De voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Binnenhof 4
2513 AA Den Haag
Datum 14 juni 2021
Betreft Onderzoek naar een belasting op plastic
Ons kenmerk 2021-0000106561
Geachte voorzitter,
In het kader van het belastingplan 2021 heeft uw Kamer een motie van het lid Van Raan (PvdD) aangenomen.1 De motie verzoekt de regering onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een nationale heffing op nieuw plastic (en/of plastics met een te klein percentage
recyclaat), en de Kamer hierover voor de zomer van 2021 te rapporteren. Mede namens de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voldoe ik met deze brief graag aan dit verzoek.
Aan CE Delft is gevraagd een eerste verkenning te doen naar de mogelijkheden voor een nationale heffing op nieuw plastic, met als doel de productie en gebruik van nieuw plastic af te remmen en daarmee mogelijk het aandeel plastic recyclaat te vergroten.
CE Delft heeft daarvoor de plasticketen en de Nederlandse spelers in beeld gebracht, om vervolgens mogelijke aanknopingspunten voor een belasting te benoemen en op hoofdlijnen uit te werken. Per variant is kwalitatief gekeken naar doeltreffendheid en in hoeverre
(on)bedoelde effecten op voor milieu en economie kunnen optreden.
Bijgevoegd treft u deze eerste verkenning, die mogelijk als vertrekpunt kan dienen, mocht een aankomend kabinet de route van een nationale heffing op plastic verder willen uitwerken. Hier zal dan verdergaand onderzoek voor nodig zijn naar varianten en alternatieven,
en de bijbehorende effecten.
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst
J.A. Vijlbrief
1 Kamerstukken II 2020/21, 35 572, nr. 65.
Momenteel worden in Nederland 2 miljard kilogram plastic producten per jaar gekocht. Om de keten van plastic producten te verduurzamen is in deze studie, naar aanleiding van de motie Van Raan (PvdD), een belasting op nieuw (virgin) plastic onderzocht. Het
doel van deze belasting is het verlagen van de productie en het gebruik van virgin plastic door deze duurder te maken.
Plastics worden gemaakt in een productieketen waarin ruwe aardolie via verschillende tussenstappen wordt omgezet in plastic eindproducten. Een belasting lijkt het makkelijkste om vorm te geven op het moment dat kunststof korrels en poeder (polymeren) worden
doorverkocht aan producenten van plastic (tussen)producten. Het product dat dan wordt belast is namelijk homogeen, goed meetbaar en het aantal belastingplichtigen is relatief beperkt (15 bedrijven en importeurs). Daarnaast lijkt recyclaat relatief makkelijk
uit te zonderen van de belasting en wordt de toepassing ervan direct gestimuleerd.
Wel kan een belasting op Nederlandse polymeren ervoor zorgen dat de plastic producten die ervan worden gemaakt, vervangen worden door import uit het buitenland waarvoor de belasting niet geldt. Hierdoor is er een risico dat de productie van virgin plastics
niet afneemt maar verschuift. Deze zogenoemde weglekeffecten beperken niet alleen de effectiviteit van de belasting, maar hebben ook negatieve gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van het buitenland. Nederland kan ook pleiten voor
een EU-brede belasting op polymeren zodat in ieder geval binnen de EU dezelfde belasting plaatsvindt.
Een belasting op plastic eindproducten heeft deze weglekeffecten niet, maar is moeilijker vorm te geven vanwege het grote aantal producten en belastingplichtigen. Ook is de stimulans om recyclaat in te zetten indirecter dan bij een belasting op polymeren.
Voor een meer eenvoudige vormgeving zou eventueel gekozen kunnen worden voor een beperktere toepassing van de belasting op nieuwe plastics, bijvoorbeeld alleen op de productgroep verpakkingen.
Er zijn diverse positieve milieu-impacts te verwachten van een belasting op plastics. Minder gebruik verkleint de kans op zwerfafval in de natuur en plastic soup, en reduceert de CO2-emissies. Ook vervanging van virgin plastics door recyclaat leidt tot een
daling in emissies. Wanneer echter voor de toepassing van andere materialen wordt gekozen is het mogelijk dat CO2-emissies per saldo toenemen. Veel alternatieven zijn milieubelastender in de keten. Nader onderzoek is noodzakelijk om het netto CO2-effect te
bepalen.
Tot slot zijn, naast het invoeren van een belasting, ook andere beleidsinstrumenten het overwegen waard. Voorbeelden zijn verhoging van plasticrecycling doelen voor diverse sectoren, het invoeren van een verplicht minimumaandeel recyclaat in nieuw plastic
dat op de Nederlandse of Europese markt wordt afgezet en het verbieden van plasticgebruik bij zwerfafvalgevoelige toepassingen zoals single-use-items.