Besluit van
houdende regels met betrekking tot de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies ter implementatie van artikel 31 van de gewijzigde vierde anti- witwasrichtlijn (Implementatiebesluit registratie
uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies)
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van [•], [•], directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat;
Gelet op de artikelen 5, tweede lid, derde lid, onderdeel f en vierde lid, onderdeel b, 6, 7, tweede lid, 8, tweede lid, 9, eerste lid, 10, eerste lid en 18, tweede lid van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke
juridische constructies;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [•], nr. [•]);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van [•], [•], directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder wet verstaan: Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies.
Artikel 2. Doelen trust
Uit het register volgt voor welk van de volgende categorieën van doelen de trust tot stand is gebracht:
a. Vermogens- en verervingplanning van particulieren;
b. Ondernemingsrechtelijke doelen;
c. Belegging;
d. Pensioen;
e. Zekerheid;
f. Stemrechtregeling;
g. Culturele doelen;
h. Wetenschappelijke doelen;
i. Charitatieve doelen;
j. Andere doelen.
Artikel 3. Klassen economisch belang
Uit het register volgt de omvang van het door een uiteindelijk belanghebbende in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 gehouden economische belang aangeduid in één van de volgende klassen:
a. ten minste 3 tot en met 25 procent;
b. ten minste 26 tot en met 50 procent;
c. ten minste 51 tot en met 75 procent;
d. ten minste 76 tot en met 100 procent.
Artikel 4. Documenten economisch belang
In het register worden afschriften van de volgende categorieën documenten of relevante delen daarvan geregistreerd, voor zover daaruit de aard en omvang van het economisch belang van de betrokken uiteindelijk belanghebbende blijken:
a. trustakte;
b. andere akte;
c. overeenkomst;
d. rechterlijke uitspraak;
e. overige relevante documenten over de aard en omvang van het gehouden economisch belang of documenten op grond waarvan de direct of indirecte eigendom of uiteindelijke zeggenschap over de trust kan worden uitgeoefend.
Artikel 5. Termijn toegankelijkheid informatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 5, eerste, derde en vierde lid, van de wet, blijven tot tien jaar nadat de gronden voor de registratie van die gegevens en bescheiden hebben opgehouden te bestaan, toegankelijk via het register.
Artikel 6. Bevoegde autoriteiten
Als bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet, worden aangewezen:
a. de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in artikel 1d, eerste lid van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, voor wat betreft de uitvoering van hun taak op grond van die wet;
b. Onze Minister van Financiën in het kader van de uitvoering van zijn taak, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van de wet;
c. de instanties, bedoeld in artikel 1:93, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op het financieel toezicht, in het kader van hun wettelijke taken;
d. de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, in het kader van hun wettelijke taken;
e. de Dienst Justis, het Bureau Bibob, de Militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Koninklijke Marechaussee en de Rijksrecherche, in het kader van hun wettelijke taken.
Artikel 7. Bewaartermijn gegevens verzoeker
De beheerder bewaart de in artikel 8, tweede lid, van de wet bedoelde persoonsgegevens van een verzoeker niet langer dan vijf jaar.
Artikel 8. Vergoeding
1. Voor inzage in informatie die is opgenomen in het register is een vergoeding verschuldigd. De hoogte van die vergoeding wordt bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde vergoeding is verschuldigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
3. De in het eerste lid bedoelde vergoeding dient bij verstrekking te worden voldaan.
Artikel 9. Afscherming
1. Een verzoek tot afscherming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet wordt alleen toegekend indien:
a. de uiteindelijk belanghebbende een persoon betreft als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 2012, niet zijnde leden van het koninklijk huis, of een persoon betreft over wier veiligheid de politie op grond van die wet waakt;
of
b. de uiteindelijk belanghebbende de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, door de kantonrechter onder curatele is gesteld als bedoeld in artikel 378 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, door de kantonrechter onder bewind is gesteld als bedoeld
in artikel 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of in het buitenland handelingsonbekwaam is verklaard.
2. Indien de beheerder een verzoek als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet ontvangt, dan schermt hij de betrokken gegevens onverwijld af. De afscherming eindigt:
a. in het geval het verzoek wordt afgewezen: nadat het besluit onherroepelijk is;
b. in het geval het verzoek wordt toegekend op grond van het eerste lid, onderdeel a: vijf jaar na de datum van toekenning van het verzoek;
c. in het geval het verzoek wordt toegekend op grond van het eerste lid, onderdeel b: de dag dat de uiteindelijk belanghebbende de leeftijd van achttien jaren bereikt of de dag dat de handelingsonbekwaamheid eindigt.
3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt telkens met vijf jaar verlengd voor zover de persoon op dat moment voldoet aan het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 10. Informatie uit basisregistratie
In het register kunnen gegevens over natuurlijke personen worden overgenomen uit de basisregistratie personen bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen alsmede uit het handelsregister bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007.
Artikel 11. Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018
Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel e, wordt in de aanhef na “een trust” ingevoegd “, de volgende natuurlijke personen”.
2. In het eerste lid, onderdeel e, onder 4° wordt na “de begunstigden” ingevoegd “voor zover de omvang van hun economisch belang in de trust ten minste drie procent bedraagt” en wordt na “of voor zover” ingevoegd “geen van de begunstigden hieraan voldoet
dan wel”.
3. Het zevende lid komt te luiden:
7. Het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, het tweede, derde, vierde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een juridische entiteit die is aangewezen als uiteindelijk belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
Artikel 12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Financiën,
De Minister van Justitie en Veiligheid,
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
NOTA VAN TOELICHTING
Algemeen
§ 1. Inleiding
Dit besluit strekt tezamen met de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies
(hierna: de implementatiewet) tot implementatie van de verplichting tot het bijhouden en centraal registreren van informatie over de uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners) van trusts en soortgelijke juridische constructies.
Die verplichting vloeit voort uit artikel 31 van de Europese vierde anti-witwasrichtlijn1, zoals gewijzigd door de Europese richtlijn (EU) 2018/843 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor
het witwassen van geld of terrorismefinanciering.2
In onderhavig besluit is een aantal zaken dat is geregeld in de implementatiewet nader uitgewerkt, waaronder:
het begrip “uiteindelijk belanghebbende”;
de klassen waarin de omvang van het economische belang kan worden uitgedrukt;
de bewaartermijnen;
de afschermingsgronden; en
de bevoegde autoriteiten.
Voor een meer algemene toelichting op de achtergrond en het doel van de vierde anti-witwasrichtlijn alsmede artikel 31 van die richtlijn en de implementatie daarin op wetsniveau wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de implementatiewet.
§ 2. Inhoud besluit
§ 2.1. Uiteindelijk belanghebbende
De implementatiewet verwijst voor een definitie van het begrip “uiteindelijk belanghebbende” naar artikel 10a van de
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Wie de uiteindelijk belanghebbenden zijn van een trust of soortgelijke juridische constructie is vervolgens nader uitgewerkt in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, en vijfde lid,
van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Het gaat hier om natuurlijke personen die in ieder geval moeten worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbenden van een trust. Het betreft geen limitatieve opsomming zodat steeds bepaald moet worden of er ook
andere personen zijn die eveneens als uiteindelijk belanghebbenden moeten worden aangemerkt, en op grond van de implementatiewet geregistreerd moeten worden.
Uiteindelijk belanghebbenden in de zin van artikel 3, eerste lid, onder 1°, 2° en 3°, van het
Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 zijn natuurlijke personen die worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbenden omdat zij in een bepaalde hoedanigheid optreden (oprichter, trustee, protector). In het geval van begunstigden (uiteindelijk belanghebbenden
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018) is dat echter anders. Het gaat hier om personen die een uitkering kunnen krijgen uit de trust of soortgelijke juridische constructie. Ook deze uiteindelijk
belanghebbenden dienen te worden geregistreerd in het register. Er kunnen zich daarbij gevallen voordoen waarin een trust of soortgelijke juridische constructie buitengewoon veel begunstigden heeft met ieder een zeer klein belang in die trust of soortgelijke
juridische constructie. Dergelijke gevallen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen in de pensioensector. Om aan de registratieplicht te voldoen, zou in dergelijke gevallen een zeer groot aantal begunstigden moeten worden geregistreerd. Ook zouden al die registraties
– mede gezien de in artikel 12 van de implementatiewet en artikel 10b, derde lid, van de Wwft opgenomen verplichting - aan de actualiteit aangepast moeten worden bij eventuele wijzigingen. Dit betekent voor trustees3 van trusts en soortgelijke juridische constructies
in dergelijke gevallen dat de registratieplicht onredelijk zwaar drukt, terwijl het belang van deze begunstigden in de trust of soortgelijke juridische constructie verhoudingsgewijs zeer beperkt is. Met het oog op de uitvoerbaarheid van de registratieplicht
en de daarmee verband houdende verplichtingen wijzigt onderhavig besluit artikel 3, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, van het
Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 zodanig dat enkel begunstigen met een belang van ten minste drie procent worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbenden. Dit betekent dat begunstigden met een economisch belang dat onder die grens ligt niet worden geregistreerd
in het register. Met de ondergrens van ten minste drie procent wordt aangesloten bij de wijze waarop bepalingen uit de richtlijn transparantie4 zijn geïmplementeerd in hoofdstuk 5.3 van de
Wet op het financieel toezicht (Wft) aangaande het melden van stemmen, kapitaal, zeggenschap en kapitaalbelangen in uitgevende instellingen. Op grond van dat hoofdstuk dienen aandeelhouders meldingen te doen omtrent (wijzigingen in) het percentage
van het kapitaal of de stemmen waarover zij beschikken wanneer een bepaalde drempelwaarde wordt bereikt, overschreden of onderschreden. De eerste drempelwaarde bedraagt daarbij ten minste drie procent.
In gevallen waarin geen van de begunstigden een belang van ten minste drie procent heeft in een trust of soortgelijke juridische constructie, kan bij registratie worden volstaan met een omschrijving van de groep in wier belang de trust of soortgelijke juridische
constructie hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is. Bijvoorbeeld: “pensioengerechtigden” of “deelnemers pensioenovereenkomst”.
§ 2.2. Klassen omvang economisch belang
Uit artikel 31, vierde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn en artikel 5 van de implementatiewet vloeit voort dat de aard en de omvang van het door een uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang in een trust of soortgelijke juridische constructie,
behoren tot de verplicht te registreren gegevens. Met “de aard van het economische belang” wordt gedoeld op informatie waaruit blijkt waarom de betreffende persoon een uiteindelijk belanghebbende is van een trust of soortgelijke juridische constructie. Men
kan denken aan een natuurlijke persoon die in de trustakte is aangewezen als de trustee, protector of begunstigde. De “de omvang van het economische belang” is in het bijzonder relevant bij uiteindelijk belanghebbenden die begunstigden zijn als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder 4°, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. In een trust of soortgelijke juridische constructie worden goederen toevertrouwd aan een trustee of beheerder die deze vermogensbestanddelen vervolgens binnen bepaalde voorgeschreven
kaders (bijvoorbeeld de trustakte) aanwendt voor de begunstigden. Met “de omvang van het economische belang” wordt gedoeld op de mate (uitgedrukt in percentages) waarin die goederen het eigendom zijn of worden van een bepaalde uiteindelijk belanghebbende.
Ten aanzien van de begunstigden moet uit het register dan ook volgen wat de omvang van hun economisch belang is. Artikel 5, derde lid, onderdeel e, van de implementatiewet bepaalt daarover dat bij algemene maatregel van bestuur klassen kunnen worden vastgesteld
om die omvang weer te geven. Onderhavig besluit stelt daartoe de volgende vier klassen vast:
klasse a: ten minste 3 tot en met 25 procent;
klasse b: ten minste 26 tot en met 50 procent;
klasse c: ten minste 51 tot en met 75 procent; en
klasse d: ten minste 76 tot en met 100 procent.
Met het hanteren van deze klassen worden onredelijk hoge lasten aan de kant van de trustees en begunstigden voorkomen. De exacte omvang van een belang kan immers vaak veranderen en dus leiden tot veel wijzigingen in het register. Door het hanteren van klassen
leidt een wijziging in het exacte belang enkel tot aanpassing van de registratie indien het belang daarmee buiten de eerder geregistreerde klasse komt te vallen. Ook aan de uitvoeringskant worden hiermee onredelijk hoge kosten voorkomen, terwijl de klassen
voldoende transparantie bieden over de omvang van het belang van een begunstigde.
In gevallen waarin er sprake is van meerdere begunstigden met een economisch belang waarvan de exacte omvang nog onduidelijk of onzeker is, wordt er – in ieder geval totdat er voldoende informatie voorhanden is om te kunnen aangeven binnen welke klasse het
economisch belang valt – vanuit gegaan dat deze begunstigden ieder een evenredig groot belang hebben. Dus wanneer er bijvoorbeeld vijf begunstigden zijn maar het onduidelijk is wat de exacte omvang van ieders belang is, moet ervan worden uitgegaan dat iedere
begunstigde een belang van 20 procent heeft. Dit betekent dus dat deze begunstigden ieder in klasse a zouden vallen.
De ondergrens van de eerste klasse volgt logischerwijs uit de definitie van “begunstigde” zoals is opgenomen in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, van het
Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 en bij onderhavig besluit is aangepast. Zie ook paragraaf 2.1 hierboven.
§ 2.3. Afscherming
De vierde anti-witwasrichtlijn kent in artikel 31, lid 7 bis een lidstaatoptie waarmee lidstaten in uitzonderlijke omstandigheden en per geval kunnen voorzien in een uitzondering op de toegang tot alle of tot een gedeelte van de in het register opgenomen
informatie over een uiteindelijk belanghebbende, indien die uiteindelijk belanghebbende door toegang tot die informatie wordt blootgesteld aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie
of indien de uiteindelijk belanghebbende minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is. Dit is geïmplementeerd in artikel 10 van de implementatiewet, waarmee het voor uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies mogelijk
is om (een deel van) de informatie over hen die voor eenieder toegankelijk is, af te schermen. Enkel de aard en omvang van het door een uiteindelijk belanghebbende gehouden belang worden niet afgeschermd omdat deze informatie niet direct herleidbaar is tot
een natuurlijke persoon. Voor afscherming dient de uiteindelijk belanghebbende langs elektronische weg een afschermingsverzoek in te dienen.5
Bij de keuze voor de uitwerking van het afschermingsregime is onder meer gekeken naar reeds bestaande afschermingsmogelijkheden van openbare registers, namelijk het Kadaster en het register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen
en andere juridische entiteiten. In onderhavig besluit is in lijn daarmee vastgesteld wanneer een verzoek tot afscherming wordt toegekend. Het gaat hier om twee limitatieve gronden voor afscherming.
De eerste grond betreft gevallen waarin de uiteindelijk belanghebbende van overheidswege beveiligd wordt. Het gaat hier om in artikel 42, eerste lid, onderdeel c, van de
Politiewet 2012 bedoelde personen die in het zogenoemde rijksdomein van het stelsel van bewaken en beveiligen vallen en op gezag van de Minister van Justitie en Veiligheid worden beveiligd. De leden van het koninklijk huis zijn uitgezonderd omdat afscherming
van hun gegevens gelet op hun publieke functie niet opportuun wordt geacht. Deze afschermingsgrond ziet daarnaast op personen die door de politie worden beveiligd in opdracht van de Hoofdofficier van Justitie, het zogenoemde decentrale domein van het stelsel
van bewaken en beveiligen. Na ontvangst van een afschermingsverzoek van een van deze personen wordt in overleg met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) respectievelijk het Openbaar Ministerie (OM) vastgesteld of de betrokkene
in het rijksdomein of het decentrale domein valt. Indien dat het geval is, worden de persoonsgegevens afgeschermd gedurende vijf jaar. Indien dat niet het geval is, wordt de aanvraag afgewezen.
Ten aanzien van deze afschermingsgrond is gekeken naar de vraag wie het meest geschikt is om te beoordelen of er ten aanzien van een uiteindelijk belanghebbende sprake is van een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing,
pesterijen, geweld of intimidatie. De expertise die nodig is om die beoordeling te kunnen maken ligt, gelet op de eisen van de richtlijn, bij de politie en de NCTV. Nederland kent in dat kader reeds een regime dat gericht is op de beoordeling van dreigingen
ten aanzien van personen en de bescherming van die personen. In dat regime spelen de politie en de NCTV een rol; zij hebben de expertise en bevoegdheden om een inschatting te kunnen maken van mogelijke dreigingen en van gepaste tegenmaatregelen. Bij dit regime
is al aangesloten voor de afscherming van gegevens in andere, hiervoor genoemde openbare registers van natuurlijke personen. Aangezien er reeds afschermingsregimes bestaan met een vergelijkbare strekking, waarbij het register met informatie over uiteindelijk
belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten voortvloeit uit dezelfde Europese richtlijn met eenzelfde doel als onderhavig register, is het onwenselijk hiervan af te wijken. Dit omdat het ondoelmatig is om bij de politie en de NCTV een
separaat beoordelingskader en proces in te richten voor onderhavig register. Er wordt aangesloten bij bestaande processen en de benodigde beoordeling wordt uitgevoerd door de instanties die daartoe het best geëquipeerd zijn. Uiteindelijk belanghebbenden die
menen dat er sprake is van (voorstelbare) dreiging kunnen zich overigens op voorhand melden bij de politie.
De tweede grond betreft personen die minderjarig of handelingsonbekwaam zijn. Als een verzoek om afscherming op grond van minderjarigheid wordt gedaan, vindt een controle plaats met de persoonsgegevens en wordt het verzoek toegewezen indien de leeftijd van
achttien jaren niet is bereikt. Afscherming op grond van handelingsonbekwaamheid wordt in drie situaties gehonoreerd. Ten eerste in geval de betrokkene onder curatele is geplaatst (Titel 16 Boek 1 BW). Ten tweede in geval deze onder bewind is geplaatst omdat
de persoon niet meer in staat is diens vermogensrechtelijke belangen te behartigen (Titel 19 Boek 1 BW). En ten derde in geval de betrokkene in het buitenland handelingsonbekwaam is verklaard. Ter onderbouwing hiervan zal in de eerste twee gevallen de uitspraak
van de kantonrechter moeten worden meegezonden en in het derde geval de relevante buitenlandse documentatie.
§ 2.4. Bevoegde autoriteiten
Artikel 31, vierde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn bepaalt dat bevoegde autoriteiten en de financiële inlichtingen eenheden zonder enige beperking toegang moeten hebben tot het register. Met “bevoegde autoriteiten” wordt in artikel 31, vierde lid,
van de vierde anti-witwasrichtlijn bedoeld: publieke autoriteiten waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, alsook belastingautoriteiten, toezichthouders van meldingsplichtige entiteiten en autoriteiten
die de opdracht hebben witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken en criminele activa op te sporen, in beslag te nemen of te bevriezen of te confisqueren. Het gaat derhalve niet enkel om autoriteiten die zich
bezighouden met de opsporing van witwassen en/of terrorismefinanciering maar ook om autoriteiten die betrokken zijn bij de opsporing van de onderliggende delicten van witwassen.
Onderhavig besluit merkt de volgende autoriteiten aan als bevoegde autoriteiten:
de Wwft-toezichthouders voor zover zij hun taken op grond van die wet uitvoeren: De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Marken (AFM), de Minister van Financiën (het Bureau Toezicht Wwft), de Kansspelautoriteit (Ksa), het Bureau Financieel
Toezicht (BFT) en de dekens; de handhavende instantie: het Bureau Economische Handhaving (BEH);
instanties die worden genoemd in artikel 1:93, eerste lid, onderdeel f, van de
Wet op het financieel toezicht als (mede) deel uitmakend van het Financieel Expertise Centrum (FEC): de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de Belastingdienst, de Fiscale Inlichtingen- en OpsporingsDienst (FIOD), de Politie en het OM;
bijzondere opsporingsautoriteiten: de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW- DO), de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT/IOD); en
overige instanties die de opdracht hebben het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen en criminele activa op te sporen en in beslag te nemen of te bevriezen en te confisqueren:
de Dienst Justis, het Bureau Bibob, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), de Koninklijke Marechaussee (KMar) en de Rijksrecherche.
Zoals hierboven aangegeven, wordt in artikel 31, vierde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn met “bevoegde autoriteiten” niet alleen gedoeld op autoriteiten die zich bezighouden met de opsporing van witwassen en/of terrorismefinanciering, maar ook op
autoriteiten die betrokken zijn bij de opsporing van de onderliggende delicten van witwassen. Met het oog op die onderliggende delicten zijn ook de opsporingsdiensten van de ISZW, NVWA en ILT aangewezen.
De bevoegde autoriteiten en de FIU-Nederland hebben niet alleen toegang tot de openbare informatie (de informatie bedoeld in artikel 5, eerste lid en derde lid, onderdelen a en f, van de implementatiewet) maar ook tot de niet-openbare, aanvullende informatie
bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdelen b tot en met e, en vierde lid, van de implementatiewet.
§ 2.5. Bewaartermijnen
Dit besluit bepaalt dat de informatie die in het register is opgenomen toegankelijk dient te blijven gedurende tien jaar nadat de gronden voor de registratie van die gegevens en bescheiden hebben opgehouden te bestaan (artikel 5). Ook is bepaald dat de beheerder
van het register de persoonsgegevens van raadplegers van het register niet langer dan vijf jaar mag bewaren (artikel 7).
Ten aanzien van de eerste bewaartermijn geldt dat de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn voorschrijft voor dat de in het register opgenomen informatie over de uiteindelijk belanghebbenden van een trust of soortgelijke juridische constructie minimaal vijf
jaar en maximaal tien jaar nadat de gronden voor registratie van die informatie hebben opgehouden te bestaan, toegankelijk dient te blijven via de nationale registers en via het systeem van gekoppelde registers. Onderhavig besluit bepaalt dat hiervoor het
maximum van tien jaar geldt. Gelet op het doel van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn – het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering–is het van groot belang dat historische informatie over een uiteindelijk
belanghebbende gedurende een zo lang mogelijke periode voorhanden is. Dit geldt in het bijzonder voor het werk van de FIU-Nederland en de bevoegde autoriteiten. Onderzoeken naar witwassen, de daaraan ten grondslag liggende delicten, en het financieren van
terrorisme zien op gebeurtenissen in het verleden.
Historische informatie over uiteindelijk belanghebbenden en het relevante netwerk rondom een uiteindelijk belanghebbende spelen daarbij een belangrijke rol. Bekend is dat witwassen en terrorismefinanciering een hoge mate aan verhullende activiteiten met
zich brengen. Het detecteren van dergelijke delicten en de betrokkenheid van verhullingsmethoden via juridische constructies door opsporingsdiensten kan ook plaatsvinden jaren nadat de constructies zijn opgehouden te bestaan. Daarnaast is witwassen een zogenaamd
voortdurend delict. Dat brengt met zich mee dat het recht tot strafvervolging ten aanzien van witwassen niet komt te vervallen nadat het van misdrijf afkomstige geld is verhuld. Het recht tot strafvervolging vervalt bij opzet-of gewoontewitwassen pas twaalf
jaar nadat, bijvoorbeeld door het opsporingsonderzoek, een einde is gekomen aan het verborgen houden van het misdaadgeld. Daarnaast geldt in de fiscale regelgeving in sommige situaties een lange navorderingstermijn. Zo is de navorderingstermijn wanneer er
sprake is van inkomsten of vermogen uit het buitenland twaalf jaar.6 Het recht tot strafvervolging vervalt pas twaalf jaar nadat, bijvoorbeeld door het opsporingsonderzoek, een einde is gekomen aan het verborgen houden van het misdaadgeld. Ten aanzien van
de tweede bewaartermijn geldt dat artikel 31, vierde lid bis, van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijnlidstaten de optie biedt om de informatie in het register beschikbaar te stellen op voorwaarde dat de persoon die inzage wensteenvergoeding betaalt en
zich online registreert. Van deze lidstaatoptie is gebruikgemaakt, waarbij de persoonsgegevens van de raadplegers niet langer dan vijf jaar mogen worden bewaard. Ook daarmee is aangesloten bij het register waarin informatie is opgenomen over uiteindelijk belanghebbenden
van vennootschappen en andere juridische entiteiten.
§ 3.RegeldrukkostenI
n deze paragraaf komende regeldrukkosten aan de orde.7Onder regeldrukkosten worden verstaan alle investeringen en inspanningen (uitgedrukt in euro’s) die burgers, bedrijven of professionals moeten doen of verrichten om te voldoen aan verplichtingen uit regelgeving
afkomstig van de rijksoverheid. Het gaat hierbij om kosten die voortvloeien uit informatieverplichtingen en inhoudelijke verplichtingen, waaronder toezichtgerelateerde verplichtingen op basis van regelgeving.
Met dit besluit zijn geen andere regeldrukkosten gemoeid dan reeds uiteengezet in de memorie van toelichting bij de implementatiewet. In dit besluit worden voor burgers, bedrijven of professionals geen nieuwe verplichtingen gecreëerd ten opzichte van de
verplichtingen die reeds in de implementatiewet zijn opgenomen. Deze verplichtingen worden in dit besluit slechts nader uitgewerkt, zodat verwezen wordt naar de memorie van toelichting bij de implementatiewet. Relevant is wel dat de in dit besluit opgenomen
nadere uitwerking o.a. leidt tot vermindering van de regeldrukkosten. Deze vermindering wordt veroorzaakt door de aanpassing van het begrip “uiteindelijk belanghebbende”, waardoor enkel begunstigden met een economisch belang van meer dan ten minste drie procent
geregistreerd moeten worden, en door de uitwerking van klassen in artikel 3 van onderhavig besluit. Zie hierover nader paragraaf 2.1 en 2.2.
§ 4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Dit besluit bevat de nadere uitwerking van zaken die reeds zijn opgenomen in de implementatiewet. Daar de beheerder van het register, de Kamer van Koophandel, (in mandaat) de registratiebesluiten alsmede afschermingsbesluiten nemen en de in dit besluit uitgewerkte
zaken in dat kader relevant zijn, zullen de meeste uitvoeringseffecten zich bij de beheerder voordoen. Het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst (BEH) is verantwoordelijk voor de handhaving van de handhaving die bij dit register hoort (zie hoofdstuk
7 van de implementatiewet). Met betrekking tot de uitvoering van hun respectievelijke taken zoals deze voortvloeien uit de implementatiewet hebben de Kamer van Koophandel en het BEH ieder een uitvoeringstoets uitgevoerd.8
§ 5. Openbare consultatie
[●]
§ 6. Advies Autoriteit Persoonsgegevens
[●]
§ 7. Transponeringstabel
Artikel 31 van Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering,
en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU L 156/43 van 19 juni 2018). Zoals eerder al vermeld, heeft de implementatie van dit artikel in Nederlandse wetgeving grotendeels plaatsgevonden in de implementatiewet. In onderstaande
transponeringstabel wordt dit, waar dat het geval is, expliciet aangegeven. (Tabel niet opgenomen)
Artikelsgewijs
Artikel 1. Definities
Artikel 1 van dit besluit bepaalt dat in dit besluit onder “wet” verstaan moet worden de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies. Voor het overige gelden op grond van de aanhef van artikel
1 van die implementatiewet de in dat artikel opgenomen definities ook voor onderhavig besluit. Dat geldt ook voor de begrippen uit artikel 2 van de implementatiewet.
Artikel 2. Doelen trust
Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel, e van de wet dient het doel of de doelen waarvoor een trust of soortgelijke juridische constructie tot stand is gebracht, te worden geregistreerd. In artikel 2 van dit besluit is een aantal doelen opgesomd.
Omdat trusts en soortgelijke juridische constructies voor verschillende doelen tot stand kunnen zijn gebracht, biedt onderdeel j van artikel 2 de ruimte voor eventuele andere doelen dan opgesomd in onderdelen a tot en met i.
Artikel 3. Klassen economisch belang
Zie voor een toelichting op de klassen van economisch belang paragraaf 2.2 van deze nota van toelichting.
Uiteindelijk belanghebbenden in de zin van artikel 3, eerste lid, onder 1°, 2° en 3°, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 die - anders dan begunstigden – enkel worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbenden omdat zij in een bepaalde hoedanigheid optreden
(oprichter, trustee, protector), kunnen volstaan met het aangeven dat zij enkel vanwege de hoedanigheid van bijvoorbeeld trustee wordt aangemerkt als “uiteindelijk belanghebbende”.
Uiteindelijk belanghebbenden in de zin van artikel 3, eerste lid, onder 5°, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 betreffen natuurlijke personen die op grond van uiteindelijke zeggenschap worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbenden. Ten aanzien van
deze groep uiteindelijk belanghebbenden geldt dat dient te worden aangegeven dat zij uiteindelijke zeggenschap hebben.
Artikel 4. Documenten economisch belang
Naast het registreren van de aard en omvang van het economisch belang, zal de trustee ook zorg moeten dragen voor de registratie van afschriften van documenten waaruit documenten waaruit die aard en omvang blijken. In onderhavig artikel is een aantal categorieën
van dergelijke documenten opgesomd. Omdat trusts en soortgelijke juridische constructies op zeer uiteenlopende wijzen kunnen zijn vormgegeven, biedt onderdeel e van artikel 4 de ruimte voor eventuele andere relevante documenten die iets zeggen over de aard
en omvang van het gehouden economisch belang of de grond waarop direct of indirecte eigendom of uiteindelijke zeggenschap over de trust kan worden uitgeoefend.
Artikel 5. Termijn toegankelijkheid informatie
In dit artikel is bepaald dat de geregistreerde informatie via het register toegankelijk blijft tot tien jaar nadat de gronden voor de registratie van die informatie hebben opgehouden te bestaan. Gezien het doel van het register en de vierde anti-witwasrichtlijn
– het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel van de Europese Unie voor witwassen of terrorismefinanciering – is het van groot belang dat historische informatie over een uiteindelijk belanghebbende gedurende een zo lang mogelijke periode voorhanden
is. Dit geldt in het bijzonder voor het werk van de FIU-Nederland en de bevoegde autoriteiten. Onderzoeken naar witwassen, de daaraan ten grondslag liggende delicten, en het financieren van terrorisme zien op gebeurtenissen in het verleden. Historische informatie
over uiteindelijk belanghebbenden en het relevante netwerk rondom een uiteindelijk belanghebbende spelen daarbij een belangrijke rol.
Artikel 6. Bevoegde autoriteiten
De richtlijn eist dat de informatie die in het register is opgenomen over uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies, tijdig en onbeperkt toegankelijk is voor de FIU en de bevoegde autoriteiten.9 Wat onder bevoegde autoriteiten
verstaan moet worden, is bepaald in artikel 6 van dit besluit.
Uit artikel 31, vierde lid, van de richtlijn volgt dat het niet enkel gaat om autoriteiten die zich bezighouden met de opsporing van witwassen en/of terrorismefinanciering maar ook om autoriteiten die betrokken zijn bij de opsporing van de onderliggende
delicten van witwassen. Met het oog op die onderliggende delicten zijn in artikel 6 ook de bijzondere opsporingsdiensten van de ISZW, NVWA en ILT aangewezen als bevoegde autoriteiten.
Artikel 7. Bewaartermijn gegevens verzoeker
Op grond van artikel 8 van de wet moet degene die toegang wenst tot het register zich vooraf registreren bij de Kamer van Koophandel, en kunnen de FIU-Nederland en de bevoegde autoriteiten inzage krijgen in wie deze persoon is. Omwille van de veiligheid
van uiteindelijk belanghebbenden waarover informatie is opgenomen in het register en met het oog op de taken die de FIU-Nederland en de bevoegde autoriteiten hebben ten aanzien van de opsporing van witwassen, terrorismefinanciering en onderliggende delicten,
worden daartoe de persoonsgegevens van deze verzoeker bewaard. Die gegevens mogen op grond van onderhavig artikel echter niet langer dan vijf jaar bewaard worden.
Artikel 8. Vergoeding
De vierde anti-witwasrichtlijn biedt lidstaten de mogelijkheid om voor toegang tot het register de voorwaarde te stellen dat degene die toegang wenst zich online registreert en een vergoeding betaalt. De voorwaarde die de vierde anti-witwasrichtlijn hieraan
verbindt, is dat de gevraagde vergoeding niet meer bedraagt dan de administratieve kosten voor het beschikbaar stellen van de informatie, met inbegrip van de kosten voor het bijhouden en ontwikkelen van het register. Met artikel 8 is gebruikgemaakt van deze
lidstaatoptie. De exacte hoogte van de te betalen vergoeding wordt bij ministeriele regeling vastgesteld.
Artikel 9. Afscherming
Uit het eerste lid van artikel 9 volgt wanneer een verzoek tot afscherming wordt toegekend. Het gaat hier om limitatieve gronden voor afscherming. De eerste grond betreft personen die van overheidswege beveiligd zijn. De tweede grond betreft personen die
minderjarig zijn of handelingsonbekwaam zijn. Zie hierover paragraaf 2.3 van deze nota van toelichting.
Als een verzoek tot afscherming wordt gedaan, worden de gegevens van de betrokkene direct afgeschermd. De afscherming eindigt als het verzoek daartoe is afgewezen en dit besluit onherroepelijk is. Als het verzoek wordt toegekend, blijft de afscherming in
geval van minderjarigheid of de persoon onder curatele staat van kracht tot de leeftijd van achttien jaar is bereikt of de persoon weer handelingsbekwaam is. In geval de afscherming is toegekend omdat de persoon van overheidswege wordt beveiligd, wordt telkens
na vijf jaar bezien of de persoon nog voldoet aan de grond voor afscherming.
Een afscherming geldt conform artikel 31, lid 7 bis, tweede en derde alinea, van de richtlijn niet voor de FIU-Nederland, de bevoegde autoriteiten, financiële ondernemingen en notarissen. Voor hen blijven de afgeschermde gegevens toegankelijk.
Artikel 10. Informatie uit basisregistratie
Het register betreft geen basisregistratie waarin authentieke gegevens zullen worden opgenomen. Wel bepaalt artikel 18, tweede lid, van de implementatiewet dat bij algemene maatregel van bestuur bepaalt kan worden dat in het register informatie kan worden
opgenomen die is overgenomen uit een basisregistratie. In artikel 10 van onderhavig besluit is bepaald dat dit kan voor wat betreft gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en het handelsregister. Hierbij moet gedacht worden aan (geautomatiseerde) controles
van door de trustee opgegeven persoonsgegevens tegen de BRP. Indien de trustee daarbij gegevens opgeeft over een uiteindelijk belanghebbende die niet stroken met hetgeen in het BRP staat dan volgt dat uit deze geautomatiseerde controle en worden de juiste
gegevens uit de BRP overgenomen in het register. Dergelijke geautomatiseerde controles dragen bij aan de kwaliteit van het register.
Artikel 11. Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018
Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 voorziet in een nadere uitwerking van de term “uiteindelijk belanghebbende”. In het eerste lid, onderdeel e, van dat artikel wordt ten aanzien van trusts nader uitgewerkt welke natuurlijke personen in ieder
geval moeten worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbenden van een trust. Het betreft geen limitatieve opsomming zodat steeds bepaald moet worden of er ook andere personen zijn niet eveneens als uiteindelijk belanghebbenden moeten worden aangemerkt.
Onderhavig artikel wijzigt artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Allereerst wordt in de aanhef benadrukt dat ook in het geval van trusts en soortgelijke juridische constructies een uiteindelijk belanghebbende altijd een
natuurlijke persoon is. In dat verband wordt in het zevende lid duidelijk gemaakt dat wanneer een juridische entiteit is aangewezen als een uiteindelijk belanghebbende, bijvoorbeeld doordat in de trustakte een rechtspersoon is aangewezen als de trustee, de
uiteindelijk belanghebbende van die juridische entiteit kwalificeert als uiteindelijk belanghebbende in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Om te bepalen wie die uiteindelijk belanghebbende van de juridische
entiteit is, dient te worden gekeken naar de overige leden van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.
Daarnaast volgt uit onderhavige wijziging dat niet alle begunstigden in de zin van artikel 3, eerste lid, onder 4°, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 behoeven te worden opgenomen in het register. Zoals uit het algemeen deel van deze nota van toelichting
al volgt, worden in een trust of soortgelijke juridische constructie goederen toevertrouwd aan een trustee of beheerder die deze vermogensbestanddelen vervolgens binnen bepaalde voorgeschreven kaders (bijvoorbeeld de trustakte) aanwendt voor de begunstigden.
Onderhavige wijziging bepaalt dat wanneer ten minste drie procent van die goederen het eigendom van een begunstigde is of wordt, deze begunstigde wordt aangemerkt als uiteindelijk belanghebbende en derhalve informatie over hem of haar in het register wordt
opgenomen.
De Minister van Financiën,
1 Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het
Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU
2015, L 141/73).
2 Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging
van de 13/36/EU (PbEU 2018, L 156/43). Waar in deze nota van toelichting wordt gesproken over ‘de vierde anti-witwasrichtlijn’ of ‘de richtlijn’ wordt daarmee bedoeld de vierde anti-witwasrichtlijn zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn.
3 Met “trustee(s)” wordt in deze nota van toelichting mede bedoeld degene(n) die in een soortgelijke juridische constructie een vergelijkbare positie heeft/hebben als een trustee in een trust.
4 Richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende
instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU
2004, L 390/38).
5 De Minister van Financiën beslist op grond van artikel 10, eerste lid, van de implementatiewet op verzoeken tot afscherming. Deze bevoegdheid wordt door middel van de in artikel 25 van de wet opgenomen mandaatverlening aan de Kamer van Koophandel gemandateerd.
Dit houdt in dat de Kamer van Koophandel namens die minister beslist op dergelijke verzoeken en ook de eventuele verdere bestuursrechtelijke afhandeling van deze besluiten verricht.
6 Artikel 16, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.
7 Zie ook Handboek Meting Regeldrukkosten, Den Haag 2017 (https://www.atr-regeldruk.nl/wathoe/meten-is-weten/).
8 Zie bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 35819, 3
9 Zie artikel 31, derde en vierde lid, van de richtlijn. Uit het zevende lid volgt bovendien dat de bevoegde autoriteiten en de FIU-Nederland in staat moeten worden gesteld om de informatie tijdig en kosteloos te verstrekken aan bevoegde autoriteiten en
FIUs van andere lidstaten.