email: info@emvoadvies.nl
vrijdag, 23 oktober 2026

Publicatiedatum: 15/07/2021

Categorie: Formeel recht

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR2021778, 20/00892

Informatiebeschikking en omkering bewijslast


De inspecteur kan in een informatiebeschikking vaststellen dat een belastingplichtige niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting. Tegen een informatiebeschikking staan de rechtsmiddelen bezwaar en beroep open. Als de informatiebeschikking onherroepelijk vaststaat, wordt de bewijslast in procedures over aanslagen waarop de informatiebeschikking betrekking heeft, omgekeerd en verzwaard.

In een procedure over een aantal informatiebeschikkingen meenden de belanghebbenden dat de informatiebeschikkingen moesten worden vernietigd. De informatiebeschikkingen waren vastgesteld nadat de belanghebbenden met een beroep op de inkeerregeling buitenlands vermogen hadden gemeld. De door de inspecteur gevraagde informatie over eerdere jaren werd door de belanghebbenden niet verstrekt. Volgens de belanghebbenden moesten de informatiebeschikkingen worden vernietigd, omdat vanwege het niet doen van de vereiste aangiften de bewijslast toch al was omgekeerd en verzwaard. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het betoog van de belanghebbenden verworpen omdat de inspecteur op basis van de hem bekende gegevens niet kon beoordelen of in de betreffende jaren de vereiste aangiften waren gedaan.

Volgens het hof had de inspecteur echter geen vragen mogen stellen over hem nog onbekende buitenlandse bankrekeningen en zich moeten beperken tot vragen over de bankrekeningen die bij de inkeer aan hem bekend waren gemaakt. Het hof vernietigde de informatiebeschikkingen voor zover deze betrekking hadden op andere onderdelen dan de bekendgemaakte bankrekeningen.

De Hoge Raad deelt in cassatie het oordeel van het hof dat de inspecteur informatiebeschikkingen mocht geven, ook al was niet vastgesteld of de vereiste aangiften waren gedaan.

De Hoge Raad heeft de vernietiging van de informatiebeschikkingen ongedaan gemaakt. Voor het ontstaan van de wettelijke informatieverplichting is voldoende dat de inspecteur op grond van wat hem reeds bekend is in redelijkheid kan menen dat het antwoord op zijn vragen van belang kan zijn voor de belastingheffing van degene aan wie hij de vragen heeft gesteld. De inspecteur kan zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat een belastingplichtige, die over niet aangegeven bankrekeningen in het buitenland beschikt, gedurende enige tijd onbekende bronnen van inkomen heeft gehad en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. De inspecteur hoeft zijn vragen niet te beperken tot de in het buitenland aangehouden of opgekomen vermogensbestanddelen die hem door de belastingplichtige zijn gemeld.