email: info@emvoadvies.nl
zondag, 8 november 2026

Publicatiedatum: 20/05/2021

Categorie: Inkomstenbelasting

Hof Den Haag

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLGHDHA2021767, BK-20/00644

Belastingheffing uitkering premievrije vastetermijnverzekering


Een vastetermijnverzekering is een verzekering die onafhankelijk van het in leven zijn van de verzekerde het verzekerde bedrag op de einddatum uitkeert. De verplichting tot premiebetaling vervalt bij het overlijden van de verzekerde voor de einddatum. De vraag is wat de aard van een dergelijke overeenkomst is wanneer de verzekering premievrij wordt gemaakt gedurende de looptijd.

De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Amsterdam over de fiscale gevolgen van een uitkering uit een vastetermijnverzekering, die premievrij was gemaakt, vernietigd. Volgens de Belastingdienst was sprake van een uitkering uit een levensverzekering. Volgens de belanghebbende ging het om een valutatermijncontract, omdat een uitkering in Australische dollars was overeengekomen en de uitkering niet van het leven afhankelijk was. Het hof had, omdat partijen daarover van mening verschilden, de aard en inhoud van de overeenkomst moeten beoordelen. Volgens de Hoge Raad heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de belanghebbende in 2013 een uitkering uit een overeenkomst van levensverzekering heeft ontvangen. De fiscale gevolgen van de uitkering zijn afhankelijk van de kwalificatie van de overeenkomst ten tijde van de uitkering. Hoewel de overeenkomst aanvankelijk een element van overlijdensrisico bevatte ten aanzien van de premiebetaling, was daarvan na de wijziging van de overeenkomst in 1995 geen sprake meer.

Volgens de Hoge Raad is er geen rechtsregel die bepaalt dat voor de fiscale gevolgen van de uitkering moet worden uitgegaan van de aard en inhoud van de overeenkomst voor de wijziging. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Haag voor verdere behandeling.

Naar het oordeel van het hof kan de overeenkomst na de premievrijmaking niet meer worden aangemerkt als een overeenkomst van levensverzekering. Door de premievrijmaking is het overlijdensrisico en daarmee het verzekeringselement verdwenen uit de overeenkomst. Na de premievrijmaking resteert een spaarcontract. Bij de belastingheffing moet rekening gehouden worden met de bepalingen van de Invoeringswet Wet IB 2001. Daarin staat dat de inkomsten uit vermogen worden gesteld op het bedrag van de waarde in het economische verkeer op 31 december 2000. Deze inkomsten uit vermogen worden voor de toepassing van de Wet IB 2001 aangemerkt als inkomen uit werk en woning. Het betreft de rente die is aangegroeid na de premievrijmaking tot 31 december 2000. Deze rente wordt op grond van de Invoeringswet Wet IB 2001 in het jaar van uitkering belast.

Het hof heeft het bedrag aan aangegroeide rente zelf bepaald, omdat noch de zienswijze van de inspecteur, noch de zienswijze van de belanghebbende acceptabel was.