in dit wetsvoorstel is bedoeld. Waarom weegt dit risico op tegen de door de regering beoogde voordelen, zeker waar het kleine organisaties betreft?
Ik deel het door de aan het woord zijnde leden gesignaleerde risico niet. Het met dit wetsvoorstel vastleggen van de taken en verantwoordelijkheden van een raad van commissarissen (en raad van toezicht) zorgt juist voor een verduidelijking van de regeling
voor toezicht bij verenigingen en stichtingen, ook waar het kleine verenigingen en stichtingen betreft. Sommige verenigingen en stichtingen hebben nu al een raad van commissarissen of een raad van toezicht. Nu is dat nog niet wettelijk geregeld. De onduidelijkheid
die tot nu toe bij verenigingen en stichtingen bestaat over de taken en verantwoordelijkheden van een raad van commissarissen of raad van toezicht, zal met deze wet in de loop van de tijd afnemen, omdat te verwachten is dat nieuwe rechtspersonen zullen aansluiten
bij de terminologie van de wet en bestaande rechtspersonen van een toch al voorgenomen statutenwijziging gebruikmaken om de positie van de bij de rechtspersoon betrokkenen, te verduidelijken. Nu kan zich de situatie voordoen dat een betrokkene zich pas ten
tijde van een juridische procedure realiseert dat een rechter door een etiket als »raad van advies», «raad van wijze mannen en vrouwen» of «college van toezicht» heen kijkt en vooral afgaat op hetgeen de desbetreffende persoon op grond van de statuten had
moeten doen; het etiket is dan niet doorslaggevend. De verduidelijking van de taken en verantwoordelijkheden van commissarissen is daarmee ook in het belang van de rechtspersoon en de commissarissen zelf.
Eveneens vragen de leden van de SGP-fractie waarom de regering niet besloten heeft overgangsrecht op te nemen dat als uitgangspunt kiest dat de nieuwe bepalingen pas vanaf de eerste statutenwijziging na inwerkingtreding van de wet van toepassing zijn?
Voor twee regelingen uit het wetsvoorstel is er voor gekozen dat zij in de toekomst ter gelegenheid van een eerstvolgende statutenwijziging van de vereniging of de stichting door de notaris in de statuten worden meegenomen. Dat betreft de regeling over de
begrenzing van meervoudig stemrecht alsmede de ontstentenis- en beletregeling van bestuurders en commissarissen regelen. Overgangsrecht dat zou bepalen dat alle nieuwe bepalingen uit het wetsvoorstel pas vanaf de eerste statutenwijziging na inwerkingtreding
van toepassing zijn, leent zich evenwel niet goed voor de bepalingen uit het wetsvoorstel die bijvoorbeeld de basisbevoegd-heden en verantwoordelijkheden van een raad van commissarissen en zijn leden regelen. Zo is de bepaling over de taakvervulling van een
commissaris van een vereniging of stichting een kwestie van dwingend belang (vgl. het voorgestelde artikel 2:47/292a lid 2 BW).Een ieder die niet als privépersoon optreedt in het rechtsverkeer, maar als commissaris van een vereniging of stichting, moet ervoor
zorgen dat hij zich bij vervulling van zijn taken richt op het belang van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming of organisatie. Een overgangsregeling die bepaalt dat deze bepaling pas zou gelden wanneer de vereniging of stichting haar statuten
aanpast, is onwenselijk. Dit zou leiden tot een duaal stelsel waar de bepalingen over de basisbevoegdheden en verantwoordelijkheden van een raad van commissarissen en zijn leden wel van toepassing zouden zijn op commissarissen van verenigingen en stichtingen
die hun statuten hebben gewijzigd, maar niet op commissarissen van verenigingen en stichtingen die dat nog niet hebben gedaan. Dit zou het maatschappelijk en handelsverkeer onnodig compliceren. Om deze redenen heb ik afgezien van overgangsrecht dat als uitgangspunt
heeft dat de nieuwe bepalingen uit deze wet pas vanaf de eerste statutenwijziging na inwerkingtreding van de wet van toepassing zijn. Voor de bepalingen uit het wetsvoorstel die de bevoegdheden van de raad van commissarissen en zijn leden regelen en daarbij
ruimte laten voor eigen regelingen in de statuten van verenigingen en stichtingen is zo’n overgangsregeling bovendien overbodig. Ik noem daarbij onder meer: –De raad van commissarissen is bevoegd bestuurders te schorsen, tenzij de statuten anders bepalen.
Bij de vereniging kan een schorsing door de raad van commissarissen te allen tijde door de algemene vergadering worden opgeheven. Bij de stichting kan de schorsing worden opgeheven door het orgaan dat of de persoon die bevoegd is tot benoeming (artikelen 2:47/292a
lid 3 BW). –Bij de vereniging worden de commissarissen benoemd, geschorst en ontslagen door de ledenvergadering tenzij de statuten anders bepalen (artikel 2:47a lid 1 jo. 2:37 BW). Bij een stichting bepalen de statuten de wijze van benoeming, schorsing en
ontslag (artikel 2:286 lid 4 onderdeel c BW). –De statuten kunnen aanvullende bepalingen bevatten omtrent de taak en bevoegdheden van de raad van commissarissen en van zijn leden (artikelen 2:47/292a lid 6 BW).
5. Rechtspersonen
De leden van de SGP-fractie vragen een nadere toelichting op de verplichting voor bestuurders om zich te richten naar het belang van de aan de rechtspersoon verbonden organisatie. Deze leden wijzen erop dat de terminologie volgens sommige commentaren
niet gelukkig is gekozen en verwarring kan oproepen.34 Kan de regering bevestigen dat de organisatie een andere betekenis en reikwijdte heeft dan bijvoorbeeld in de redelijkheid en billijkheid die betrokkenen bij de organisatie krachtens artikel 8 van boek
2 van het Burgerlijk Wetboek jegens elkaar hebben te betrachten?
Ik kan bevestigen dat de term «organisatie» niet per definitie dezelfde reikwijdte heeft in artikel 2:8 BW als in de voorgestelde artikelen 2:44 lid 3 en 2:291 lid 3 BW. Met de term «organisatie» wordt in de artikelen 2:44 lid 3 en 2:291 lid 3 BW tot uitdrukking
gebracht dat, ook wanneer een vereniging of stichting geen onderneming drijft, toch sprake kan zijn van een in dit kader relevant samenstel van belangen. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om de belangen van leden, van donateurs, van schuldeisers, van werknemers
en van vrijwilligers (vgl. Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 3, p. 5 en 11).Dit brengt niet mee dat deze belanghebbenden – zonder wettelijke en statutaire basis – automatisch ook als bij de organisatie betrokkenen in de zin van artikel 2:8 BW kunnen worden
aangemerkt (zo ook W.J.M. van Veen, «Het belang van de rechtspersoon en zijn «raison d’être»»,
WPNR 2017/7162, p. 640–654, p. 646). Ik meen dat dit ook voldoende duidelijk blijkt uit de formulering van het huidige artikel 2:8 lid 1 BW waar wordt gesproken over betrokkenen die «krachtens de wet en de statuten» bij de organisatie zijn betrokken.
De term «organisatie» wordt voor de toepassing van artikel 2:8 lid 1 BW ingeperkt door deze eis dat de betrokkenen krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken (zie ook A.G. Cramer-Goos, «Artikel 2:8 BW, A. Inleiding»,
in: M.J van Ginneken e.a. (red.), Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019).
De leden van de SGP-fractie vragen de regering naar de implicaties van de verplichting dat de raad van commissarissen uit natuurlijke personen dient te bestaan. Deze leden merken op dat in de praktijk de behoefte kan bestaan om het intern toezicht in
de rechtspersoon vorm te geven door andere rechtspersonen. Zo komt het voor dat rechtspersonen lid zijn van een raad van toezicht of raad van commissarissen. Zij krijgen de indruk dat dit bij aanneming van dit wetsvoorstel niet meer kan. Is dat wat de regering
beoogt? Zij vragen waarom dit volgens de regering niet langer mogelijk zou moeten zijn en hoe zij tegen de achtergrond van het rechtspersonenrecht, in het bijzonder bij de stichting, verdisconteert dat deze rechtspersonen zelfs de oprichters kunnen zijn. Betekent
dat heel concreet dat zelfs de oprichtende rechtspersonen geen invloed meer kunnen uitoefenen op het intern toezicht van de organisatie? Welke alternatieven liggen volgens de regering in zulke situaties voor de hand?
In de nieuwe artikelen 2:44a lid 1, 2:47 lid 1, 2:291a en 2:292a lid 1 BW wordt geëxpliceerd dat slechts natuurlijke personen kunnen worden benoemd tot commissaris of niet-uitvoerende bestuurder bij een vereniging of stichting. Voor de coöperatie, onderlinge
waarborgmaatschappij, NV en BV is dit reeds expliciet in de wet vastgelegd (zie de artikelen 2:57 lid 1, 2:129a lid 1, 2:140 lid 1, 2:239a lid 1 en 2:250 lid 1 BW). De ratio van deze regeling is dat de commissarisfunctie vraagt om een persoonlijke taakvervulling
(vgl. Kamerstukken II, 1983–1984, 16 631 nr. 6, p. 17). Deze regeling is inhoudelijk niet nieuw voor stichtingen en verenigingen. In het algemeen wordt in de literatuur beargumenteerd dat het voorschrift dat slechts natuurlijke personen de intern toezichthoudende
functie mogen vervullen, geldt voor stichtingen en verenigingen, hoewel dit nog niet expliciet is gemaakt in de wet.35 Ik wijs in dit verband op Asser/Maeijer & Kroeze 2-I (De rechtspersoon), nr. 223: «Voor de overige rechtspersonen vloeit dit m.i. voort uit
de aard van de toezichtstaak, die als een persoonlijke gekenschetst kan worden». Zie in vergelijkbare zin: Asser/Rensen 2-III (Overige rechtspersonen), nrs. 163d en 345: «Hoewel de wet daarover voor verenigingen thans niets bepaalt, kunnen mijns inziens in
het systeem van de wet slechts natuurlijke personen commissaris zijn» en «[i]n lijn met hetgeen [...] is betoogd ten aanzien van commissarissen van een vereniging, zou ik menen dat ook commissarissen van een stichting slechts natuurlijke personen kunnen zijn».
Een rechtspersoon kan ondanks deze bepaling op verschillende manieren invloed uitoefenen op een stichting die zij heeft opgericht. Denkbaar is dat in de statuten van de op te richten stichting wordt bepaald dat de rechtspersoon leden van de raad van commissarissen
kan benoemen. Ook is het denkbaar dat een andere rechtspersoon op een bepaalde wijze toezicht houdt op het bestuur, bijvoorbeeld doordat het bestuur tussentijds informatie verstrekt over omzet en winstperspectief (vgl. Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr.
3, p. 21).
6. Het belang van de vereniging
Naar aanleiding van de regeling voor tegenstrijdig belang in artikel 44 in de nota van wijziging vragen de leden van de SGP-fractie zich af of altijd echt duidelijk is wat «het belang van de vereniging» is.36 Is het niet mogelijk dat er vanuit verschillende
invalshoeken bestuurders benoemd zijn, die er met elkaar uit moeten zien te komen wat dan precies het belang van de vereniging is. Bijvoorbeeld omdat ieder van de bestuurders de gezamenlijke problematiek vanuit zijn eigen denkkader en organisatie-achtergrond
benadert. Hierbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan een belangenvereniging voor de behartiging van de dorpsbelangen rond een groot infrastructuurproject waarbij zowel liefhebbers van meer bomen als liefhebbers van meer autoverkeer vanuit hun eigen
deelbelang in zo’n vereniging participeren als bestuurder. Zou het kunnen dat zo iemand dan niet deel zou kunnen nemen, omdat hij automatisch een indirect of persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig zou kunnen zijn met het doel van de vereniging? Hoe wordt
voorkomen dat mensen op grond van de voorgestelde regels uitgesloten worden van beraadslaging en besluitvorming, terwijl zij welbewust vanuit hun deelbelang in een verenigingsbestuur zitten?
Het voorgestelde artikel 2:44 lid 6 BW bepaalt dat bestuurders van een vereniging die een direct of indirect persoonlijk belang hebben bij een besluit van de vereniging niet deelnemen aan de besluitvorming wanneer dat persoonlijke belang tegenstrijdig is
met het belang van de vereniging en de daarmee verbonden onderneming of organisatie. Wat het belang van de vereniging is, hangt mede af van de statuten van de vereniging. In de praktijk zal het voorkomen dat bij de behartiging van dat belang van de vereniging,
verschillende deelbelangen moeten worden afgewogen. In het door de SGP-fractie gegeven voorbeeld van een belangenvereniging voor de behartiging van de dorpsbelangen rond een groot infrastructuurproject kan het zijn dat meerdere bestuursleden zijn aangezocht
met een verschillende expertise of vanuit een andere achterban, zodat de vereniging de verschillende deelbelangen van het dorp en de omwonenden goed in het oog kan houden. Van de gezamenlijke bestuurders wordt verwacht dat zij de verschillende deelbelangen
die de vereniging behartigt, meewegen in hun beslissing. Van een individuele bestuurder van een vereniging wordt verwacht dat hij zich niet louter en alleen een bepaald deelbelang aantrekt (zie nader Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 33). Als de opname
van vertegenwoordigers van verschillende belanghebbenden in het bestuur van een vereniging wordt aangemoedigd, zoals bij de belangenvereniging in het voorbeeld, doet dit niet af aan de tegenstrijdigbelangregeling als geformuleerd in dit wetsvoorstel. Dit wil
zeggen dat als het belang van de achterban van een lid van het bestuur niet parallel loopt met het (evenwichtig) belang van de belangenvereniging, niet automatisch sprake is van een tegenstrijdig belang als bedoeld in Boek 2 BW (zie nader Kamerstukken II 2018–19,
34 491, nr. 6, p. 26). Alleen indien een bestuurder een direct of indirect persoonlijk tegenstrijdig belang heeft met het belang van de belangenvereniging, moet de bestuurder zich onthouden van betrokkenheid bij de besluitvorming. Van een direct of indirect
persoonlijk tegenstrijdig belang kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een lid van het bestuur van de belangenvereniging een persoonlijk belang heeft bij het nemen van een besluit, bijvoorbeeld omdat hij of een naaste (tevens) een grootaandeelhouder is van de
onderneming die de rijstroken aanlegt bij het infrastructuurproject. Wanneer een bestuurder van een belangenvereniging een abstract belang heeft, zoals het zijn van een liefhebber van meer bomen dan wel van auto’s, kwalificeert dit niet als een direct of indirect
persoonlijk tegenstrijdig belang.
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker
1 Wanneer hierna de vereniging wordt genoemd, versta ik daaronder tevens de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij, tenzij anders vermeld.
2 Voluit: de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in de semipublieke sector, onder voorzitterschap van mevrouw F. Halsema, zie Kamerstukken II 2012/13, 28 479, nr. 68.
3 Commissie Halsema, Een lastig gesprek, 2013, p. 24.
4 Zie voor de regeling van de raad van commissarissen bij verenigingen en stichtingen de voorgestelde artikelen 2:47 en 2:292a BW en voor de regeling van het monistisch bestuurssysteem bij verenigingen en stichtingen de voorgestelde artikelen 2:44a en 2:291a
BW.
5 Zie het voorgestelde artikel 2:50a/300a lid 3, onder b, BW jo. artikel 2:9 BW.
6 Voluit: Wet van 11 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels omtrent bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennoot-schappen.
7 H.E. Boschma e.a., Evaluatie Wet bestuur en toezicht. Wetenschappelijk evaluatieonderzoek naar de werking van de nieuwe bepalingen uit de Wet aanpassing regels bestuur en toezicht nv/bv
(Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 110), Deventer: Wolters Kluwer 2018 (hierna: Evaluatie Wet bestuur en toezicht).
8 Vgl. Evaluatie Wet bestuur en toezicht, paragraaf 5.1.2, p. 214–216; zie ook
Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 12.
9 Zie voor een nadere toelichting de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel;
Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 3, p. 7.
10 Zie voor de vereniging en de stichting voor de begrenzing van het meervoudig stemrecht de voorgestelde artikelen 2:44 lid 4, 2:47 lid 4, 2:291 lid 4 en 2:292a lid 4 BW en zie voor de ontstentenis- en beletregeling de voorgestelde artikelen 2:44 lid 5,
2:47 lid 5, 2:291 lid 5 en 2:292a lid 5 BW.
11 Zie voor de NV en de BV voor de begrenzing van het meervoudig stemrecht de artikelen 2:129 lid 2 2:140 lid 4, 2:239 lid 2 en 2:250 lid 4 BW en zie voor de ontstentenis- en beletregeling de artikelen 2:134 lid 4, 2:142 lid 4, 2:244 lid 4 en 2:252 lid 4
BW.
12 Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 3.
13 Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 7; Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 11, p. 2.
14 Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 1.
15 Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 7.
16 Vgl. Evaluatie Wet bestuur en toezicht, paragraaf 3.6, 6.2.1 en 6.2.3.
17 Vgl. Evaluatie Wet bestuur en toezicht, paragraaf 6.4.1.
18De regeling omtrent begrenzing van het meervoudig stemrecht van bestuurders en commissarissen en de ontstentenis- en beletregeling voor bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen waren wel opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel,
maar waren komen te vervallen bij de eerste nota van wijziging.
19 Kamerstukken I 2019–20, 34 491 A.
20 Artikel 9.1.4 lid 1 Wet educatie en beroepsonderwijs; artikel 9.51 lid 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek juncto artikel 9.7 lid 1 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 10.3d lid 1 Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
21 Artikel 17a en 17b Wet op het primair onderwijs en artikel 24d en 24e Wet op het voortgezet onderwijs. Zie ook artikel 5 lid 2 Code goed bestuur Primair Onderwijs.
22 Artikel 30 lid 1 Woningwet.
23 Artikel 6.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) en in de toekomst ook conform artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza).
24 Commissie Halsema (de Commissie Behoorlijk Bestuur), Een lastig gesprek, 2013, bijlage bij:
Kamerstukken II 2013–14, 28 479, nr. 68.
25 Commissie Halsema, Een lastig gesprek, 2013, p. 24–26; zie ook Kamerstukken II 2013–14, 28 479, nr. 69, p. 5.
26 Kamerstukken II 2013–14, 28 479, nr. 69, p. 8–14.
27 Commissie Halsema, Een lastig gesprek, 2013, aanbeveling vier, eerste zin, en aanbeveling vijf, tweede zin.
28 Kamerstukken II 2013–14, 28 479, nr. 69, p. 6–7 en p. 13–14; zie ook de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie waar deze maatregelen nader uiteen worden gezet (Kamerstukken II
2013–14, 33 750 VI, nr. 31).
29 Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Onderzoek PrivaZorg (Utrecht 2019).
30 Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 5.
31 Vgl. C.H.C. Overes, «Het wetsvoorstel Bestuur en toezicht rechtspersonen in relatie tot de onderwijssector» in: Blanco Fernández e.a.,
Bestuur en toezicht bij rechtspersonen, mede in de semipublieke en non-profitsector. Beschouwingen naar aanleiding van het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen, Zutphen: Paris 2016, p. 71–104, p. 80; zie ook Asser/Rensen 2-III (Overige rechtspersonen),
nr. 144 over het wettelijk vereiste van middellijke of rechtstreekse deelneming van de leden van de algemene vergadering aan de benoeming van bestuurders.
32Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 4, p. 2.
33 Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 17; Kamerstukken II
2018–19, 34 491, nr. 9, p. 3; Kamerstukken II 2019–20, 34 491, nr. 17, p. 8.
34 W.J.M. van Veen, «Het belang van de rechtspersoon en zijn «raison d’être»»,
WPNR 2017/7162, p. 640–654.
35 C.H.C. Overes, De stichting en governance, SDU 2011, p. 75; M.J. van Uchelen- Schipper,
Handboek Stichting en Vereniging, Uitgeverij Paris 2018, onderdeel 14.5.2.
36 Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 7, p. 1–2.