Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 99 MOTIE VAN DE LEDEN EPHRAIM EN EPPINK
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat er reeds geruime tijd een brede voorkeur in de Kamer bestaat om in box 3 het werkelijk behaalde rendement op vermogens te belasten en de Staatssecretaris geen politiek besluit kan en wil nemen in verband
met de demissionaire status van het kabinet;
verzoekt de Staatssecretaris, zo spoedig mogelijk een operationeel plan van aanpak aan de Kamer aan te bieden waarin alle relevante aspecten en een schatting van de tijdpaden inzake het voorbereiden van regelgeving zijn opgenomen, en gaat over tot de orde
van de dag.
Ephraim Eppink
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 97 MOTIE VAN HET LID ALKAYA
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat er een akkoord is gesloten over een herziening van het wereldwijde belastingsysteem;
constaterende dat er uitzonderingen op de nieuwe regels zijn opgenomen, onder andere ten aanzien van natuurlijke hulpbronnen en gereguleerde financiële diensten; van mening dat uitzonderingen de regels minder effectief maken;
verzoekt de regering, onderdeel van Nederlandse diplomatieke inzet te laten zijn om die uitzonderingen in de toekomst te schrappen, en gaat over tot de orde van de dag.
Alkaya
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 96 MOTIE VAN HET LID GRINWIS
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat het huidige handhavingsmoratorium van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelatie (DBA) ten minste tot 1 oktober 2021 van kracht is, maar in principe op enig moment moet worden afgebouwd;
constaterende dat het met het huidige handhavingsmoratorium voor opdrachtgevers mogelijk is om bestaande overeenkomsten van opdracht voort te zetten zonder toename van het risico op naheffingen van de Belastingdienst;
overwegende dat er nog geen concrete voorstellen tot een redelijk en handhaafbaar alternatief voor de Wet DBA zijn en deze opdracht doorgeschoven wordt naar een volgend kabinet;
overwegende dat er ondertussen evident knelpunten in de uitvoeringspraktijk zijn ontstaan en toezicht tekortschiet;
verzoekt de regering, om voor 1 oktober – tot dan loopt ten minste het handhavingsmoratorium – uit te werken hoe knelpunten in de uitvoering van de Wet DBA aan te pakken, zodat geleidelijk stappen kunnen worden gezet richting het uitoefenen van regulier
toezicht, en gaat over tot de orde van de dag.
Grinwis
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 95 MOTIE VAN HET LID IDSINGA
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat in 2006 een levensloopregeling werd ingevoerd, waarbij werknemers konden sparen voor bijvoorbeeld vervangend inkomen voor een periode van onbetaald verlof, zoals pensioen;
overwegende dat deze regeling in 2011 alweer werd afgeschaft;
overwegende dat ongeveer 40.000 mensen per eind dit jaar uit het overgangsrecht dreigen te lopen met, vanwege een eenmalige hoge «uitkering», mogelijke gevolgen voor toeslagen en belastingprogressie; overwegende dat dit voor velen betekent dat zij, in plaats
van met het gespaarde geld eerder van hun pensioen kunnen genieten, nog jaren langer moeten doorwerken; overwegende dat dit voor hen een teken is van een wispelturige en dus niet betrouwbare overheid, aangezien zij zo geen financiële planning en levensplanning
konden maken;
verzoekt de regering, om voor deze groep mensen een eenmalige en laatste overgangsoplossing te verkennen, en de Kamer daarover te berichten, en gaat over tot de orde van de dag.
Idsinga
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 94 MOTIE VAN HET LID IDSINGA C.S.
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het onderzoek dat het kabinet heeft laten uitvoeren naar de praktische mogelijkheden van een box 3-heffing op basis van werkelijk rendement is afgerond; overwegende dat het onderzoek een goede basis biedt
waarmee het volgende kabinet een stelsel van werkelijk rendement verder kan uitwerken;
verzoekt de regering, dat reeds ingezette voorbereidende werk door te zetten, zodat de Belastingdienst technisch gezien in staat zal zijn om een heffing op reëel rendement op termijn te kunnen implementeren, en gaat over tot de orde van de dag.
Idsinga Inge van Dijk Van Weyenberg Grinwis
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 93 MOTIE VAN HET LID IDSINGA C.S.
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat met name spaarders met geld op de spaarrekening, waaronder pensioengeld, momenteel onevenredig hard worden getroffen door een combinatie van negatieve rente, inflatie en de huidige heffing van box 3 op
basis van een fictief positief rendement;
verzoekt de regering, om, in afwachting van een nieuwe definitieve regeling op basis van heffing op reëel rendement, tussentijdse oplossingen voor spaargeld binnen box 3 te verkennen, en de Kamer daarover te berichten, en gaat over tot de orde van de dag.
Idsinga Inge van Dijk Grinwis
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 92 MOTIE VAN HET LID INGE VAN DIJK C.S.
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat het systeem van heffing op basis van een forfaitair rendement op spaargeld en vermogen in box 3 steeds onhoudbaarder wordt gezien de lage, zelfs negatieve rentestanden en inflatie, waardoor het huidige
box 3-systeem onrechtvaardig is;
overwegende dat een heffing op basis van werkelijk rendement leidt tot een eerlijker systeem en hierover al jaren discussie plaatsvindt;
overwegende dat een recent onderzoek laat zien dat een heffing op basis van werkelijk rendement mogelijk praktisch uitvoerbaar is, met name voor bank- en spaartegoeden, beleggingen in financiële instrumenten, kapitaal- en lijfrenteverzekeringen en schulden
en vorderingen;
overwegende dat het onderzoek ook laat zien dat de praktische uitvoerbaarheid van een heffing op werkelijk rendement voor onroerende zaken en overige bezittingen complexer is;
overwegende dat er concrete beloften zijn gedaan aan burgers om te komen tot een heffing op werkelijk rendement in het coalitieakkoord 2017–2021, maar deze beloften nog steeds niet zijn nagekomen;
overwegende dat we zo snel mogelijk voortgang willen op dit dossier en willen dat een nieuw kabinet deze heffing op werkelijk rendement zo snel mogelijk invoert;
verzoekt het (demissionaire) kabinet, nog in 2021 een contourennota op te stellen voor de vormgeving van een heffing op werkelijk rendement, zodat een nieuw kabinet deze contouren in 2022 kan omzetten in een voorstel van wet, en gaat over tot de orde van
de dag.
Inge van Dijk Idsinga Grinwis
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2020–2021
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 91 MOTIE VAN HET LID STOFFER
Voorgesteld 8 juli 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat uit het onderzoek naar de praktische uitvoerbaarheid van een heffing in box 3 op basis van werkelijk rendement naar voren komt dat deze heffing voor de categorie «bank- en spaartegoeden» mogelijk blijkt,
maar dat het onderzoek aangeeft dat de uitvoerbaarheid voor andere categorieën nog verbeterd kan worden;
overwegende dat een zo snel mogelijke invoering van een heffing op basis van werkelijk rendement voor zo veel mogelijk categorieën van vermogensbestanddelen wenselijk is;
verzoekt de regering, te bezien hoe de uitvoerbaarheid van alle categorieën van vermogensbestanddelen verbeterd kan worden, en de Kamer daar voor 2022 over te informeren, en gaat over tot de orde van de dag.
Stoffer