email: info@emvoadvies.nl
zondag, 25 oktober 2026

Publicatiedatum: 29/07/2021

Categorie: Vennootschapsbelasting

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR20211152, 19/02596

Geen aftrek rente bij overnameholding


Voor de overname van een bv door enkele Franse investeringsfondsen werden een Nederlandse overnameholding met een dochter- en een kleindochtervennootschap opgericht. De Nederlandse overnameholding vormde een fiscale eenheid met de dochter- en kleindochtermaatschappij. De Franse investeringsfondsen stelden het voor de overname beschikbare vermogen aan de fiscale eenheid ter beschikking, deels in de vorm van eigen vermogen en deels in de vorm van vreemd vermogen. De overgenomen bv werd opgenomen in de fiscale eenheid. Daardoor kon de over het vreemde vermogen verschuldigde rente worden afgezet tegen de winst van de overgenomen bv.

Een kenmerk van deze Franse investeringsfondsen is dat zij in Frankrijk als fiscaal transparant worden aangemerkt. Daardoor werd de van de fiscale eenheid ontvangen rente niet in een zogenoemde compenserende belastingheffing betrokken. In navolging van Hof Amsterdam is de Hoge Raad van oordeel dat er, behoudens het fiscale gevolg, geen economisch relevant verschil bestaat tussen de overname met eigen vermogen en de overname waarbij eigen vermogen deels is omgezet in vreemd vermogen. De overname met tussenschakeling van Nederlandse tussenhoudsters en met een afgezien van het fiscale nutteloze leenverhouding is een gekunstelde constructie om belastingheffing te vermijden. Volgens hof en Hoge Raad is het in strijd met doel en strekking van de wet om de rente over het vreemde vermogen in aftrek toe te laten.

Voorafgaand aan de overname was door de oude aandeelhouder aan een groep werknemers van de overgenomen bv onder opschortende voorwaarden een bonus toegekend. Deze voorwaarden betroffen de overname en het nog in dienst zijn van de werknemers. De fiscale eenheid heeft in het jaar van de overname voor de bonussen een bedrag ten laste van de belastbare winst gebracht. De Hoge Raad is van oordeel dat de uitkering van de bonussen niet ten laste komt van de winst van de fiscale eenheid. Door de overname werd de fiscale eenheid met de oude aandeelhouder verbroken. Na de verbreking van de fiscale eenheid moest een vermogensopstelling van de overgenomen vennootschap worden opgesteld met inachtneming van goed koopmansgebruik en naar de toestand van het vermogen direct na de ontvoeging. De verplichting uit hoofde van de bonussen werd door de overname definitief. Dat betekent dat deze verplichting deel uitmaakte van het vermogen van de overgenomen vennootschap. De last van de bonussen hoort bij de oude aandeelhouder en kan niet bij de fiscale eenheid na de overname in aanmerking worden genomen.