email: info@emvoadvies.nl
zondag, 8 november 2026

Publicatiedatum: 20/05/2021

Categorie: Inkomstenbelasting

Rechtbank

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLRBZWB20211114, BRE 20/5285

Toepassing uitzendregeling eigen woning


Een eigen woning is volgens de Wet IB 2001 een gebouw of een gedeelte daarvan dat aan de belastingplichtige of zijn huishouden als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom. Zowel de voordelen als de kosten en lasten en de waardeverandering van de woning moeten toekomen aan de belastingplichtige of zijn partner. Een belastingplichtige kan voor de inkomstenbelasting samen met zijn partner slechts één hoofdverblijf hebben. Partners, die meer dan één woning hebben die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, kunnen bij de aangifte kiezen welke woning als eigen woning kwalificeert.

Op grond van de uitzendregeling kan een woning van een belastingplichtige als eigen woning worden aangemerkt in de periode dat hij zijn hoofdverblijf elders heeft. Voorwaarde is dat de woning tijdens de uitzendperiode niet wordt verhuurd of door derden wordt gebruikt. Derden zijn alle personen die niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoren.

De Belastingdienst merkte tijdens de uitzending van een ambtenaar naar het buitenland diens woning in Nederland niet aan als eigen woning omdat zijn echtgenote aanvankelijk in de woning was blijven wonen. Volgens de inspecteur was de woning ter beschikking gesteld aan een derde. De rechtbank deelde de opvatting van de Belastingdienst niet. Wanneer aan een belastingplichtige en zijn partner meer dan één woning als hoofdverblijf ter beschikking staat, kunnen zij gezamenlijk kiezen welke woning als eigen woning wordt aangemerkt. In deze periode kozen de echtgenoten voor de woning in Nederland als eigen woning, zonder een beroep te hoeven doen op de uitzendregeling.

Nadat de echtgenote zich bij haar man had gevoegd in het buitenland, was niet langer sprake van twee hoofdverblijven. Vanaf dat moment behoorden de kinderen van het echtpaar niet langer tot het huishouden van de echtgenote. De kinderen vormden vanaf dat moment zelfstandig een eigen huishouden in de woning. Daarmee stond de woning ter beschikking van derden en kon de uitzendregeling in beginsel niet worden toegepast op de woning.

In een besluit van de staatssecretaris van Financiën is op basis van de hardheidsclausule goedgekeurd dat de uitzendregeling onder voorwaarden toch kan worden toegepast als kinderen in de woning blijven wonen. Deze voorwaarden zijn:

  • Vanaf het moment van de uitzending wonen uitsluitend kinderen van de belastingplichtige of zijn partner in de woning.
  • De kinderen zijn jonger dan 27 jaar. Als een kind 27 jaar wordt, vervalt de goedkeuring.
  • De kinderen behoorden direct voorafgaand aan de uitzending tot het huishouden van de belastingplichtige.
  • De kinderen blijven de woning om niet bewonen. Er wordt dus geen huur betaald.

Hoewel uit een arrest van de Hoge Raad uit 2012 volgt dat de goedkeuring van de staatssecretaris restrictief moet worden uitgelegd, oordeelde de rechtbank dat in dit geval terecht een beroep daarop was gedaan. Het moment van vertrek van de echtgenote was het moment waarop de uitzendregeling voor het eerst toepassing kon vinden. Op dat moment behoorden beide kinderen (weer) tot het huishouden van de echtgenote. Dat in het besluit als voorwaarde is gesteld dat de kinderen direct voorafgaand aan de uitzending tot het huishouden van de belastingplichtige behoorden, is volgens de rechtbank niet van belang. Gelet op het karakter van de eigen woning als gezamenlijk inkomensbestanddeel is de echtgenote ook een belastingplichtige als bedoeld in het besluit.