ECLINLHR20211271
Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-09-2021
Datum publicatie 17-09-2021
Zaaknummer 18/01495 bis
Formele relaties In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:605
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:EU:C:2021:435
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Cassatie
Inhoudsindicatie Douanerechten; artt. 103 en 124 van het DWU; overgang van CDW naar DWU; na 1 mei 2016 navorderen van rechten bij invoer ter zake van een douaneschuld die onder de werking van het CDW is ontstaan; eindarrest na HvJ 3 juni
2021, Jumbocarry Trading GmbH, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:120.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/01495bis
Datum 17 september 2021
ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen JUMBOCARRY TRADING GMBH te [Z], Duitsland, (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2018, nr. 17/00489, na beantwoording
van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1De loop van het geding in cassatie tot dusver
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:111, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht
een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 3 juni 2021, Jumbocarry Trading GmbH, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:435, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“Artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, moeten, gelezen in het licht van de beginselen
van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
2Nadere beoordeling van het middel
2.1
Het middel slaagt. De douaneschuld van belanghebbende is ontstaan vóór 1 mei 2016, de datum van inwerkingtreding van het Douanewetboek van de Unie (hierna: het DWU), en was op die datum nog niet verjaard. Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van
het Hof van Justitie volgt daarom dat artikel 103, lid 3, letter b, en artikel 124, lid 1, letter a, DWU van toepassing zijn op deze douaneschuld. Verder volgt uit het arrest van het Hof van Justitie dat de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van
het gewettigd vertrouwen aan die toepassing niet in de weg staan. Het andersluidende oordeel van het Hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Toepassing van de hiervoor in 2.1 vermelde bepalingen van het DWU brengt mee dat de uitnodiging tot betaling tijdig is uitgereikt.
Het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en
- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, de vice-president M.E. van Hilten, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken
op 17 september 2021.
ECLI:NL:GHAMS:2018:605
Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-02-2018
Datum publicatie 18-04-2018
Zaaknummer 17/00489
Formele relaties Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:111
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1271
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Douane; is utb tijdig uitgereikt? mist artikel 221, lid 3, van het CDW of artikel 124, lid 1, aanhef en onder a DWU toepassing?; CDW vs. DWU; materiële voorschriften vs. procedurevoorschriften; invloed van nieuwe regelgeving
op bestaande situaties, tegen de achtergrond van algemene beginselen van het unierecht; verwijzing naar arrest HvJ Molenbergnatie NV; mogelijkheid van aantasting rechtspositie belanghebbende; datum van publiceren DWU in Publicatieblad
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-04-2018
FutD 2018-1147
DouaneUpdate 2018-0173
NTFR 2018/1297 met annotatie van mr. G. van Dam
Viditax (FutD), 22-03-2019
Viditax (FutD), 24-01-2020
NLF 2018/0945 met annotatie van
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Kenmerk 17/00489
27 februari 2018
uitspraak van de meervoudige douanekamer op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur, tegen de uitspraak van 22 augustus 2017 in de zaak met kenmerk HAA 17/211 van de Rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: mr. C.H. Bouwmeester en de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 18 juli 2016 en met aanslagnummer [1] , een (verzamel)uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een totaalbedrag aan douanerechten van € 160.127,28.
1.2.
Het tegen voormelde utb gemaakte bezwaar heeft de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. De inspecteur heeft de utb verminderd met € 1.029,36 tot € 159.097,92.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 22 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de utb verminderd met € 6.834,72 (€ 1.029,36 + €
5.805,36), de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 990 en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 te vergoeden.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, ingekomen bij het Hof op 29 september 2017.
1.5.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’).
“1. Op 4 juli 2013 deed eiseres, direct vertegenwoordigd door [A] , onder nummer [2] , aangifte voor het vrije verkeer van een partij goederen van porselein van GS-post 6911, van oorsprong uit Bangladesh. Onder overlegging van een Form A deed eiseres een
beroep op toepassing van het preferentiële tarief van 0%.
2. Op 1 juni 2016 informeerde verweerder eiseres dat hij voornemens was een utb op te leggen omdat naar de mening van verweerder voor de goederen van de onderhavige aangifte ten onrechte het preferentiële tarief van 0% was toegepast en in plaats daarvan
het normale tarief van 12% had moeten worden toegepast.
3. Het aldus verschuldigde bedrag van € 5.805,36 zou met nog 25 douaneschulden worden opgenomen in een utb.
4. Op 18 juli 2016 zond verweerder vervolgens de utb toe.”
2.2.
Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3Geschil in hoger beroep
3.1.
Tussen partijen is in geschil of de utb tijdig is uitgereikt, voor zover daarin een bedrag aan douanerechten van € 5.805,36 is begrepen, welk bedrag is nagevorderd op aangifte NL [2] d.d. 4 juli 2013.
3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.
4Wettelijk kader
4.1.
Ten tijde van de aanvaarding van de aangifte luidden de artikelen 201, 221 en 233 van het CDW, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 201
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a. wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, (...)
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.
(...)
Artikel 221, derde lid
De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.
Artikel 233
Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van de douaneschuld (...) gaat de douaneschuld teniet: (...)
4.2.
Met ingang van 1 mei 2016 zijn onder meer de artikelen 22, 29, 103 en 124 van het Douanewetboek van de Unie (DWU) van toepassing geworden, waarin voor zover hier van belang het volgende is opgenomen:
Artikel 22
Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
(...)
6. Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen
een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking.
(...)
Artikel 29
Beschikkingen zonder voorafgaande aanvraag
Tenzij de douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit optreedt, gelden de leden 4, 5, 6 en 7 van artikel 22 (...) ook voor beschikkingen van de douaneautoriteiten zonder voorafgaande aanvraag van de belanghebbende.
Artikel 103
Verjaringstermijnen van de douaneschuld
1. De mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar vindt plaats binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.
(...)
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde perioden worden opgeschort, indien:
a. Overeenkomstig artikel 44 beroep wordt ingesteld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld en loopt voor de duur van de beroepsprocedure; of
b. De douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 22, lid 6, hebben medegedeeld op welke gronden zij voornemens zijn mededeling te doen van de douaneschuld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum van die mededeling tot het einde
van de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.
(...)
Artikel 124
Tenietgaan
1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer
of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
a. a) de douaneschuld kan overeenkomstig artikel 103 niet meer aan de schuldenaar worden meegedeeld; (…)
5Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen en geoordeeld:
“12 In zijn arrest van 23 februari 2006, nr. C-201/04 (Molenbergnatie NV) oordeelde het Hof van Justitie als volgt over de toepassing van artikel 221, derde lid, van het CDW:
“31 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans worden geacht niet te gelden
met betrekking tot vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities [zie met name arrest Salumi e.a., reeds aangehaald, punt 9, en arresten van 6 juli 1993, CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie, C-121/91 en C-122/91. Jurispr. blz. 1-3873,
punt 22; 7 september 1999, De Haan, C-61/98, Jurispr. blz. 1-5003, punt 13, en 14 november 2002, Ilumitrónica, Jurispr. blz. 1-10433, punt 29].
(...)
34 Derhalve dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de materiële regels en de procedureregels. Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om op de aan de douaneschulden ten grondslag liggende feiten van het hoofdgeding die zich vóór de datum van
de inwerkingtreding van het wetboek hebben voorgedaan, enerzijds de materiële voorschriften van de vóór deze datum geldende regeling en anderzijds de procedurevoorschriften van het douanewetboek toe te passen (zie in die zin arrest De Haan, reeds aangehaald,
punt 14, en arrest van 13 maart 2003, Nederland/Commissie. C-156/00, Jurispr. blz. 1-2527, punten 35 en 36).
35 Voor zover de vraag van de verwijzende rechter in hoofdzaak betrekking heeft op artikel 221 van het douanewetboek, dient thans te worden uitgemaakt of de bepalingen van dit artikel naar de aard ervan materiële regels of procedureregels zijn.
36 Vaststaat dat de leden 1 en 2 van dit artikel louter procedureregels bevatten.
37 De draagwijdte en dus de aard van de in artikel 221, lid 3, neergelegde regel is het specifieke onderwerp van de derde vraag van de verwijzende rechter. Deze laatste wenst te vernemen welke gevolgen zijn verbonden aan een te late mededeling van het bedrag
van de rechten aan de schuldenaar, te weten een mededeling na het verstrijken van de termijn van drie jaar van deze bepaling, die in wezen de inhoud van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 heeft overgenomen (zie in die zin arrest Nederland/Commissie,
reeds aangehaald, punt 6).
38 In dit verband betogen de Belgische regering, de expediteur en de Commissie dat de mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar na het verstrijken van de termijn van drie jaar, of dit nu onder vigeur van het douanewetboek dan wel onder
vigeur van de daarvóór toepasselijke teksten is geschied, meebrengt dat de schuld niet meer kan worden ingevorderd. Volgens hen heeft dit evenwel niet tot gevolg dat de schuld tenietgaat.
39 Niet kan worden betwist dat het verstrijken van de termijn van drie jaar waarover de douaneautoriteiten volgens artikel 221, lid 3, van het douanewetboek beschikken om het bedrag van de douaneschuld aan de schuldenaar mee te delen, eraan in de weg staat
dat deze autoriteiten de betrokken schuld invorderen, behoudens indien de douaneautoriteiten ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen. Deze bepaling bevat
evenwel tegelijkertijd een regel betreffende de douaneschuld zelf, namelijk een regel van verjaring van deze schuld.
40 Bovendien is in artikel 233 van het douanewetboek gepreciseerd dat de sub a tot en met d in dit artikel opgenomen lijst van de verschillende gronden van tenietgaan van een douaneschuld, is vastgesteld onverminderd met name de bepalingen inzake de verjaring
van de douaneschuld (zie in die zin arrest van 14 november 2002, SPKR, C-112/01, Jurispr. blz. 1-10655, punten 30 en 31).
41 Bijgevolg moet worden aangenomen dat, voor zover de schuld bij het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek gestelde termijn is verjaard en dus is tenietgegaan, deze bepaling een materiële regel bevat.
42 Gelet op een en ander dienen de eerste en de derde vraag als volgt te worden beantwoord:
- Alleen de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 van het douanewetboek zijn van toepassing op de na 1 januari 1994 aangevatte invordering van een douaneschuld die véér deze datum is ontstaan.
- Bij het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek gestelde termijn verjaart de actie tot invordering van de douaneschuld, onverminderd de in dit artikel vastgestelde uitzondering, hetgeen gelijkstaat met de verjaring en dus met het
tenietgaan van de schuld zelf. Gelet op deze aldus geformuleerde regel dient artikel 221, lid 3, anders dan de leden 1 en 2 van dit artikel, als een materiële bepaling te worden aangemerkt, en kan het derhalve niet worden toegepast op de invordering van een
douaneschuld die voor 1 januari 1994 is ontstaan. Wanneer de douaneschuld vóór 1 januari 1994 is ontstaan, kan zij alleen onder de op dat tijdstip geldende verjaringsregels vallen, ook al is de procedure tot invordering van de schuld na 1 januari 1994 aangevat.”
13. De rechtbank acht het standpunt van partijen juist dat op de onderhavige douaneschuld de navorderingstermijn van artikel 221, derde lid, van het CDW van toepassing is. Bij het verstrijken van die termijn verjaart de actie tot invordering van de douaneschuld,
hetgeen gelijkstaat met de verjaring en dus met het tenietgaan van de schuld zelf (vgl. arrest Molenbergnatie, r.o. 42).
14. Of de termijn van artikel 221, derde lid, van het CDW kan worden opgeschort door toepassing van artikel 103, derde lid, aanhef en onder b, van het DWU, hangt af van beantwoording van de vraag of artikel 103, derde lid, aanhef en onder b, van het DWU
een procedureregel is of een materiële regel.
15. De rechtbank is van oordeel dat een regel van de opschorting van de verjaring een verjaringsregel is en daarmee een regel is over de douaneschuld zelf. Hieruit volgt dat een regel van de opschorting van de verjaring als materiële regel moet worden aangemerkt.
16. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie gelden materiële regels met het oog op de inachtneming van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel ten aanzien van vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities slechts voor zover
dit blijkt uit de bewoording, de doelstellingen of de opzet van die regels (Hof van Justitie, 14 februari 2012, C-17/10 (Toshiba e.a.), r.o. 51). Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewoording, het doel en de opzet van art. 103, derde lid, van het
DWU, niet worden afgeleid dat deze bepaling met terugwerkende kracht moet worden toegepast.
17. Dit betekent dat de verjaringstermijn van de onderhavige douaneschuld niet kan worden opgeschort met toepassing van art. 103, derde lid, aanhef en onder b, van het DWU.
Verweerder heeft de utb voor wat betreft de onderhavige douaneschuld aan eiseres verzonden na afloop van de daarvoor op grond van artikel 221, derde lid, van het CDW geldende termijn, waardoor deze in zoverre niet in stand kan blijven.
18. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.”
6Beoordeling van het geschil in hoger beroep
6.1.
Tussen partijen is in geschil of de utb met dagtekening 18 juli 2016 tijdig is uitgereikt voor zover daarin een bedrag aan douanerechten van € 5.805,36 is begrepen, welk bedrag is nagevorderd op aangifte [2] d.d. 4 juli 2013. Belanghebbende stelt zich op
het standpunt dat genoemde douaneschuld teniet is gegaan op grond van het bepaalde in artikel 221, lid 3 van het CDW. De inspecteur betoogt dat artikel 221, lid 3, van het CDW toepassing mist en dat de douaneschuld, gelet op het bepaalde in het Douanewetboek
van de Unie (hierna: DWU), tijdig aan belanghebbende is meegedeeld en daarom niet door verjaring teniet is gegaan.
6.2.
Het Hof stelt voorop dat het in hoger beroep ingenomen standpunt van de inspecteur, dat uit artikel 288 van het DWU volgt dat alle bepalingen van het DWU onmiddellijke werking hebben, dient te worden verworpen. In genoemd artikel is enkel de datum bepaald
waarop het DWU van toepassing wordt; hierin valt geen regel van overgangsrecht te lezen.
6.3.
De rechtbank heeft met juistheid als uitgangspunt genomen dat op situaties (waaronder belastbare feiten) die zich vóór het van toepassing worden van het DWU (op 1 mei 2016) hebben voorgedaan, in het algemeen de materiële voorschriften van het CDW van toepassing
zijn, terwijl doorgaans de procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn (vgl. HvJ 23 februari 2006, nr. C-201/04, Molenbergnatie NV, (hierna: arrest Molenbergnatie), punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
6.4.
Het tenietgaan van een de douaneschuld door verjaring is met ingang van 1 mei 2016 wettelijk geregeld in artikel 124, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU:
“1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer
of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
a) de douaneschuld kan overeenkomstig artikel 103 niet meer aan de schuldenaar worden meegedeeld;
(...)”
6.5.
Uit punt 41 van het arrest Molenbergnatie blijkt dat een bepaling inzake het tenietgaan van de douaneschuld een materieel voorschrift is. Hieruit volgt dat artikel 124, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU in beginsel geen toepassing kan vinden op de onderwerpelijke
douaneschuld, nu deze is ontstaan vóór het van toepassing worden van artikel 124 van het DWU.
6.6.
In specifieke gevallen kan een regel van materieel recht ook worden toegepast op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties. Dit is slechts mogelijk voorzover er blijkens de bewoordingen, de doelstellingen of de opzet ervan zulke gevolgen aan de
desbetreffende bepaling dienen te worden toegekend (vgl. HvJ 9 maart 2006, C-293/04, Beemsterboer Coldstore Services BV, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna ook: arrest Beemsterboer). In artikel 124, lid 1, aanhef en onder a wordt, voor het tenietgaan
van een douaneschuld door verjaring, aansluiting gezocht bij de in artikel 103 van het DWU vervatte procedurele voorschriften inzake de mededeling van de douaneschuld aan de schuldenaar. Door deze opzet wordt bewerkstelligd dat een douaneschuld tenietgaat
op hetzelfde moment waarop deze douaneschuld niet meer met inachtneming van de procedurevoorschriften van artikel 103 DWU (d.w.z. binnen drie jaar, eventueel rekening houdend met een schorsing van 30 dagen) aan de schuldenaar kan worden meegedeeld. Uit genoemde
opzet volgt dat artikel 124, lid 1, aanhef en onder a DWU, ook dient te worden toegepast op douaneschulden die zijn ontstaan onder de werking van het CDW, omdat zich anders situaties kunnen voordoen waarin de douaneschuld nog tijdig kan worden meegedeeld op
de voet van artikel 103 DWU, maar diezelfde douaneschuld reeds is tenietgegaan op grond van artikel 221, lid 3 CDW. Daarbij heeft evenwel te gelden dat de aldus aan artikel 124, lid 1, aanhef en onder a DWU toegekende werking geen afbreuk mag doen aan de eerbiediging
van algemene beginselen van het unierecht, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, die eisen dat de uniewetgeving voor justitiabelen duidelijk en voorzienbaar is (vgl. arrest Beemsterboer, punt 24). Ter zake heeft het volgende te
gelden.
6.7.
De onderwerpelijke douaneschuld is ontstaan op 4 juli 2013. De douaneschuld is destijds niet geboekt, noch aan belanghebbende meegedeeld. De inspecteur beschikte – naar tussen partijen niet in geschil is – op genoemde datum over een termijn van drie jaar
om de douaneschuld (alsnog) aan belanghebbende mee te delen. Enerzijds zou kunnen worden verdedigd dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel er niet aan in de weg staan dat met ingang van 1 mei 2016 ten aanzien van voormelde douaneschuld
de nieuwe bepaling omtrent het tenietgaan door verjaring (artikel 124, lid 1, aanhef en onder a DWU) van toepassing is, inclusief de daarin begrepen schorsing van de mededelingstermijn voor een periode van 30 dagen indien de voorprocedure van artikel 22, lid
6, DWU wordt gevolgd. Hiervoor pleit dat de lopende verjaringstermijn bij het van toepassing worden van het DWU (1 mei 2016) nog niet was verstreken zodat verdedigd kan worden dat geen sprake is van een met het rechtszekerheidsbeginsel strijdig geval dat reeds
verjaarde schulden met terugwerkende kracht alsnog invorderbaar worden. Anderzijds kan worden betoogd dat de in artikel 221, lid 3, CDW voorziene termijn voor het tenietgaan van de douaneschuld (drie jaar, zonder mogelijkheid van schorsing voor een periode
van 30 dagen) onderdeel uitmaakt van de op 4 juli 2013 door belanghebbende – als gevolg van haar aangifte – verworven rechtspositie en dat de toepassing van artikel 124, lid 1, aanhef en onder a DWU een aantasting van deze rechtspositie met zich zou brengen.
Naar ’s Hofs oordeel is de laatstgenoemde opvatting juist. Bij toepassing van artikel 124, lid 1, aanhef en onder a DWU kan belanghebbende – zoals in het onderwerpelijke geval – worden geconfronteerd met een daadwerkelijke verjaringstermijn van drie jaar en
30 dagen, in plaats van de oorspronkelijke verjaringstermijn van drie jaar. Het DWU is gepubliceerd in het Publicatieblad L 269 van 10 oktober 2013. Op het moment van het ontstaan van de douaneschuld (4 juli 2013) was derhalve voor belanghebbende niet duidelijk
en voorzienbaar dat zij geconfronteerd kon worden met een opschorting van de verjaringstermijn met een periode van 30 dagen. Artikel 124, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU kan daarom geen toepassing vinden op de onderwerpelijke douaneschuld.
6.8.
Gelet op het vorenoverwogene is de in geschil zijnde douaneschuld door verjaring teniet gegaan.
Slotsom
6.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
7Kosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht
(het Besluit).
Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig
het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (verweerschrift en verschijnen ter zitting) x € 501 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.503.
8Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.503; en
- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 501.
Aldus gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter van de douanekamer, C.J. Hummel en A. Bijlsma, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 27 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.
ECLI:EU:C:2021:435
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
3 juni 2021 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Douanewetboek van de Unie – Artikel 22, lid 6, eerste alinea, juncto artikel 29 – Mededeling van gronden aan de betrokkene voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven – Artikel 103,
lid 1, en artikel 103, lid 3, onder b) – Verjaring van de douaneschuld – Termijn voor de mededeling van de douaneschuld – Opschorting van de termijn – Artikel 124, lid 1, onder a) – Tenietgaan van de douaneschuld in geval van verjaring – Toepassing in de tijd
van de bepaling betreffende de oorzaken van de opschorting – Beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen”
In zaak C‑39/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 24 januari 2020, ingekomen bij het Hof op 27 januari 2020, in de procedure
Staatssecretaris van Financiën tegen Jumbocarry Trading GmbH,
Wijst HET HOF (Vijfde kamer), samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), E. Juhász, C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters, advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona, griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Jumbocarry Trading GmbH, vertegenwoordigd door C. H. Bouwmeester en E. M. van Doornik, belastingadviseurs,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door R. van de Westelaken en M. Peternel als gemachtigden,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Sikora-Kalėda en S. Emmerechts als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en F. Clotuche-Duvieusart als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 februari 2021, het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het
douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90) (hierna: „douanewetboek van de Unie”).
2 Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën en Jumbocarry Trading GmbH (hierna: „Jumbocarry”) betreffende een uitnodiging tot betaling van douanerechten ter zake van een in de Europese Unie ingevoerde
partij goederen die niet in aanmerking bleek te komen voor een preferentieel douanerecht van 0 %.
Toepasselijke bepalingen
Communautair douanewetboek
3 Artikel 221 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad
van 16 november 2000 (PB 2000, L 311, blz. 17) (hierna: „communautair douanewetboek”), bepaalde:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.”
4 Artikel 243, lid 1, eerste alinea, van dit wetboek luidde:
„Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.”
Douanewetboek van de Unie
5 Het douanewetboek van de Unie, dat overeenkomstig artikel 287 ervan op 30 oktober 2013 in werking is getreden, heeft het communautair douanewetboek ingetrokken. Op grond van artikel 288, lid 2, van het douanewetboek van de Unie zijn veel van de
bepalingen van dit laatste wetboek, met name de artikelen 22, 29, 103, 104 en 124, echter pas met ingang van 1 mei 2016 van toepassing geworden.
6 Artikel 22 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift „Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen”, bepaalt in lid 6, eerste alinea:
„Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen
een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking.”
7 Artikel 29 van dit wetboek, met als opschrift „Beschikkingen zonder voorafgaande aanvraag” bepaalt:
„Tenzij een douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit optreedt, gelden de leden 4, 5, 6 en 7 van artikel 22, en lid 3 van artikel 23, evenals de artikelen 26, 27 en 28 ook voor beschikkingen van de douaneautoriteiten zonder voorafgaande aanvraag van
de belanghebbende.”
8 Artikel 103 van voornoemd wetboek, met als opschrift „Verjaringstermijnen van de douaneschuld”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
„1. De mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar vindt plaats binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.
2. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn van drie jaar in overeenstemming met het nationaal recht verlengd tot minimaal
vijf en maximaal 10 jaar.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde perioden worden opgeschort, indien:
a) overeenkomstig artikel 44 beroep wordt ingesteld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld en loopt voor de duur van de beroepsprocedure; of
b) de douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 22, lid 6, hebben medegedeeld op welke gronden zij voornemens zijn mededeling te doen van de douaneschuld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum van die mededeling tot het
einde van de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.”
9 Artikel 104 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift „Boeking”, bepaalt in lid 2:
„De douaneautoriteiten behoeven geen bedragen aan invoer- of uitvoerrechten te boeken die overeenkomstig artikel 103 overeenkomen met een douaneschuld waarvan geen mededeling aan de schuldenaar meer kon worden gedaan.”
10 Artikel 124 van die verordening, met als opschrift „Tenietgaan”, bepaalt in lid 1:
„Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer
of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
a) de douaneschuld kan overeenkomstig artikel 103 niet meer aan de schuldenaar worden medegedeeld;
[...]”
Gedelegeerde verordening 2015/2446
11 Artikel 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening nr. 952/2013 met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1), dat
betrekking heeft op artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie en als opschrift „Termijn voor het recht om te worden gehoord” heeft, bepaalt in lid 1:
„De termijn waarbinnen de aanvrager zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven, bedraagt 30 dagen.”
12 Deze gedelegeerde verordening, die op 18 januari 2016 in werking is getreden, is overeenkomstig artikel 256 ervan met ingang van 1 mei 2016 van toepassing geworden.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 Op 4 juli 2013 heeft Jumbocarry aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van een partij porseleingoed, met vermelding van Bangladesh als land van oorsprong. Overeenkomstig de toen geldende regeling werden deze goederen met toepassing
van een preferentieel douanerecht van 0 % in het vrije verkeer gebracht.
14 Nadat bij controles was vastgesteld dat het certificaat van oorsprong een vervalsing was, heeft de bevoegde douaneautoriteit Jumbocarry, bij brief van 1 juni 2016, overeenkomstig artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het douanewetboek van de Unie
meegedeeld dat er een douaneschuld tegen het normale tarief van 12 % was ontstaan en dat zij voornemens was om de overeenkomstige douanerechten in te vorderen. In dezelfde brief gaf zij aan dat Jumbocarry op grond van artikel 8 van gedelegeerde verordening
2015/2446 over een termijn van 30 dagen beschikte om haar standpunt dienaangaande kenbaar te maken.
15 Op 18 juli 2016 is de douaneschuld, die op 4 juli 2013 was ontstaan, door middel van een uitnodiging tot betaling aan Jumbocarry medegedeeld.
16 Jumbocarry tekende bezwaar aan tegen deze uitnodiging tot betaling, daar zij van mening was dat de douaneschuld op de datum waarop die uitnodiging aan haar was meegedeeld reeds was verjaard. Aangezien de bevoegde douaneautoriteit haar bezwaar tegen
die uitnodiging slechts gedeeltelijk toewees, stelde Jumbocarry beroep in bij de rechtbank Noord-Holland (Nederland). Nadat die rechtbank dat beroep gegrond had verklaard en het gerechtshof Amsterdam (Nederland) die beslissing van de rechtbank bij arrest van
27 februari 2018 had bevestigd, heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
17 De verwijzende rechter heeft twijfels over de werking in de tijd van de invoering van artikel 22, lid 6, junctis artikel 29 en artikel 104, lid 2, van het douanewetboek van de Unie, en van artikel 124, lid 1, onder a), juncto artikel 103, lid 3,
van datzelfde wetboek, en vraagt zich met name af of het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze bepalingen valt.
18 Dienaangaande merkt hij op dat voornoemde bepalingen, die met name voorzien in de opschorting van de verjaringstermijn in geval van mededeling van gronden, niet van kracht waren ten tijde van het ontstaan van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde
douaneschuld. Hij voegt daaraan toe dat de destijds geldende, aan het communautair douanewetboek ontleende rechtsregeling niet in een dergelijke opschorting voorzag. Het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld op de datum waarop de nieuwe
rechtsregeling van toepassing werd, te weten 1 mei 2016, nog niet was verjaard, zou voor de beantwoording van deze vragen relevant kunnen blijken. De toepassing van deze nieuwe regeling in het hoofdgeding zou evenwel kunnen indruisen tegen de beginselen van
rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen.
19 Volgens de verwijzende rechter is uit de rechtspraak van het Hof niet zonder redelijke twijfel af te leiden of een bepaling die, zoals artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, voorziet in de opschorting van een verjaringstermijn, als
een materiële regel dan wel als een procedurele regel moet worden aangemerkt. Voor het geval dat het om een materiële regel zou gaan, is deze rechter van oordeel dat artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek van toepassing blijft op een douaneschuld
die vóór 1 mei 2016 is ontstaan, zodat een dergelijke schuld verjaart na het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf het ontstaan ervan.
20 Voorts zou kunnen worden betoogd dat de toepassing van artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie op invorderingsprocedures die op of na 1 mei 2016 zijn ingeleid, losstaat van de regels inzake de verjaring van de douaneschuld. Hoewel de
douaneautoriteiten sinds 1 mei 2016 verplicht zijn om in alle invorderingsgevallen artikel 22, lid 6, van dat wetboek na te leven, hoeft dit er volgens deze zienswijze niet noodzakelijkerwijs toe te leiden dat artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek
van de Unie in alle gevallen van toepassing is. In casu zou hieruit volgen dat, aangezien de douaneautoriteiten artikel 22, lid 6, van dat wetboek moesten naleven en artikel 103, lid 3, van dat wetboek niet van toepassing was, de bevoegde douaneautoriteit
de douaneschuld op 18 juli 2016 niet meer kon meedelen.
21 Anderzijds zou volgens de verwijzende rechter ook kunnen worden geargumenteerd dat met de invoering van artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie werd beoogd artikel 22, lid 6, artikel 103, lid 3, onder b), artikel 104, lid 2, en artikel 124,
lid 1, onder a), van dat wetboek, gelet op hun onderlinge samenhang, op dezelfde datum van toepassing te doen worden, namelijk op 1 mei 2016. Dan hadden de douaneautoriteiten dus op grond van artikel 104, lid 2, van dat douanewetboek vanaf die datum bij het
boeken van met een douaneschuld overeenkomende bedragen, artikel 103 van dat wetboek moeten toepassen.
22 Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Zijn artikel 103, lid 3, aanhef en letter b, en artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, van het DWU van toepassing op een douaneschuld die voor 1 mei 2016 is ontstaan en waarvan de verjaringstermijn op die datum nog niet is geëxpireerd?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, staat het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel dan in de weg aan deze toepassing?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
23 Met zijn twee vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus te vernemen of artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van het douanewetboek van de Unie, gelezen in het licht van de beginselen
van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.
24 Om te beginnen blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld is ontstaan op 4 juli 2013, de datum waarop Jumbocarry met het oog op het in het vrije verkeer brengen van een partij goederen een certificaat
van oorsprong heeft overgelegd dat naderhand een vervalsing bleek te zijn.
25 In dit verband heeft de bevoegde douaneautoriteit, op grond van artikel 22, lid 6, juncto artikel 29 van het douanewetboek van de Unie, Jumbocarry allereerst meegedeeld op welke gronden zij voornemens was haar een uitnodiging tot betaling te doen
toekomen, en haar in de gelegenheid gesteld om binnen de in artikel 8 van gedelegeerde verordening 2015/2446 gestelde termijn van dertig dagen haar standpunt kenbaar te maken. Deze mededeling vond plaats op 1 juni 2016, dat wil zeggen na de intrekking van
het communautair douanewetboek door het douanewetboek van de Unie op 1 mei 2016, maar in elk geval vóór het verstrijken, op 4 juli 2016, van de in artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.
26 Vervolgens heeft de bevoegde douaneautoriteit op 18 juli 2016 de douaneschuld meegedeeld, waarbij zij zich baseerde op het feit dat de in artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie bedoelde mededeling overeenkomstig artikel 103, lid 3,
onder b), van dat wetboek tot gevolg had dat de verjaringstermijn van drie jaar werd opgeschort tot het verstrijken van de termijn waarover Jumbocarry beschikte om haar standpunt kenbaar te maken.
27 De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie in casu moest worden toegepast, en zo ja, of de opschorting van de verjaringstermijn in overeenstemming was met de beginselen van rechtszekerheid
en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien het communautair douanewetboek, dat ten tijde van het ontstaan van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld van kracht was, niet voorzag in een dergelijke opschorting van de verjaringstermijn.
28 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de dag waarop zij in werking treden, in tegenstelling tot de materiële regels, die doorgaans aldus worden
uitgelegd dat zij op rechtsposities die vóór hun inwerkingtreding zijn verworven, slechts van toepassing zijn voor zover uit hun bewoordingen, doelstelling of opzet blijkt dat er dergelijke gevolgen aan dienen te worden toegekend (arrest van 7 november 2018,
O’Brien, C‑432/17, EU:C:2018:879, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Hieraan moet worden toegevoegd dat een nieuwe rechtsregel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij is ingevoerd, en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtsposities die zijn ontstaan en definitief
zijn verworven vóór die inwerkingtreding, maar wel onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van een onder vigeur van de oude wettelijke regeling ontstane situatie en op nieuwe rechtsposities. Dit ligt – onder voorbehoud van het beginsel dat
rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben – alleen anders wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de voorwaarden voor de toepassing ervan in de tijd vastleggen (arrest van 7 november 2018, O’Brien, C‑432/17, EU:C:2018:879,
punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Wat ten eerste de thans in artikel 29 van het douanewetboek van de Unie juncto artikel 22, lid 6, van dit wetboek neergelegde verplichting tot voorafgaande mededeling betreft, moet worden vastgesteld dat het hierbij gaat om een procedureregel ter
uitvoering van het recht van de betrokkene om te worden gehoord voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven.
31 Volgens vaste rechtspraak vormt de eerbiediging van de rechten van de verdediging namelijk een fundamenteel beginsel van het Unierecht waarvan het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt. Dat beginsel, dat van toepassing
is wanneer de administratieve overheid voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen, vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt
kenbaar te maken over de elementen waarop de administratieve overheid haar besluit wil baseren (arrest van 20 december 2017, Prequ’ Italia, C‑276/16, EU:C:2017:1010, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bepaling van de wijze waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten met het oog op de stuiting van de verjaring plaatsvindt, een procedurevoorschrift vormt (zie in die zin arrest
van 10 juli 2019, CEVA Freight Holland, C‑249/18, EU:C:2019:587, punt 46).
33 Derhalve moet worden aangenomen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vanaf 1 mei 2016, de datum waarop artikel 22, lid 6, en artikel 29 van het douanewetboek van de Unie van toepassing zijn geworden, moesten voldoen aan de in die bepalingen
neergelegde verplichting tot voorafgaande mededeling, zoals in het hoofdgeding het geval was.
34 Wat ten tweede de opschorting betreft van de verjaringstermijn van drie jaar die is neergelegd in artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie, zij eraan herinnerd dat deze bepaling tot gevolg heeft dat, in geval van mededeling
van gronden overeenkomstig artikel 22, lid 6, van dat wetboek, de verjaringstermijn wordt verlengd met de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, welke periode overeenkomstig artikel 8, lid 1, van
gedelegeerde verordening 2015/2446 dertig dagen bedraagt.
35 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof heeft vastgesteld dat artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek, voor zover het bepaalt dat een douaneschuld verjaart bij het verstrijken van de in deze bepaling gestelde termijn van drie
jaar, een materiële regel bevat (zie in die zin arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, EU:C:2006:136, punt 41). Deze vaststelling geldt ook voor artikel 103, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, aangezien de bewoordingen en de strekking
van deze bepaling in wezen identiek zijn aan die van de eerstgenoemde bepaling. Ook artikel 103, lid 3, onder b), van voornoemd wetboek, dat bepaalt dat indien de in artikel 22, lid 6, van het wetboek bedoelde mededeling van gronden heeft plaatsgevonden de
verjaringstermijn voor douaneschulden wordt opgeschort, moet dus worden geacht een materiële regel te bevatten.
36 Bijgevolg kan, zoals blijkt uit de in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie niet worden toegepast op rechtsposities die onder vigeur van het communautair
douanewetboek zijn ontstaan en definitief zijn verworven, tenzij uit de bewoordingen, het doel of de opzet van het douanewetboek van de Unie duidelijk blijkt dat het de bedoeling was dat deze bepaling onmiddellijk op dergelijke situaties van toepassing zou
zijn.
37 In casu blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest dat op de datum waarop artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie van toepassing is geworden, te weten 1 mei 2016, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld nog
niet was verjaard of tenietgegaan.
38 Geconcludeerd moet dus worden dat de rechtspositie van Jumbocarry met betrekking tot de verjaring van haar douaneschuld op die datum nog niet definitief was verworven, niettegenstaande het feit dat die schuld was ontstaan onder vigeur van het communautair
douanewetboek.
39 Bijgevolg kon artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie worden toegepast op de toekomstige gevolgen van de situatie van Jumbocarry, bestaande in de verjaring en het tenietgaan van haar douaneschuld.
40 Wat voorts de samenhang betreft tussen enerzijds artikel 22, lid 6, juncto artikel 29, en anderzijds artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, moet nog worden opgemerkt dat deze formele en materiële regels een onlosmakelijk geheel vormen
waarvan de afzonderlijke bestanddelen niet los van elkaar kunnen worden gezien wat hun toepassing in de tijd betreft. Het is immers van belang om te komen tot een consistente en uniforme toepassing van de douanewetgeving van de Unie (zie naar analogie arrest
van 26 maart 2015, Commissie/Moravia Gas Storage, C‑596/13 P, EU:C:2015:203, punt 36 en aangehaalde rechtspraak).
41 In dit verband was het de bedoeling van de Uniewetgever om met artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie juncto artikel 29 van dit wetboek de verplichting in te voeren om vooraf mededeling te doen, en tegelijkertijd met artikel 103, lid 3,
onder b), van dit wetboek te voorzien in de opschorting van de verjaringstermijn als gevolg van deze mededeling.
42 Zoals het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie in wezen betogen, was de gelijktijdige toepassing van deze bepalingen immers bedoeld om twee doelstellingen met elkaar in evenwicht te brengen, namelijk enerzijds de bescherming van de
financiële belangen van de Unie en anderzijds de bescherming van de rechten van verdediging van de schuldenaar.
43 Zo blijkt uit het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (Commissie interne markt en consumentenbescherming van het Europees Parlement, zittingsdocument
van 26 februari 2013, A7‑0006/2013, blz. 46, amendement nr. 62), dat aan de basis lag van het douanewetboek van de Unie, dat artikel 103, lid 3, onder b), van dit wetboek is toegevoegd na een amendement van het Parlement, waarin werd gepreciseerd dat „[d]eze
aanpassing [...] nodig [was] ter bescherming van de financiële belangen bij zowel de traditionele eigen middelen als de nationale middelen, wanneer de invordering daarvan op het spel staat”. In het document werd er met name op gewezen dat een dergelijke „situatie
zich kan voordoen wanneer de procedure betreffende het recht om te worden gehoord zeer dicht bij de uiterste datum voor de kennisgeving van een douaneschuld moet worden uitgevoerd”.
44 Het is dus duidelijk dat de Uniewetgever met de vaststelling van de in artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie bedoelde opschortingsregel met name situaties als die in het hoofdgeding op het oog had.
45 Bovendien staat vast dat die bepaling niet gepaard gaat met enigerlei specifieke bepaling die anderszins de voorwaarden voor toepassing ervan in de tijd vastlegt, in de zin van de in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
46 Wat, tot slot, het rechtszekerheidsbeginsel betreft, heeft het Hof reeds gepreciseerd dat het de lidstaten in beginsel vrijstaat om de verjaringstermijnen te verlengen op grond dat de betrokken feiten nooit zijn verjaard (zie in die zin arrest van
2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de toepassing van een regel tot opschorting van de verjaring van een douaneschuld als die van artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie, samen met de procedureregels van artikel 22, lid 6,
juncto artikel 29 van dit wetboek, in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
48 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen het rechtstreekse uitvloeisel is, dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, alsook dat hun toepassing
voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. Dit beginsel vereist met name dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen
die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen [arrest van 15 april 2021, Federazione nazionale delle imprese elettrotecniche
ed elettroniche (Anie) e.a., C‑798/18 en C‑799/18, EU:C:2021:280, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49 Zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de uitdrukkelijke invoering van een regel tot opschorting van de verjaringstermijn op grond van artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie feitelijk
geen verandering met zich meegebracht ten opzichte van de eraan voorafgaande wettelijke situatie, maar is zij eerder ingegeven door de noodzaak om zekerheid te bieden met betrekking tot een op de bestuurlijke instanties rustende verplichting die volgens de
in punt 31 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof reeds bestond onder vigeur van het communautair douanewetboek.
50 Hoe dan ook brengen, zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft uiteengezet, de door de verwijzende rechter aangehaalde beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, geen verplichting met zich mee
om de rechtsorde ongewijzigd te laten in de tijd. De marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de instellingen van de Unie in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen wijzigen (arrest van 26 juni 2012, Polen/Commissie,
C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van het douanewetboek van de Unie, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van
het gewettigd vertrouwen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het
Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, moeten, gelezen in het licht van de beginselen
van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 juni 2021.