email: info@emvoadvies.nl
donderdag, 18 juni 2026

Publicatiedatum: 26/08/2021

Categorie: Internationaal

Hof Amsterdam

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLGHAMS2021873, 19/00284

Werkzaamheden piloot in internationaal verkeer


In verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing wordt de heffingsbevoegdheid over inkomensbestanddelen die een inwoner van een van de bij het verdrag betrokken landen geniet uit het andere land verdeeld. De hoofdregel voor loon uit dienstbetrekking is dat de woonstaat heffingsbevoegd is, tenzij de dienstbetrekking in het andere land wordt uitgeoefend. De woonstaat is ten aanzien van een in het andere verdragsland uitgeoefende dienstbetrekking heffingsbevoegd als de werknemer niet meer dan 183 dagen in een kalenderjaar in het werkland verblijft en de beloning door een werkgever wordt betaald die niet in de werkstaat woont of is gevestigd. Wordt de dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, dan is de beloning belastbaar in de woonstaat van de werknemer.

In een procedure over de belastingheffing van een in Nederland wonende piloot in dienst van een Franse luchtvaartmaatschappij oordeelde de rechtbank dat de piloot geen recht had op aftrek elders belast voor de dagen waarop de piloot binnenlandse vluchten in Frankrijk uitvoerde. De rechtbank verwees naar de bepaling in de Wet IB 2001 waarin een omschrijving is gegeven van vervoer in internationaal verkeer. Volgens deze bepaling is internationaal verkeer het vervoer van personen en zaken tussen plaatsen buiten Nederland en plaatsen in Nederland en tussen plaatsen buiten Nederland onderling. De rechtbank merkte de in Frankrijk gewerkte dagen aan als gemaakt in het kader van de dienstbetrekking in het internationaal verkeer.

Volgens Hof Amsterdam hebben partijen terecht geconstateerd dat het verdrag met Frankrijk geen definitie bevat van internationaal verkeer. Een niet in het verdrag omschreven uitdrukking heeft de betekenis die er in de nationale wetgeving aan gegeven wordt. Omdat de procedure de toepassing van de Nederlandse inkomstenbelasting betrof, ging het om de uitleg volgens de Nederlandse en niet volgens de Franse wetgeving. Het hof nam niet de uitleg van de rechtbank over. De bepaling in de Wet IB 2001 waarnaar de rechtbank verwees is volgens het hof niet meer dan een aanknopingspunt voor de mogelijke interpretatie van het begrip internationaal verkeer. De gangbare betekenis van het woord internationaal is volgens het hof tussen verschillende naties. Een vlucht binnen de grenzen van één land vindt niet plaats in het internationale verkeer. Het heffingsrecht over het inkomen dat aan werkdagen met enkel binnenlandse vluchten kan worden toegerekend kwam toe aan Frankrijk. Nederland dient daarom een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. De overige werkdagen op Frans grondgebied waren van ondersteunende aard en hielden zowel verband met het internationale verkeer als met de binnenlandse vluchten. Het hof rekende deze dagen naar rato toe aan het internationale en het nationale verkeer. 

De piloot had in totaal 105 dagen gewerkt. Van dat aantal hadden 72 dagen betrekking op het internationale vliegverkeer. Op zes dagen werd uitsluitend binnenlands gevlogen. Van de overige 27 werkdagen werden er twee (6/(72+6) x 27) toegerekend aan het binnenlandse verkeer en 25 aan het internationale verkeer. De piloot had voor acht dagen recht op een door Nederland te verlenen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.