email: info@emvoadvies.nl
zondag, 25 oktober 2026

Publicatiedatum: 29/07/2021

Categorie: Onroerende zaken

Hoge Raad

Aard: Conclusie AG

Nummer: ECLINLPHR2021634, 20/02285

Tarieftoepassing onroerendezaakbelasting leeg perceel


Bij de Hoge Raad is een zaak aanhangig over de heffing van onroerendezaakbelasting van een bouwperceel, waarop bouwkundige resten aanwezig zijn. Het geschil gaat over de vraag of een dergelijk perceel kan worden aangemerkt als een woning in aanbouw of een leegstaand object met woonbestemming. Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de toepassing van het tarief: het tarief voor woningen of het hogere tarief voor niet-woningen.

Op de waardepeildatum bevond zich op het perceel geen woning. Wel waren een oprit, erfafscheidingen en restanten van een fundering aanwezig. Ruim een jaar na de waardepeildatum werd een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis op het perceel. Met de bouw is pas na het verlenen van de vergunning begonnen. De gemeentelijke heffingsambtenaar hanteerde het tarief voor niet-woningen. De rechtbank en het hof oordeelden dat geen sprake was van een woning in aanbouw of van een leegstaand object met een woonbestemming. Dat betekende dat terecht het tarief voor niet-woningen was toegepast.

De A-G bij de Hoge Raad merkt in zijn conclusie op dat het bouwperceel op de waardepeildatum was aan te merken als een onbebouwde onroerende zaak met een woonbestemming. Het bouwperceel is volgens het spraakgebruik niet aan te merken als een ‘woning in aanbouw’. Dat zou in strijd zijn met eerdere jurisprudentie. Daarvoor is vereist dat de feitelijke werkzaamheden zijn begonnen die moeten leiden tot stichting van een woning. Een onbebouwd perceel kan evenmin worden aangemerkt als een leegstaand object met een woonbestemming. Daarvoor is de aanwezigheid van een opstal vereist, zo valt af te leiden uit de parlementaire geschiedenis.

De conclusie van de A-G is dat het beroep in cassatie van de belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.