Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2021–2022
35 925 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën
Nr. 13 MOTIE VAN HET LID HERMANS
Voorgesteld 23 september 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat Nederland voor een aantal grote opgaven staat en dat deze tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen breed aan de orde zijn gesteld; overwegende dat het belangrijk is dat al in 2022 een aantal significante
stappen wordt gezet dan door het demissionaire kabinet voorgesteld;
verzoekt de regering de begroting dan wel het Belastingplan voor 2022 aan te passen conform onderstaande voorstellen:
– met 500 miljoen euro de verhuurderheffing te verlagen in combinatie met prestatieafspraken betreffende woningbouw en verduurzaming;
– met 500 miljoen euro de salarissen in het primair onderwijs te verbeteren;
– met 300 miljoen euro de onderhoudsachterstanden bij Defensie te verkleinen;
– met 200 miljoen euro veiligheid en handhaving te versterken, onder andere door het aantal wijkagenten en (groene) boa’s te vergroten;
– met 375 miljoen euro de energierekening voor huishoudens te verlagen door verlaging van de ODE op elektriciteit in de eerste schijf en verhoging van de belastingvermindering energiebelasting;
– met 125 miljoen euro de elektrificatie in het mkb bevorderen door verlaging van de ODE op elektriciteit in de tweede en derde schijf;
– met 120 miljoen euro verhoging van de algemene heffingskorting;
– bovenstaande maatregelen te dekken uit de BIK-gelden (1 miljard euro), aanscherping van de earningsstripping (700 miljoen euro, waarbij woningcorporaties worden gecompenseerd), en de resterende opgave in het EMU-saldo te laten lopen, wat gerechtvaardigd
is gelet op de inverdieneffecten van de extra salarisverhogingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Hermans
ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2021 Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 35 925, nr. 13
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2021–2022
35 925Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën
Nr. 47 MOTIE VAN HET LID EERDMANS
Voorgesteld 23 september 2021
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat Nederland meer dan 1 miljoen zelfstandigen zonder personeel telt en dat hun belang voor de economie groot is;
constaterende dat opeenvolgende regelingen lapwerk zijn die voor onduidelijkheid en onzekerheid zorgen bij alle betrokken partijen;
overwegende dat hierdoor misbruik in stand kan blijven, waardoor mensen in schijnconstructies tewerk worden gesteld als zogenaamde zzp’er;
overwegende dat een eigenstandige rechtspositie voor de zzp’er een waardevolle bouwsteen is voor een evenwichtig gereguleerde arbeidsmarkt;
roept de regering op te komen tot een wettelijke regeling voor zelfstandig ondernemerschap die de rechtspositie van zzp’ers in alle relevante aspecten vastlegt,
en gaat over tot de orde van de dag.
Eerdmans
ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2021 Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 35 925, nr. 47