Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijn kleineondernemersregeling)
VOORSTEL VAN WET
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk en wenselijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende
het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen (PbEU 2020, L 62/13);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet op de omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel a wordt “de artikelen 282 tot en met 292” vervangen door “artikel 284”.
B. In artikel 11, eerste lid, onderdeel b, sub 5 wordt “artikel 25, eerste lid” vervangen door “artikel 25a, eerste lid”.
C. Artikel 15, tweede lid, onderdeel a komt te luiden:
andere handelingen dan die zijn vrijgesteld krachtens artikel 284 BTW-richtlijn 2006 door de als zodanig handelende ondernemer buiten Nederland verricht, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in Nederland zouden zijn verricht;
D. In artikel 23, vijfde lid wordt “artikel 25, eerste lid” vervangen door “artikel 25a, eerste lid”.
E. Hoofdstuk V, afdeling 1 komt te luiden:
AFDELING 1. KLEINEONDERNEMERSREGELING
Paragraaf 1 Algemene bepaling
Artikel 25
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. jaaromzet in Nederland: het totaal van de vergoedingen ter zake van de volgende leveringen van goederen en diensten verricht door een ondernemer binnen Nederland gedurende een kalenderjaar:
1°. leveringen van goederen en diensten, voor zover die zonder toepassing van artikel 25a, eerste lid, belast zouden zijn in Nederland;
2°. leveringen van goederen en diensten die in Nederland zijn vrijgesteld bij of krachtens artikel 11, eerste lid, onderdelen a, b, i en j, en verzekerings- en herverzekeringsdiensten, tenzij die leveringen van goederen en diensten met andere handelingen
samenhangende handelingen zijn;
3°. leveringen van goederen waarvoor aan de afnemer teruggaaf of ontheffing wordt verleend op de voet van artikel 24, eerste of tweede lid; en
4°. leveringen van goederen en diensten waarvoor bij of krachtens artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de afnemer vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend.
b. jaaromzet in de Unie: de jaaromzet in Nederland en het totaal van de vergoedingen ter zake van leveringen van goederen en diensten, bedoeld in artikel 288, BTW-richtlijn 2006, verricht door een ondernemer binnen de andere lidstaten van de Unie gedurende
een kalenderjaar.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt bij de vaststelling van de jaaromzet in Nederland niet in aanmerking genomen de vergoeding voor de levering van door de ondernemer in zijn bedrijf gebruikte:
a. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen; en
b. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of waarop de ondernemer zou kunnen afschrijven indien diegene aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen.
Paragraaf 2 Toepassing kleineondernemersregeling in Nederland
Artikel 25a
1. Een ondernemer die in de Unie gevestigd is en van wie de jaaromzet in Nederland niet meer bedraagt dan € 20.000, kan kiezen voor toepassing van vrijstelling van belasting ter zake van door de ondernemer in Nederland verrichte leveringen van goederen en
diensten.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de levering van:
a. nieuwe vervoermiddelen die door of voor rekening van de verkoper of afnemer worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat; en
b. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen die de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt.
3. Een ondernemer die niet in Nederland is gevestigd, kan kiezen voor toepassing van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, mits tevens aan de voorwaarde is voldaan dat de jaaromzet in de Unie niet meer bedraagt dan € 100.000.
4. De ondernemer die de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, toepast, heeft geen recht op aftrek van belasting als bedoeld in artikel 2 en mag op de factuur op geen enkele wijze melding maken van omzetbelasting.
5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de ondernemer die in Nederland is gevestigd, na een melding aan de inspecteur op een door de inspecteur voorgeschreven wijze, vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minimaal vier weken na ontvangst
van de melding aanvangt. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling, indien aannemelijk is dat niet zal worden voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing
van de vrijstelling.
6. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de ondernemer, bedoeld in het derde lid, ingeval van:
a. een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 284, lid 3, BTW-richtlijn 2006, vanaf de datum waarop de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd het individuele identificatienummer aan de ondernemer meedeelt volgens de in die lidstaat geldende regelgeving;
of
b. een actualisering van een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 284, lid 4, BTW-richtlijn 2006, vanaf de datum waarop de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd, het nummer aan de ondernemer bevestigt naar aanleiding van de actualisering die
deze heeft uitgevoerd volgens de in die lidstaat geldende regelgeving.
7. De toepassing van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, door de ondernemer die in Nederland is gevestigd, geldt tot beëindiging door wederopzegging door deze ondernemer. De wederopzegging wordt door de ondernemer gedaan bij de inspecteur op een
door de inspecteur voorgeschreven wijze. De beëindiging van de vrijstelling wordt van kracht per het eerstvolgende kalenderkwartaal dat minimaal vier weken na ontvangst van de wederopzegging aanvangt. De ondernemer kan na de beëindiging door wederopzegging
pas na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de beëindiging is ingegaan en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw de vrijstelling toepassen. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de vrijstelling wordt beëindigd zonder
wederopzegging door de ondernemer zodra de ondernemer niet langer aan de voorwaarden voldoet.
8. De toepassing van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, door een ondernemer als bedoeld in het derde lid geldt tot beëindiging door wederopzegging door de ondernemer. De wederopzegging geschiedt door middel van een actualisering van een voorafgaande
kennisgeving als bedoeld in artikel 284, lid 4, BTW-richtlijn 2006. De beëindiging van de vrijstelling wordt van kracht op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de ontvangst van de actualisering door de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd.
Ingeval de actualisering in de laatste maand van een kalenderkwartaal is ontvangen, wordt de beëindiging van kracht op de eerste dag van de tweede maand van het volgende kalenderkwartaal. De ondernemer kan na de beëindiging door wederopzegging pas na het verstrijken
van het kalenderjaar waarin de vrijstelling is beëindigd en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw de vrijstelling toepassen.
9. Een ondernemer komt niet in aanmerking voor de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, indien de jaaromzet in Nederland in het voorafgaande kalenderjaar het bedrag, bedoeld in het eerste lid, overschrijdt. Ingeval de ondernemer is gevestigd in een andere
lidstaat, mag deze ondernemer voor toepassing van de vrijstelling evenmin het bedrag, bedoeld in het derde lid, overschrijden. Indien de eerste of tweede volzin toepassing vindt, is de vrijstelling uitgesloten in het kalenderjaar volgende op het kalenderjaar
van overschrijding.
10. Een ondernemer die de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, toepast, kan deze vrijstelling niet langer toepassen zodra de jaaromzet in Nederland het bedrag, bedoeld in het eerste lid, overschrijdt. Ingeval de ondernemer is gevestigd in een andere
lidstaat, mag deze ondernemer evenmin het bedrag, bedoeld in derde lid, overschrijden. Indien de eerste of tweede volzin toepassing vindt, is de vrijstelling uitgesloten voor de levering van het goed of de dienst waardoor die overschrijding tot stand komt,
het resterende kalenderjaar en het daaropvolgende kalenderjaar.
Artikel 25b
1. Een ondernemer die in Nederland is gevestigd en die zich nog niet voor de omzetbelasting heeft gemeld bij de inspecteur of de Kamer van Koophandel en daartoe ook niet verplicht is, kan de vrijstelling, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, toepassen zonder
de melding te doen, bedoeld in artikel 25a, vijfde lid, zolang de jaaromzet in Nederland maximaal € 1.800 bedraagt. In dat geval geldt artikel 25a onverkort, met uitzondering van het vijfde en zevende lid.
2. De ondernemer die de vrijstelling, bedoeld in het artikel 25a, eerste lid, toepast, is ontheven van de verplichtingen opgelegd bij of krachtens de artikelen 34, 34c tot en met 35b en 37a.
3. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden niet met betrekking tot de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en diensten, bedoeld in:
a. artikel 12, tweede, derde en vijfde lid; en
b. artikel 17f, tenzij het een verworven goed betreft als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a.
Paragraaf 3 Toepassing kleineondernemersregeling in een andere lidstaat door een ondernemer die in Nederland is gevestigd
Artikel 25c
1. Een ondernemer die in Nederland is gevestigd, moet om te kunnen gebruikmaken van de in artikel 284, lid 1, van de BTW-richtlijn 2006 voorziene vrijstelling van omzetbelasting in één of meer andere lidstaten ter zake van door de ondernemer in die lidstaten
verrichte leveringen van goederen en diensten:
a. een voorafgaande kennisgeving richten aan de inspecteur op een door de inspecteur voorgeschreven wijze; en
b. voor de toepassing van de vrijstelling zijn geïdentificeerd door een btw-identificatienummer in Nederland met het achtervoegsel “EX”.
2. De ondernemer stelt de inspecteur, door middel van een actualisering van een voorafgaande kennisgeving, vooraf in kennis van iedere wijziging van de eerder overeenkomstig het eerste lid, verstrekte informatie. Deze actualisering is inclusief het voornemen
om gebruik te maken van de vrijstelling in één of meer andere lidstaten dan die aangegeven in de voorafgaande kennisgeving en de beslissing om de toepassing van de vrijstellingsregeling in één of meer andere lidstaten waar de ondernemer niet is gevestigd,
te beëindigen.
3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de ondernemer ingeval van:
a. een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vanaf de datum waarop de inspecteur het btw-identificatienummer aan de ondernemer mededeelt; of
b. een actualisering van een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, vanaf de datum waarop de inspecteur het btw-identificatienummer aan de ondernemer bevestigt naar aanleiding van de actualisering die deze heeft uitgevoerd.
4. De beëindiging, bedoeld in het tweede lid, wordt van kracht op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de ontvangst van de informatie van de ondernemer of, indien die informatie in de laatste maand van een kalenderkwartaal wordt ontvangen, op
de eerste dag van de tweede maand van het eerstvolgende kalenderkwartaal.
5. De inspecteur deelt het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” mee aan de ondernemer binnen 35 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. De inspecteur bevestigt dit nummer naar aanleiding van de
actualisering, bedoeld in het tweede lid, binnen 35 werkdagen na ontvangst van de actualisering van de voorafgaande kennisgeving. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” niet
wordt medegedeeld of niet wordt bevestigd indien de ondernemer niet voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling in de andere lidstaat of lidstaten.
6. De termijn, bedoeld in het vijfde lid, is niet van toepassing indien de inspecteur in bijzondere gevallen, met het oog op het voorkomen van belastingontduiking of –ontwijking, meer tijd nodig heeft om de noodzakelijke controles uit te voeren.
Artikel 25d
1. De voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel 25c, eerste lid, onderdeel a, bevat ten minste de volgende informatie:
a. de naam, de activiteit, de rechtsvorm en het adres van de ondernemer;
b. de lidstaat of lidstaten waar de ondernemer voornemens is van de vrijstelling gebruik te maken;
c. het totaal van de vergoedingen ter zake van de leveringen van goederen en diensten die in het voorafgaande kalenderjaar zijn verricht in Nederland en in elk van de andere lidstaten; en
d. het totaal van de vergoedingen ter zake van de leveringen van goederen en diensten verricht in Nederland en in elk van de andere lidstaten, tijdens het kalenderjaar voorafgaand aan de kennisgeving.
2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, moet voor elk voorafgaand kalenderjaar dat behoort tot de periode, waarvoor een lidstaat heeft gekozen op basis van artikel 288 bis, lid 1, eerste alinea, BTW-richtlijn 2006, worden verstrekt voor
elke lidstaat die de daarin vastgestelde optie toepast.
3. Indien de ondernemer de inspecteur, overeenkomstig artikel 25c, tweede lid, in kennis stelt van zijn voornemen om gebruik te maken van de vrijstelling in één of meer andere lidstaten dan aangegeven in de voorafgaande kennisgeving, is deze ondernemer niet
verplicht de informatie, bedoeld in het eerste lid, te geven voor zover die informatie eerder krachtens artikel 25e is verstrekt.
4. De actualisering van de voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel 25c, tweede lid, bevat steeds het btw-identificatienummer, bedoeld in artikel 25c, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 25e
1. Een ondernemer die in Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de procedure van artikel 25c, eerste en tweede lid, van de vrijstelling gebruikmaakt in één of meer andere lidstaten, registreert onder vermelding van het btw-identificatienummer, bedoeld
in artikel 25c, eerste lid, onderdeel b, op een door de inspecteur voorgeschreven wijze voor ieder kalenderkwartaal de volgende informatie:
a. het totaal van de vergoedingen ter zake van leveringen van goederen en diensten die tijdens het kalenderkwartaal zijn verricht in Nederland, of “0” indien geen leveringen van goederen of diensten zijn verricht; en
b. het totaal van de vergoedingen ter zake van leveringen van goederen en diensten die tijdens het kalenderkwartaal zijn verricht in de andere lidstaten, of “0” indien geen leveringen van goederen of diensten zijn verricht.
2. De ondernemer verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, binnen één maand te rekenen vanaf het einde van het kalenderkwartaal.
3. Ingeval de jaaromzet in de Unie het bedrag van € 100.000 overschrijdt, stelt de ondernemer de inspecteur op een door de inspecteur voorgeschreven wijze binnen 15 werkdagen hiervan in kennis. Tegelijkertijd meldt de ondernemer het bedrag van de leveringen
van goederen en diensten, bedoeld in het eerste lid, die zijn verricht vanaf het begin van het lopende kalenderkwartaal tot de datum waarop het bedrag van € 100.000 werd overschreden.
Artikel 25f
1. Voor de toepassing van artikel 25d, eerste lid, onderdelen c en d, en artikel 25e, eerste lid, geldt het volgende:
a. het totaal van de vergoedingen bestaat uit de in artikel 25, eerste lid, onderdeel a bedoelde vergoedingen, met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, bedoelde vergoedingen, voor zover de leveringen van goederen en diensten zijn verricht in Nederland;
b. het totaal van de vergoedingen bestaat uit de in artikel 288 BTW-richtlijn 2006 bedoelde vergoedingen, voor zover de leveringen van goederen en diensten zijn verricht in een andere lidstaat;
c. het totaal van de vergoedingen wordt uitgedrukt in euro’s; en
d. ingeval een andere lidstaat voor toepassing van de vrijstelling verschillende drempels hanteert als bedoeld in artikel 284, lid 1, tweede alinea, BTW-richtlijn 2006, is de ondernemer verplicht met betrekking tot deze lidstaat het totaal van de vergoedingen
ter zake van de leveringen van goederen en diensten voor elke drempel die van toepassing kan zijn, afzonderlijk te registreren.
2. Indien een vergoeding ter zake van leveringen van goederen of diensten in een andere munteenheid dan de euro is uitgedrukt, hanteert de ondernemer de wisselkoers die gold op de eerste dag van het kalenderjaar. De omrekening geschiedt met toepassing van
de wisselkoers die de Europese Centrale Bank voor die dag bekend heeft gemaakt of, indien die dag geen bekendmaking heeft plaatsgevonden, op de eerstvolgende dag van bekendmaking.
Artikel 25g
1. De inspecteur moet hetzij het btw-identificatienummer, bedoeld in artikel 25c, eerste lid, onderdeel b, deactiveren, hetzij, indien de ondernemer van de vrijstelling gebruik blijft maken in één of meer lidstaten, de ontvangen informatie, bedoeld in artikel
25c, eerste en tweede lid, ten aanzien van de betrokken lidstaat of lidstaten aanpassen, in de volgende gevallen:
a. de jaaromzet in de Unie overschrijdt het bedrag van € 100.000;
b. de lidstaat die de vrijstelling verleent, heeft gemeld dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of dat de vrijstelling niet langer van toepassing is in die lidstaat;
c. de ondernemer heeft de beslissing om de toepassing van de vrijstelling te beëindigen gemeld bij de inspecteur; of
d. de ondernemer heeft gemeld bij de inspecteur, of er kan anderszins worden aangenomen, dat zijn werkzaamheden zijn beëindigd.
2. Het deactiveren van het btw-identificatienummer of het aanpassen van de ontvangen informatie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking indien dit plaatsvindt zonder actualisering van de voorafgaande kennisgeving als bedoeld
in artikel 25c, tweede lid.
F. In artikel 28b, tweede lid, onderdeel c wordt “artikel 25, eerste lid” vervangen door “artikel 25a, eerste lid”.
G. In artikel 33f, eerste lid, onderdeel c wordt “artikel 25” vervangen door “artikel 25a, eerste lid”.
H. Aan artikel 34d, eerste lid, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. wanneer de ondernemer gebruikmaakt van de vrijstelling, bedoeld in artikel 25a, eerste lid.
I. In artikel 37a, eerste lid, aanhef wordt “artikel 25” vervangen door “artikel 25a, eerste lid”.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.
ARTIKEL III
Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijn kleineondernemersregeling.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,
Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijn kleineondernemersregeling)
Memorie van toelichting
Inhoudsopgave
I. ALGEMEEN ........................................................................................................................... 2
1. Inleiding ............................................................................................................................. 2
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel ............................................................................................ 2
3. Budgettaire aspecten ............................................................................................................ 7
4. EU-aspecten ........................................................................................................................ 7
5. Doelmatigheid en doeltreffendheid ......................................................................................... 8
6. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger .................................................................................... 8
7. Uitvoeringskosten Belastingdienst .........................................................................................10
8. Advies en consultatie ...........................................................................................................10
9. Transponeringstabel ............................................................................................................10
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .........................................................................................14
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Op grond van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad1 (hierna: BTW-richtlijn 2006) kunnen de lidstaten een bijzondere regeling treffen ten aanzien van kleine ondernemingen. De huidige regels zijn echter verouderd en zorgen niet voldoende voor verminderde nalevingslasten
voor kleine ondernemingen, met name ondernemingen die ook grensoverschrijdend werken, omdat zij uitgaan van heffing van omzetbelasting in de lidstaat van oorsprong.
Op 18 februari 2020 heeft de Raad van de Europese Unie daarom een richtlijn vastgesteld tot wijziging van de BTW-richtlijn 2006 voor kleine ondernemingen (hierna: Richtlijn kleineondernemersregeling). Ook wordt de Verordening (EU) nr. 904/2010 gewijzigd
die regels bevat over administratieve samenwerking tussen en de uitwisseling van inlichtingen door lidstaten met het oog op de gewijzigde (bijzondere) regeling voor kleine ondernemingen. De Richtlijn kleineondernemersregeling richt zich op het mogelijk maken
van een grensoverschrijdende toepassing van de kleineondernemersregeling. De richtlijn beoogt de nalevingskosten voor kleine ondernemers te beperken, hun groei te bevorderen en de grensoverschrijdende handel te ontwikkelen.
De Richtlijn kleineondernemersregeling verplicht lidstaten mogelijk te maken dat een kleine ondernemer de kleineondernemersregeling van een andere lidstaat kan toepassen als de andere lidstaat een dergelijke regeling kent. Met de voorgestelde implementatie
van de Richtlijn kleineondernemersregeling wordt dat bewerkstelligd.2
De – in 2020 gewijzigde – kleineondernemersregeling in Nederland blijft grotendeels gehandhaafd, omdat deze regeling nog steeds toegevoegde waarde heeft voor de hier gevestigde kleine ondernemers. Voor de Nederlandse ondernemer die uitsluitend in Nederland
opereert zal dit wetsvoorstel materieel weinig veranderingen brengen. Wel wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wijzigingen door te voeren zodat de verschillen in de toepassing tussen de Nederlandse vrijstelling en een vrijstelling in een andere
lidstaat zoveel mogelijk beperkt blijven.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
2.1. Van Nederlandse kleineondernemersregeling naar Europese kleineondernemersregeling
De huidige kleineondernemersregeling staat in Nederland alleen open voor ondernemers die in Nederland gevestigd zijn of hier een vaste inrichting hebben (hierna: Nederlandse ondernemers). De toepassing van de vrijstelling is daarbij alleen mogelijk voor
de handelingen die in Nederland belastbaar zijn. De prestaties die een Nederlandse ondernemer in een andere lidstaat binnen de Unie verricht, vallen niet onder de Nederlandse vrijstelling en ook niet onder de vrijstelling van een andere lidstaat. Omgekeerd
kunnen ondernemers uit andere lidstaten die niet in Nederland zijn gevestigd of hier geen een vaste inrichting hebben momenteel geen gebruikmaken van de vrijstelling in Nederland. Hier brengt de implementatie van de Richtlijn kleineondernemersregeling verandering
in.
De btw-regels voor Nederlandse ondernemers die gebruikmaken van de kleineondernemersregeling voor de Nederlandse omzet zullen in grote lijnen hetzelfde blijven. Deze Nederlandse omzet blijft onder de vrijstelling vallen en de ondernemer blijft ontheven van
bepaalde administratieve verplichtingen. De implementatie zorgt wel voor een andere structuur van wettelijke bepalingen in de Wet OB 1968. De materiele wijzigingen zijn echter beperkt. Wijzigingen die worden aangebracht zijn vooral bedoeld om zoveel mogelijk
gelijke toepassing te krijgen tussen de Nederlandse vrijstelling en de vrijstelling in een andere lidstaat. Zo wordt de termijn aangepast waarin die ondernemers ten minste moeten deelnemen aan de kleineondernemersregeling en de termijn dat toepassing van de
vrijstelling niet toegestaan is nadat een kleineondernemersregeling is beëindigd of de omzetdrempel is overschreden. Deze termijnen zijn op dit moment nog drie kalenderjaren, maar worden met dit wetsvoorstel verkort. Dat vergroot de flexibiliteit en verbetert
dus de positie van de Nederlandse ondernemer. In paragraaf 2.5 wordt dit verder toegelicht.
Op dit moment staat nog niet vast of een vaste inrichting als zodanig voor de toepassing van de kleineondernemersregeling kwalificeert als een ondernemer die is gevestigd in de lidstaat waarin de vaste inrichting zich bevindt. Daarover vindt overleg plaats
in Europees verband.
Door de implementatie van de Richtlijn kleineondernemersregeling verandert wel de positie van Nederlandse ondernemers die een kleine omzet behalen in een andere lidstaat en de positie van ondernemers die in een andere lidstaat zijn gevestigd en een kleine
omzet in Nederland behalen. De Europese kleineondernemersregeling zorgt ervoor dat Nederlandse ondernemers in aanmerking kunnen komen voor gebruik van de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat, mits deze lidstaat een regeling voor kleine ondernemers
heeft geïmplementeerd. En omgekeerd dat de in de andere lidstaat gevestigde ondernemer gebruik kan maken van de kleineondernemersregeling in Nederland.
De kleineondernemersregeling blijft ook in de nieuwe opzet een facultatieve regeling voor ondernemers. Kwalificerende ondernemers kunnen kiezen of zij de regeling willen toepassen. Deze keuze kunnen de ondernemers voor elke lidstaat afzonderlijk maken.
2.2. Omzetdrempels en omzetbepaling
Een Nederlandse ondernemer kan de kleineondernemersregeling toepassen als zijn jaaromzet in Nederland onder de € 20.000 blijft. De bestaande regels voor het bepalen van de jaaromzet en voor de toepassing van de omzetdrempel in Nederland blijven van toepassing.
Onder de Europese kleineondernemersregeling kunnen ondernemers ook in andere lidstaten gebruikmaken van deze regeling (mits de lidstaat deze regeling heeft opgenomen in de nationale wetgeving). Hiervoor is niet van belang of de ondernemer de kleineondernemersregeling
toepast in de lidstaat van vestiging. Wel geldt hierbij in het algemeen dat een ondernemer die de kleineondernemersregeling in andere lidstaten wil toepassen, voor de handelingen verricht in de betreffende lidstaten, steeds onder de daar geldende (nationale)
omzetdrempels moet blijven.
Voor een ondernemer die de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat wil toepassen geldt een additionele voorwaarde. Voor deze ondernemer geldt, naast de in de andere lidstaat geldende jaaromzetdrempel, tevens dat de jaaromzet in de gehele Unie onder
de grens van € 100.000 moet blijven (hierna: Unie-omzetdrempel). Alleen dan kan hij de kleineondernemersregeling ook toepassen in een lidstaat waar hij niet gevestigd is. Deze Unie-omzetdrempel is ingesteld om te voorkomen dat in de Unie gevestigde relatief
grote ondernemers in veel lidstaten gebruik kunnen maken van de nieuwe kleineondernemersregeling, terwijl deze ondernemers in feite een hoge omzet in de Unie als geheel hebben. Nederlandse ondernemers, waarvan de jaaromzet in Nederland onder de nationale omzetdrempel
van € 20.000 ligt, kunnen de kleineondernemersregeling in Nederland blijven toepassen ongeacht of hun totale jaaromzet de Unie-omzetdrempel overschrijdt.
De Richtlijn kleineondernemersregeling geeft geen ruimte de Unie-omzetdrempel op een ander bedrag dan € 100.000 vast te stellen. Wel biedt deze richtlijn de lidstaten ruimte voor het vaststellen van de hoogte van de nationale omzetdrempel, zolang deze drempel
onder de € 85.000 blijft. Het kabinet kiest ervoor de huidige omzetdrempel van € 20.000 te handhaven. Een omzetgrens van € 20.000 spitst de kleineondernemersregeling toe op de beoogde doelgroep, namelijk (startende) ondernemers met een beperkte omzet. Deze
doelgroep is ook de groep ondernemers waarvoor de toepassing van de algemene btw-regels in de praktijk complex kan zijn.
Welke vergoedingen onderdeel uitmaken van de jaaromzet in Nederland en van de jaaromzet in de Unie zijn in de artikelsgewijze toelichting nader beschreven.
2.3. Vrijstelling
De kleineondernemersregeling blijft een vrijstellingsregeling zonder recht op aftrek van voorbelasting. Dat wil zeggen dat de leveringen van goederen en diensten verricht in Nederland, door een ondernemer die de kleineondernemersregeling in Nederland toepast,
zijn vrijgesteld van btw (uitgezonderd een aantal specifiek in de wet aangewezen prestaties).
In het geval een Nederlandse ondernemer in Nederland geen gebruikmaakt van de kleineondernemersregeling, maar in één of meer andere lidstaten de kleineondernemersregeling wel toepast op de daar verrichte handelingen, kan hij de voorbelasting die verband
houdt met de belaste handelingen in Nederland wél in aftrek brengen. Voor zover de voorbelasting verband houdt met de vrijgestelde handelingen buiten Nederland, heeft de ondernemer geen recht op aftrek.
Andersom geldt in de situatie waarin de Nederlandse ondernemer de nieuwe kleineondernemersregeling toepast in Nederland, maar in andere lidstaten de algemene btw-regels toepast, dat de Nederlandse ondernemer geen recht op aftrek van voorbelasting heeft in
Nederland ook niet voor de voorbelasting die verband houdt met de belaste handelingen in het buitenland. Vanwege de toepassing van de kleineondernemersregeling in Nederland, waarmee hij is vrijgesteld zonder recht op aftrek en is ontheven van administratieve
verplichtingen, zoals het indienen van btw-aangiften, is er geen aftrek van voorbelasting mogelijk.
2.4. Ontheffing administratieve verplichtingen
Voor een Nederlandse ondernemer die de kleineondernemersregeling uitsluitend in Nederland toepast, brengt het wetsvoorstel geen wijzigingen in de administratieve ontheffingen met zich mee. Deze ondernemer blijft ontheven van het doen van aangifte indien
hij geen omzetbelasting is verschuldigd. Dit is het geval voor de prestaties die de ondernemer verricht die vrijgesteld zijn onder de kleineondernemersregeling. In andere gevallen, zoals bij aan de ondernemer geleverde goederen en diensten waarvoor de btw
is verlegd naar de ondernemer, geldt wel een aangifteverplichting. De ondernemer blijft tevens ontheven van de daarbij horende administratieve verplichtingen van de Wet OB 1968 voor verrichtte leveringen van goederen en diensten in Nederland. Ondernemers die
de kleineondernemersregeling toepassen blijven ook ontheven van de administratieve verplichtingen voor intracommunautaire leveringen, zoals een zogenoemde listing.
Het wetsvoorstel brengt wel een wijziging aan in de situatie dat een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer gebruik wil maken van de kleineondernemersregeling in Nederland. Voor deze ondernemer gelden dezelfde administratieve ontheffingen als bij de
Nederlandse ondernemer, met dien verstande dat hij zich niet in Nederland maar in zijn eigen lidstaat moet aanmelden voor de toepassing van de kleineondernemersregeling in Nederland.
2.5. Aan- en afmelding voor de kleineondernemersregeling in Nederland
Voor Nederlandse ondernemers die alleen in Nederland prestaties verrichten blijven de geldende aan- en afmeldprocedure voor de kleineondernemersregeling grotendeels ongewijzigd. De Nederlandse ondernemer kan de kleineondernemersregeling toepassen wanneer
hij op de voorgeschreven wijze bij de inspecteur een melding doet, vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minimaal vier weken na ontvangst van de aanmelding ligt. Als een Nederlandse ondernemer op enig moment geen gebruik meer wenst te maken van de kleineondernemersregeling
in Nederland, dan dient deze ondernemer een wederopzegging in te dienen op de voorgeschreven wijze en ten minste vier werken voorafgaand aan het belastingtijdvak waarin de vrijstelling niet meer zal gelden.
Dit wetsvoorstel verbetert de positie van de Nederlandse ondernemer die de kleineondernemingsregeling in Nederland toepast op drie punten. Allereerst wordt een vereenvoudiging gecodificeerd voor zeer kleine ondernemers in Nederland die zich nog niet voor
de btw hebben gemeld bij de inspecteur of zich hebben laten inschrijven in het handelsregister en ook niet verplicht zijn om zich in te schrijven in het handelsregister. Een dergelijke Nederlandse ondernemer met een maximale jaaromzet in Nederland van € 1.800
wordt ontheven van de aanmeldverplichting voor de kleineondernemersregeling. Dit houdt in dat de Nederlandse ondernemer, zolang zijn jaaromzet in Nederland de € 1.800 niet overschrijdt, de kleineondernemersregeling ook mag toepassen zonder hiervoor een melding
te doen. Deze ontheffing van de aanmeldverplichting is – vooruitlopend op dit wetsvoorstel – reeds in een beleidsbesluit opgenomen.3
Ten tweede vervalt de minimale toepassingsperiode voor de kleineondernemersregeling. Een Nederlandse ondernemer die de kleineondernemersregeling in Nederland toepast, kan de vrijstelling onder het huidige recht alleen vrijwillig beëindigen nadat deze ten
minste drie jaren van toepassing is geweest. Dit wetsvoorstel voorziet in het vervallen van de minimale toepassingsperiode. Dit geeft ondernemers meer flexibiliteit omdat ze eerder van de toepassing van de kleineondernemersregeling af kunnen zien, bijvoorbeeld
als de ondernemer bij de volgende investering de btw in aftrek wil brengen. Wel dient na ingang van de kleineondernemersregeling rekening te worden gehouden met de minimale opzegtermijn van vier weken voorafgaand aan een belastingtijdvak.
Ten derde wordt de zogenoemde uitsluitingsperiode verkort. Een Nederlandse ondernemer die de kleineondernemersregeling opzegt of de omzetdrempel overschrijdt, kan de kleineondernemersregeling momenteel niet meer toepassen in de drie daaropvolgende kalenderjaren.
Ingeval een ondernemer de kleineondernemersregeling beëindigt door wederopzegging, wordt toepassing van de kleineondernemersregeling voor die ondernemer voortaan uitgesloten vanaf het kalenderkwartaal waarin de beëindiging in werking treedt, het resterende
kalenderjaar en het daaropvolgende kalenderjaar. De ondernemer dient wel rekening te houden met de minimale opzegtermijn van vier weken voorafgaand aan een belastingtijdvak waarin de beëindiging van kracht gaat. Indien de kleineondernemersregeling eindigt
door een overschrijding van de jaaromzet in Nederland, dan geldt de uitsluiting vanaf de levering van het goed of de dienst waardoor de overschrijding tot stand komt (die levering van een goed of dienst is dan dus niet meer vrijgesteld), het resterende deel
van het kalenderjaar en het daaropvolgende kalenderjaar.
Momenteel wordt de ondernemer van de kleineondernemersregeling uitgesloten ingeval de omzetdrempel wordt overschreden. Van een uitsluiting is slechts sprake als de ondernemer van de kleineondernemersregeling gebruikmaakt of heeft gemaakt. De huidige regeling
werkt dus eenzijdig. Anders dan nu het geval is, geldt voortaan ook dat een ondernemer die de regeling nog niet heeft toegepast van de kleineondernemersregeling wordt uitgesloten indien hij in het voorafgaande kalenderjaar de omzetdrempel heeft overschreden.
Deze voorwaarde is in de Richtlijn kleineondernemersregeling geïntroduceerd en creëert een gelijkspeelveld tussen ondernemers die al wel de regeling toepassen en de omzetdrempel overschrijden, en ondernemers die nog niet de regeling toepassen en eveneens de
omzetdrempel overschrijden.
2.6. Aan- en afmelding voor de grensoverschrijdende kleineondernemersregeling
De Richtlijn kleineondernemersregeling voorziet voor de kleine ondernemer die prestaties verricht in een andere lidstaat in een vereenvoudigde aan- en afmeldprocedure als hij aldaar de kleineondernemersregeling wil toepassen. Om in een andere lidstaat de
kleineondernemersregeling te kunnen toepassen heeft de ondernemer een btw-identificatienummer nodig met het achtervoegsel “EX”. Dit kan de ondernemer verkrijgen via een zogenoemde voorafgaande kennisgeving aan de inspecteur. Als de ondernemer daarna in nog
méér lidstaten de kleineondernemersregeling wil toepassen, dan dient hij dit via een zogenoemde actualisering van de kennisgeving aan de inspecteur te melden. Toepassing van de kleineondernemersregeling in die andere lidstaat is dan mogelijk als de inspecteur
– in reactie op de actualisering – het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” heeft bevestigd. Naast de bovengenoemde kennisgeving of actualisering, dient de ondernemer die aanspraak maakt op de grensoverschrijdende kleineondernemersregeling elk
kwartaal informatie over zijn omzet in de Unie te verstrekken.
Voor de ondernemer die gevestigd is in een andere lidstaat en gebruik wil maken van de Nederlandse kleineondernemersregeling geldt een soortgelijke procedure. Deze buitenlandse ondernemer kan de kleineondernemersregeling in Nederland alleen toepassen als
hij in de lidstaat van vestiging door middel van een (actualisering van de) voorafgaande kennisgeving kenbaar maakt dat hij de regeling in Nederland wil toepassen. In dat geval geldt ook dat de buitenlandse ondernemer de kleineondernemersregeling in Nederland
kan toepassen zodra hij naar aanleiding van de (actualisering van de) voorafgaande kennisgeving een btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” heeft ontvangen (of bevestigd heeft gekregen) van de belastingdienst in zijn eigen lidstaat.
3. Budgettaire aspecten
PM
4. EU-aspecten
Met dit wetsvoorstel wordt de Richtlijn kleineondernemersregeling met ingang van 1 januari 2025 geïmplementeerd.
5. Doelmatigheid en doeltreffendheid
De wijzigingen in de toepassing van de Nederlandse kleineondernemersregeling zijn naar verwachting doeltreffend. Het verkorten van de verplichte toepassingsperiode en de uitsluitingsperiode biedt ondernemers meer flexibiliteit om bij wijziging van omstandigheden
het gebruik van de regeling te heroverwegen. De flexibiliteit als gevolg van de verkorting van de termijnen draagt bij aan de centrale doelstelling van de regeling, namelijk de bevordering van hun groei en het verminderen van hun nalevingskosten.
De Europese kleineondernemersregeling is naar verwachting eveneens doeltreffend, omdat kleine ondernemers de mogelijkheid krijgen de vrijstelling ook toe te passen in een andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging. De vereenvoudigde centrale aan- en afmeldprocedure
voor het in andere lidstaten toepassen van de kleineondernemersregeling ondersteunt deze doelstelling door de administratieve lasten zoveel mogelijk te mitigeren. In andere lidstaten opererende kleine ondernemers ondervinden door de voorgestelde regeling minder
nadelen van de diverse btw-regimes binnen de Unie. Bovendien treedt minder concurrentieverstoring op. Het door de Nederlandse Belastingdienst moeten faciliteren van de toepassing van de kleineondernemersregeling in andere lidstaten, onder meer door middel
van ICT-aanpassingen, wordt aanvaardbaar geacht. Voor de uitvoerbaarheid verwijzen wij naar paragraaf 7 van dit wetsvoorstel.
6. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger
In deze paragraaf worden de gevolgen voor het bedrijfsleven en de burger als gevolg van het wetsvoorstel beschreven.
6.1. Nederlandse kleineondernemersregeling door een Nederlandse ondernemer
Voor de Nederlandse ondernemers die uitsluitend gebruik (blijven) maken van de huidige kleineondernemersregeling zal het wetsvoorstel materieel weinig gevolgen hebben. Deze ondernemers blijven gerechtigd de vrijstelling zonder aftrek van voorbelasting toe
te passen. De omzetgrens wijzigt niet, het berekenen van de omzet geschiedt op dezelfde wijze als voorheen en ook de ontheffing van administratieve verplichtingen blijft van toepassing.
De codificatie van de ontheffing van de aanmeldverplichting voor nog niet aangemelde, zeer kleine ondernemers met een jaaromzet in Nederland van maximaal € 1.800 heeft materieel geen effect. Deze regeling is – vooruitlopend op wetgeving – immers reeds bij
beleidsbesluit gerealiseerd.4
De verplichte toepassingsperiode van drie jaar voor de kleineondernemersregeling vervalt. Onder de huidige kleineondernemersregeling dienen ondernemers een inschatting te maken voor de middellange termijn, aangezien de regeling voor ten minste drie kalenderjaren
zal gelden. Het vervallen van deze verplichte driejaarstermijn geeft ondernemers meer flexibiliteit om bij een wijziging van omstandigheden het gebruik van de kleineondernemersregeling te heroverwegen. De periode voor administratieve verwerking van een aanmelding
voor en wederopzegging van de kleineondernemersregeling blijft ongewijzigd.
De verkorting van de uitsluitingsperiode zal eveneens positieve gevolgen hebben voor ondernemers. Momenteel kan een ondernemer na wederopzegging of overschrijding van de omzetdrempel pas weer gebruikmaken van de kleineondernemersregeling na het verstrijken
van drie kalenderjaren. De verkorting van de uitsluitingsperiode tot het lopende en het volgende kalenderjaar biedt ondernemers meer flexibiliteit. Wel komt conform de richtlijn de eis te gelden dat de omzetdrempel niet is overschreden in het jaar voorafgaand
aan een aanmelding, ongeacht of in dat jaar de kleineondernemersregeling werd toegepast of niet.
6.2. Toepassing van de kleineondernemersregeling in andere lidstaten
Nederlandse ondernemers die in andere lidstaten handelen komen op dit moment niet in aanmerking voor de kleineondernemersregeling (vrijstelling en administratieve ontheffingen) in die andere lidstaten. Dat leidt voor hen tot extra nalevingslasten en verplichtingen.
Daarnaast bevinden deze ondernemers zich in een nadelige concurrentiepositie ten opzichte van ondernemers die in een andere lidstaat de kleineondernemersregeling toepassen. Met dit wetsvoorstel wordt hieraan tegemoetgekomen. Kleine ondernemers kunnen met ingang
van 1 januari 2025 ook in andere lidstaten aanspraak maken op toepassing van de kleineondernemersregeling.
De ondernemer hoeft zich daarvoor niet te identificeren in de betreffende lidstaten. Met de voorgestelde implementatie van de Richtlijn kleineondernemersregeling kan de kleine Nederlandse ondernemer zich bij de Nederlandse inspecteur aan- of afmelden voor
een kleineondernemersregeling in een andere lidstaat door een (actualisering van de) voorafgaande kennisgeving. Een centrale aan- en afmelding verlaagt de administratieve lasten en vermindert de complexiteit.
Nederlandse ondernemers die gebruikmaken van een kleineondernemersregeling in een andere lidstaat zijn op grond van de richtlijn wel verplicht om bij de aanmelding en daarna per kalenderkwartaal de nodige informatie aan de inspecteur te verstrekken (binnen
één maand na afloop van het kalenderkwartaal), waaronder in dat geval ook de Nederlandse omzet. Op basis van die informatie kunnen de andere lidstaten beoordelen of de ondernemer (nog steeds) voldoet aan de toepassingsvereisten. Het periodiek verstrekken van
deze informatie levert op zichzelf een administratieve last op voor de ondernemer. Dit effect wordt wel beperkt door een vereenvoudigde rapportageprocedure. Dit houdt in dat de ondernemer slechts aan de lidstaat van vestiging de benodigde informatie hoeft
te verstrekken.
7. Uitvoeringskosten Belastingdienst
PM
8. Advies en consultatie
PM
9. Transponeringstabel
Tabel 2: Transponeringstabel in verband met de implementatie van artikel 1 richtlijn 2020/285 Richtlijn 2020/285
Beleidsruimte bij omzetting
Wet OB 1968 of anderszins
Artikel 1, eerste lid: artikel 2, lid 1, punt b, subonderdeel i
Nee
Artikel 1a, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 1, tweede lid: artikel 139, lid 1 en 2
Nee
Reeds geïmplementeerd in artikel 9, lid 2, onderdeel b, juncto Tabel II, onderdeel a, post 6.
Artikel 1, derde lid: artikel 167bis
Nee
Behoeft geen implementatie omdat het op een optionele bepaling ziet die Nederland niet heeft toegepast.
Artikel 1, vierde lid: artikel 169, punt a
Nee
Artikel 15, tweede lid, onderdeel a.
Artikel 1, vijfde lid: artikel 220bis, lid 1, punt c
Nee
Artikel 34d, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 1, zesde lid: artikel 270, punt a
Nee
Behoeft geen implementatie omdat het op een optionele bepaling ziet die Nederland niet heeft toegepast.
Artikel 1, zevende lid: artikel 272, lid 1, punt d
Nee
Behoeft geen implementatie omdat de vervallen bepaling ziet op mogelijkheden van Lidstaten.
Artikel 1, achtste lid: titel
Nee
Artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 1, negende lid: titel
Nee
Behoeft geen implementatie omdat dit alleen op de tekst van de Richtlijn ziet.
1, tiende lid: artikel 282 Behoeft geen implementatie omdat dit alleen op de tekst
Nee
van de Richtlijn ziet. Behoeft geen
Artikel 1, elfde lid
Nee
implementatie omdat deze te vervallen bepaling als zodanig niet is opgenomen in de Wet OB 1968. Artikel 1, twaalfde lid:
artikel 284, lid 1, eerste alinea en lid 2 aanhef Artikel 1, twaalfde lid:
Ja
Artikel 25a, eerste lid.
artikel 284, lid 2, punt a Artikel 1, twaalfde lid:
Nee
Artikel 25a, derde lid.
artikel 284, lid 2, punt b Artikel 1, twaalfde lid:
Nee
Artikel 25a, eerste lid.
artikel 284, lid 3 aanhef, punten a en b Artikel 1, twaalfde lid:
Nee
Artikel 25c, eerste lid, onderdelen a en b.
artikel 284, lid 3, tweede en derde alinea Ja, tweede alinea
Nee, derde alinea Artikel 1, twaalfde lid:
Artikel 25c, vijfde lid.
artikel 284, lid 4, eerste alinea Artikel 1, twaalfde lid:
Nee
Artikel 25c, tweede lid.
artikel 284, lid 4, tweede alinea Artikel 25a,
Nee
achtste lid. Artikel 25c, vierde lid. Artikel 1, twaalfde lid:
artikel 284 lid 5 aanhef, punten a en b Artikel 25a, zesde lid.
Nee
Artikel 25c, derde lid. Artikel 1, twaalfde lid:
artikel 284, lid 5, laatste alinea Artikel 25c, vijfde
Nee
en zesde lid. Artikel 1, twaalfde lid:
artikel 284, lid 6 Behoeft geen implementatie omdat in Nederland de
Nee
nationale munteenheid gelijk is aan de euro.
1, dertiende lid: artikel 284bis Artikel 1, dertiende lid:
Nee
Artikel 25d.
artikel 284ter Artikel 1, dertiende lid:
Nee
Artikel 25e.
artikel 284quater Artikel 1, dertiende lid:
Ja
Artikel 25f.
artikel 284quinquies, lid 1, punt a Behoeft geen implementatie
Nee
omdat Nederland deze bepalingen op een andere wijze heeft geïmplementeerd. Artikel 1, dertiende lid:
artikel 284quinquies, lid 1, punt b en lid 2 Behoeft geen implementatie omdat ingevolge artikel 6,
Nee
derde lid, AWR juncto artikel 3 Uitvoeringsregeling AWR een ondernemer niet gehouden is tot het verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte indien geen belasting verschuldigd is. Artikel 1, dertiende lid:
artikel 284quinquies, lid 3 Behoeft geen implementatie omdat het op een optionele
Nee
bepaling ziet die Nederland niet heeft toegepast. Artikel 1, dertiende lid:
artikel 284sexies Behoeft geen implementatie omdat het alleen op de tekst
Nee
Artikel 25g.
Artikel 1, viertiende lid:
Nee
van de Richtlijn ziet. Artikel 1, vijftiende lid:
artikel 288 Artikel 1, zestiende lid:
Nee
Artikel 25.
artikel 288bis, lid 1 en 2 Artikel 1, zestiende lid:
Ja
Artikel 25a, negende en tiende lid.
artikel 288bis, lid 3 Behoeft geen implementatie omdat Nederland geen van
Nee
de euro afwijkende nationale munt heeft. Artikel 1, zeventiende lid:
artikel 290 Artikel 25a, vijfde lid.
Ja
Artikel 25a, zevende lid. Artikel 25a, achtste lid. Behoeft geen implementatie omdat het alleen te vervallen
Artikel 1, achttiende lid
Nee
bepaling in de Richtlijn bevat.
Artikel 1, negentiende lid: titel Behoeft geen implementatie omdat het alleen tekst
Nee
in de Richtlijn bevat. Artikel 1, negentiende lid:
artikel 292bis Artikel 1, negentiende lid:
Nee
Behoeft geen implementatie.
artikel 292ter, eerste alinea Artikel 25b, eerste en
Ja
derde lid. Artikel 1, negentiende lid:
artikel 292quater Behoeft
Ja
geen implementatie omdat de ontheffing voor het doen van aangifte reeds geldt op grond van de AWR, zie hiervoor bij artikel 1, dertiende lid: artikel 284quinquies. Artikel 1, negentiende lid:
artikel 292quinquies Artikel 25b,
Ja
tweede lid. Artikel 37a. Behoeft geen implementatie omdat het alleen de tekst
Artikel 1, twintigste lid
Nee
van de Richtlijn betreft. Artikel 1, eenentwintigste
lid: artikel 314, punt c Artikel 1, tweeëntwintigste
Nee
Artikel 28b, tweede lid, onderdeel c.
lid: artikel 334, punt c Behoeft geen implementatie omdat Nederland de
Nee
facultatieve bijzondere regeling voor de verkoop op openbare veilingen van artikel 333 e.v. van de BTW-richtlijn 2006 niet heeft geïmplementeerd
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I, onderdeel A (artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
De wijziging van artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968 is louter technisch van aard. De Richtlijn kleineondernemersregeling wijzigt de Btw-richtlijn 2006. Dat noopt tot een aanpassing van de verwijzing in de Wet OB 1968.
Artikel I, onderdeel B (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
De wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5, Wet OB 1968 is technisch van aard. De kleineondernemersregeling wordt verplaatst van artikel 25, eerste lid, naar artikel 25a, eerste lid, Wet OB 1968.
Artikel I, onderdeel C (artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 15, eerste lid, Wet OB 1968 bepaalt voor welke handelingen de ondernemer de in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen. Artikel 15, tweede lid, onderdeel a, Wet OB 1968 regelt vervolgens dat de ondernemer recht op aftrek van omzetbelasting
heeft voor zover goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor handelingen die door de als zodanig handelende ondernemer buiten Nederland worden verricht en waarvoor aftrek zou ontstaan als ze binnen Nederland zouden plaatsvinden. De aanpassing
van artikel 15, tweede lid, Wet OB 1968 is nodig om deze bepaling af te stemmen op de nieuwe bepalingen van de BTW-richtlijn 2006.
De wijziging in het tweede lid regelt dat het vorenstaande niet geldt als een ondernemer in een andere lidstaat dan Nederland de kleineondernemersregeling toepast, maar in Nederland in de heffing wordt betrokken en aftrekrecht heeft. Deze ondernemer kan
de omzetbelasting die verband houdt met de in die andere lidstaat verrichte prestaties niet in aftrek brengen in Nederland. Het recht op aftrek van omzetbelasting is ook uitgesloten in de situatie dat een ondernemer in Nederland de kleineondernemersregeling
toepast, maar in een andere lidstaat belastbare handelingen verricht. Deze ondernemer heeft dan geen recht op aftrek van omzetbelasting in Nederland, ongeacht of de omzetbelasting toerekenbaar is aan handelingen die verricht zijn in een andere lidstaat waar
de kleineondernemersregeling niet wordt toegepast. Deze beperking van het recht op aftrek voorkomt dat de kleine ondernemer – ondanks de administratieve ontheffingen in Nederland – alsnog per aangiftetijdvak zijn voorbelasting moet splitsen in aftrekbare en
niet-aftrekbare voorbelasting in verband met de zowel belaste als vrijgestelde handelingen en hiervoor aangiften zou moeten indienen.
Artikel I, onderdeel D (artikel 23, vijfde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
De wijziging van artikel 23, vijfde lid, Wet OB 1968 betreft een aanpassing van een verwijzing. Deze aanpassing is louter technisch van aard.
Artikel I, onderdeel E (Hoofdstuk V, afdeling 1, artikelen 25 t/m 25g van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 25
Het voorgestelde artikel 25 Wet OB 1968 is gebaseerd op artikel 280bis en artikel 288 van de BTW-richtlijn 2006. Het bewerkstelligt de introductie van de begrippen ‘jaaromzet in Nederland’ en ‘jaaromzet in de Unie’.
De jaaromzet in Nederland is van belang voor het bepalen of een ondernemer onder de Nederlandse omzetdrempel blijft en daarmee in aanmerking komt voor de kleineondernemersregeling in Nederland. De in de andere lidstaten gevestigde ondernemers kunnen eveneens
in aanmerking komen voor de kleineondernemersregeling indien zij tevens onder de drempel voor de jaaromzet in de Unie blijven. De drempel voor de jaaromzet in de Unie is bovendien relevant voor in Nederland gevestigde ondernemers die in een andere lidstaat
voor de kleineondernemersregeling willen opteren.
Eerste lid, onderdeel a
In het voorgestelde artikel 25, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968 wordt het begrip “jaaromzet in Nederland” gedefinieerd. Daaronder wordt verstaan het totaal van de vergoedingen ter zake van bepaalde leveringen van goederen en diensten verricht door een
ondernemer binnen Nederland gedurende een kalenderjaar. Het voorgestelde artikel 25, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968 beoogt geen materiële wijziging voor het berekenen van de omzet in Nederland. Volledigheidshalve wordt hierna niettemin kort ingegaan
op de verschillende onderdelen van het voorgestelde artikel 25, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968.
Eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°
Tot de jaaromzet in Nederland wordt op grond van subonderdeel 1° allereerst gerekend de som van de vergoedingen, exclusief omzetbelasting, van de in Nederland verrichte leveringen van goederen en diensten, voor zover deze belast zouden zijn als deze door
een ondernemer die de kleineondernemersregeling niet toepast, waren verricht. Hierbij is niet van belang of de prestaties worden belast naar het algemene btw-tarief, het verlaagde btw-tarief of het 0%-tarief. Ook de omzet behaald met intracommunautaire goederenleveringen
en de export van goederen vanuit Nederland worden ertoe gerekend. Tot de omzet wordt ook gerekend de vergoeding voor de levering van goederen die – in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen – worden uitgevoerd uit de Unie als reizigersbagage of als
zending waaraan elk handelskarakter vreemd is. Bij leveringen van goederen waar de omzetbelasting wordt betaald over de winstmarge, zoals de reisbureauregeling en de regeling voor gebruikte goederen, word de volledige omzet meegerekend als omzet voor toepassing
van de kleineondernemersregeling. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 9 juli 2019
Eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°
In subonderdeel 2° wordt een tweed element aan de jaaromzet in Nederland toegevoegd. Vooropgesteld wordt dat de omzet uit leveringen van goederen en diensten die vrijgesteld zijn op grond van artikel 11 Wet OB 196 grotendeels buiten de omzetbepaling voor
de kleineondernemersregeling blijft. Hier op bestaan conform de BTW-richtlijn 2006 enkele uitzonderingen. Het betreft de omzet behaald met de vrijgestelde levering en verhuur van onroerende zaken als bedoeld n artikel 11, eerste lid, onderdelen a en b, Wet
OB 1968 en handelingen ter zake van de vrijgestelde betaalmiddelen, effecten en financiële diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen i en j van genoemde wet. Bij laatstbedoelde handelingen gaat het bi voorbeeld om de omzet verkregen uit bepaalde
vrijgestelde prestaties op het gebied van het betaalverkeer, de handel in effecten en kredietverlening. Daarnaast telt ook de omzet uit verzekeringsdiensten mee, welke handelingen in artikel 1, eerste lid onderdeel k, Wet OB 1968 zijn vrijgesteld van omzetbelasting.
Voor deze uitzonderingen is aansluiting gezocht bij de tekst van de BTW richtlijn 2006.
De omzet uit de voorgenoemde vrijgestelde prestaties worden niet in jaaromzet in Nederland meegenomen indien dit met andere handelingen samenhangende handelingen zijn. Volgens het HvJ EU betreffen dit handelingen die niet tot de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten
van de ondernemer behoren.6 De beantwoording van de vraag of sprake is van een “met andere handelingen samenhangende handelingen” hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval.7
Eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3e
Met subonderdeel 3° wordt tot de jaaromzet in Nederland ook gerekend het bedrag van de vergoeding voor de goederen die een ondernemer levert aan een afnemer aan wie op grond van artikel 24, eerste of tweede lid, Wet OB 1968 teruggaaf of ontheffing wordt
verleend. Dit zijn handelingen betreffende:
1. de uitvoer van goederen uit de Unie of het plaatsen onder de regeling douane-entrepot in het kader van hun menslievende, liefdadige of opvoedkundige werk buiten de Unie, waarvoor op verzoek teruggaaf van btw wordt verleend.
2. de levering van goederen ten behoeve van natuurlijke personen die de goederen anders dan als ondernemer uitvoeren en waarbij aan de leverancier onder voorwaarden een ontheffing wordt verleend van de verschuldigdheid van btw ter zake van de levering van
die goederen.
Eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4°
Subonderdeel 4° rekent het bedrag van de vergoedingen voor handelingen waarvoor bij of krachtens artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan de afnemer een vrijstelling van btw wordt verleend tot de jaaromzet in Nederland. Het
gaat hier om leveringen van goederen en diensten aan afnemers aan wie een vrijstelling van belasting is verleend vanwege volkenrecht of aan andere voor vrijstelling aangewezen personen, zoals buitenlandse diplomaten en buitenlandse NAVO-strijdkrachten.
Eerste lid, onderdeel b
Het voorgestelde artikel 25, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968 introduceert het begrip “jaaromzet in de Unie”. Hiermee wordt bedoeld de jaaromzet in Nederland en het totaal van de vergoedingen gedurende een kalenderjaar ter zake van bepaalde leveringen
van goederen en diensten verricht door een ondernemer binnen de andere lidstaten van de Unie. Voor zover het gaat om omzet behaald in andere lidstaten wordt aangesloten bij de tekst van de BTW-richtlijn 2006. De genoemde bedragen volgen uit artikel 288, leden
1 en 2, BTW-richtlijn 2006.
Tweede lid
Het voorgestelde artikel 25, tweede lid, Wet OB 1968 maakt een uitzondering op de vaststelling van de jaaromzet in Nederland. Het gaat daarbij om de vergoeding die de ondernemer ontvangt voor enerzijds de levering van in zijn bedrijf gebruikte onroerende
zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen en anderzijds roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of waarop de ondernemer zou kunnen afschrijven indien diegene aan een zodanige belasting zou
zijn onderworpen. Deze vergoedingen worden niet meegenomen in de jaaromzet in Nederland. Voorbeelden hiervan zijn de levering van een bedrijfspand of een bedrijfsauto. Het uitsluiten van genoemde prestaties beoogt te voorkomen dat een ondernemer bijvoorbeeld
door de verkoop van een bedrijfspand eenmalig boven de omzetgrens uitkomt en daardoor onbedoeld de regeling niet meer kan toepassen. Deze handelingen worden in de huidige kleineondernemersregeling ook niet meegenomen voor het bepalen van de relevante omzet.
Artikel 25a
Artikel 25a Wet OB 1968 regelt onder welke voorwaarden een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer gebruik kan maken van de kleineondernemersregeling in Nederland. Door toepassing van de kleineondernemersregeling in Nederland is geen omzetbelasting
verschuldigd voor leveringen van goederen en diensten die de ondernemer in Nederland verricht, maar kan de ondernemer de in rekening gebrachte voorbelasting ook niet in aftrek brengen. Het betreft een keuzeregeling. Een ondernemer die voldoet aan de voorwaarden,
waaronder de omzetdrempel, kan kiezen of hij gebruik wil maken van deze regeling.
Eerste lid
Een ondernemer die in een andere lidstaat is gevestigd en van wie de jaaromzet in Nederland niet meer dan € 20.000 bedraagt, kan gebruikmaken van de Nederlandse kleineondernemersregeling. De jaaromzet in Nederland is gedefinieerd in artikel 25, eerste lid,
onderdeel a, Wet OB 1968.
Tweede lid
Het tweede lid van artikel 25a Wet OB 1968 regelt dat de Nederlandse kleineondernemersregeling niet van toepassing is op met 0% btw-belaste intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen die door of voor rekening van de verkoper of de afnemer worden
verzonden of vervoerd naar een plaats in een andere lidstaat. Deze in artikel 283 BTW-richtlijn 2006 voorgeschreven uitzondering past in het systeem van de BTW-richtlijn 2006, waarin alle leveringen van nieuwe vervoermiddelen worden belast via de systematiek
van de met 0% btw-belaste intracommunautaire levering in de lidstaat van vertrek en de afdracht van btw over de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst. Dit geldt ongeacht of de levering of de verwerving gebeurt door een ondernemer of een
particulier. De kleineondernemersregeling is daarnaast niet van toepassing op de levering van onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen en die de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt. Dit zijn de leveringen van onroerende zaken en rechten
waaraan deze zijn onderworpen die ook niet worden meegerekend voor het bepalen van de omzet van de ondernemer. Ten opzichte van de huidige kleineondernemersregeling is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Derde lid
In artikel 25a, derde lid, Wet OB 1968 is een additionele voorwaarde opgenomen voor ondernemers uit een andere lidstaat. Om in aanmerking te komen voor de kleineondernemersregeling in de Nederland mag de jaaromzet in de Unie van deze ondernemer, naast de
Nederlandse omzetdrempel, tevens de drempel van € 100.000 niet overschrijden. Deze zogenoemde Unie-omzetdrempel geldt niet voor de toepassing van de kleineondernemersregeling in Nederland door een Nederlandse ondernemer. Bij een overschrijding van de Unie-omzetdrempel
kunnen Nederlandse ondernemers gebruik blijven maken van de kleineondernemersregeling in Nederland, zolang de Nederlandse omzetdrempel niet wordt overschreden.
Vierde lid
Het vierde lid regelt dat een ondernemer die de kleineondernemersregeling in Nederland toepast hier geen recht heeft op aftrek van voorbelasting voor aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten. Deze bepaling brengt voor de Nederlandse ondernemer
materieel geen wijzigingen aan ten opzichte van de huidige kleineondernemersregeling. Bij zogenoemde sfeerovergangen, dat wil zeggen ondernemers die ervoor kiezen om van de btw-belaste sfeer over te gaan op de kleineondernemersregeling (vrijstelling) of andersom,
gelden de herzieningsregels van artikel 15, vierde en zesde lid, van de Wet OB 1968 en de regelingen in hoofdstuk VI van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. De herzieningsdrempel, opgenomen in artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringsbeschikking
omzetbelasting 1968, wijzigt niet.
Verder regelt het vierde lid dat een ondernemer die gebruikmaakt van de kleineondernemersregeling in Nederland, ter zake van vrijgestelde handelingen op geen enkele wijze melding mag maken van omzetbelasting op de facturen. Voor de Nederlandse ondernemer
is dus geen materiële wijziging van de regeling beoogd.
Vijfde lid
Het vijfde lid regelt dat de in Nederland gevestigde ondernemer die kiest voor toepassing van de Nederlandse kleineondernemersregeling hiervan melding moet doen uiterlijk vier weken voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de vrijstelling voor het eerst
wordt toegepast. De melding dient plaats te vinden op een door de inspecteur voorgeschreven wijze. Aldus wordt vóór het belastingtijdvak waarin de ondernemer de Nederlandse kleineondernemersregeling wil toepassen duidelijkheid gecreëerd voor de ondernemer
en de inspecteur ten aanzien van de verplichtingen die op de ondernemer rusten. Deze termijn is ook bedoeld om de melding administratief te verwerken. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat een ondernemer de regeling niet mag
toepassen. Dat kan als niet aannemelijk is dat een ondernemer zal voldoen aan de gestelde voorwaarden, bijvoorbeeld wanneer de betreffende ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar niet aan de Nederlandse omzetdrempel voldoet. De reguliere btw-regels blijven
dan van toepassing, totdat een uitspraak op bezwaar of beroep anders bepaalt.
Zesde lid
Het zesde lid is gebaseerd op artikel 284, lid 4, BTW-richtlijn 2006. Deze bepaling heeft betrekking op de procedurele voorwaarden voor toepassing van de kleineondernemersregeling in Nederland door een ondernemer gevestigd in een andere lidstaat. Deze ondernemer
dient zich in de lidstaat van vestiging bij de competente belastingautoriteit te melden om voor toepassing van de kleineondernemersregeling in Nederland in aanmerking te komen.
Bepaald wordt dat de kleineondernemersregeling in Nederland van toepassing is vanaf de datum dat – na een voorafgaande kennisgeving - aan een ondernemer het individuele identificatienummer is meegedeeld door de lidstaat van vestiging. Het gaat hier om het
individuele identificatienummer met het achtervoegsel “EX” dat wordt verstrekt door de lidstaat waar de ondernemer gevestigd is. In Nederland wordt aan deze in het buitenland gevestigde ondernemer dus geen btw-identificatienummer met achtervoegsel “EX” verstrekt.
Het zesde lid, onderdeel b, regelt dat bij een actualisering van een voorafgaande kennisgeving de kleineondernemersregeling in Nederland van toepassing is vanaf de datum dat aan de ondernemer het btw-identificatienummer is bevestigd. Voor de voorafgaande kennisgeving
en de actualisering van de voorafgaande kennisgeving door de ondernemer en de daaropvolgende mededeling of bevestiging van het individuele identificatienummer gelden de regels van de lidstaat van vestiging.
Zevende lid
Het zevende lid bepaalt dat de toepassing van de vrijstelling in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Een Nederlandse ondernemer kan de toepassing van de vrijstelling in Nederland evenwel vrijwillig opzeggen. De wederopzegging dient plaats te vinden op een
door de inspecteur voorgeschreven wijze. Dit moet de ondernemer doen uiterlijk vier weken voorafgaand aan het belastingtijdvak waarin de vrijstelling wordt beëindigd. Deze termijn is gesteld om de wederopzegging administratief te verwerken en om voorafgaand
aan een tijdvak duidelijkheid te geven aan de ondernemer en de inspecteur over de btw-positie. Vanzelfsprekend zijn aan een sfeerovergang gevolgen verbonden, zoals de regelgeving rondom herziening. In de situatie tot en met 31 december 2024, de huidige KOR,
geldt een verplichte deelname aan de regeling van drie kalenderjaren.
De termijn waarin een ondernemer na een vrijwillige wederopzegging de kleineondernemersregeling niet meer kan toepassen wordt eveneens ingekort. Voortaan kan na afloop van het kalenderjaar van beëindiging door wederopzegging en het daaropvolgende kalenderjaar
opnieuw voor de toepassing van de regeling worden geopteerd. Deze termijn sluit aan bij de termijn waarin een ondernemer de kleineondernemersregeling niet kan toepassen bij de overschrijding van de nationale omzetgrens. Na afloop van deze termijn kan een ondernemer
– die voldoet aan de voorwaarden – de kleineondernemersregeling wederom toepassen. Daarvoor is wel een tijdige aanmelding conform het vijfde lid van artikel 25a Wet OB 1968 nodig.
De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de vrijstelling wordt beëindigd indien de Nederlandse ondernemer niet meer aan de gestelde voorwaarden van het eerste lid voldoet. De reguliere btw-regels gaan dan weer voor de ondernemer
gelden, totdat een uitspraak op bezwaar of beroep anders bepaalt.
Achtste lid
In overeenstemming met artikel 284, lid 4, BTW-richtlijn 2006, wordt in het achtste lid geregeld dat de toepassing van de Nederlandse kleineondernemersregeling door een ondernemer uit een andere lidstaat vrijwillig kan worden beëindigd. Deze beëindiging
dient plaats te vinden door middel van een actualisering van de voorafgaande kennisgeving in de lidstaat van vestiging. De beëindiging treedt in werking op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de ontvangst van de zogenoemde actualisering. Een
ontvangen actualisering in de laatste maand van een kalenderkwartaal beëindigt de kleineondernemersregeling op de eerste dag van de tweede maand van het volgende kalenderkwartaal.
Een vrijwillige beëindiging heeft tot gevolg dat het opnieuw kunnen toepassen van de kleine ondernemersregeling pas kan plaatsvinden na afloop van het kalenderjaar van beëindiging door wederopzegging en het daaropvolgende kalenderjaar. Deze termijn is gelijk
aan de termijn die geldt wanneer de kleineondernemersregeling is geëindigd door overschrijding van de Nederlandse omzetdrempel of de Unie-omzetdrempel. Een ondernemer – die voldoet aan de voorwaarden – kan na het verstrijken van de genoemde periode opnieuw
opteren voor de kleineondernemersregeling in Nederland. De ondernemer zal in dat geval een voorafgaande kennisgeving dan wel een actualisering van de voorafgaande kennisgeving moeten indienen in zijn eigen lidstaat.
Negende lid
Het negende lid is gebaseerd op artikel 288bis van de BTW-richtlijn 2006. Deze bepaling heeft betrekking op de gevolgen van de overschrijding van enerzijds de Nederlandse omzetdrempel en anderzijds van de Unie-omzetdrempel door een ondernemer die de kleineondernemersregeling
nog niet toepast.
Een ondernemer die de Nederlandse omzetdrempel in het voorafgaande kalenderjaar overschrijdt, kan geen gebruikmaken van de Nederlandse kleineondernemersregeling. Het negende lid bevat tevens regels met betrekking tot de overschrijding van de Unie-omzetdrempel
van € 100.000 door een ondernemer die in een ander lidstaat is gevestigd en die in Nederland de kleineondernemersregeling wil gaan toepassen. Ook hier geldt dat de in de andere lidstaat gevestigde ondernemer geen gebruik kan maken van de Nederlandse kleineondernemersregeling,
ingeval deze ondernemer de Unie-omzetdrempel in het voorafgaande kalenderjaar heeft overgeschreden.
Tiende lid
Het tiende lid is ook gebaseerd op artikel 288bis van de BTW-richtlijn 2006. Deze bepaling heeft betrekking op de gevolgen van de overschrijding van enerzijds de Nederlandse omzetdrempel en anderzijds van de Unie-omzetdrempel door een ondernemer die de kleineondernemersregeling
in Nederland al wel toepast.
Een ondernemer die de Nederlandse omzetdrempel overschrijdt, kan vanaf dat moment geen gebruik meer maken van de kleineondernemersregeling in Nederland. Alle leveringen van goederen en diensten die worden verricht na de overschrijding en de overschrijdende
handeling zelf kunnen in het kalenderjaar niet onder de kleineondernemersregeling vallen. De betreffende handelingen zijn dan aan btw-heffing onderworpen. Bovendien zal de ondernemer de inspecteur (tijdig) moeten verzoeken om uitreiking van een aangifte. De
overschrijding heeft niet alleen gevolgen voor het kalenderjaar waarin deze plaatsvindt, maar ook voor het volgende kalenderjaar. Een ondernemer mag na de overschrijding de kleineondernemersregeling ook niet toepassen in dat volgende kalenderjaar. Een overschrijding
van de omzetdrempel heeft dus gevolgen voor een ondernemer die na een overschrijding de kleineondernemersregeling weer wil toepassen. Daarvoor geldt een wachttijd. Gedurende die periode zal de ondernemer moeten handelen als btw-belaste ondernemer. Een kwalificerende
ondernemer kan na de wachtperiode weer voor de kleineondernemersregeling in aanmerking komen, maar zal daar wel om moeten verzoeken.
Het tiende lid bevat tevens regels met betrekking tot de overschrijding van de Unie-omzetdrempel van € 100.000 door een ondernemer gevestigd in een andere lidstaat die de Nederlandse kleineondernemersregeling toepast. Het kan voorkomen dat deze ondernemer
de Nederlandse omzetdrempel van € 20.000 niet heeft overschreden, maar wel de Unie-omzetdrempel van € 100.000 heeft overschreden. De ondernemer uit een andere lidstaat kan de kleineondernemersregeling in Nederland dan niet langer toepassen. Alle prestaties
die in Nederland worden verricht na de overschrijding en de overschrijdende handeling zelf, indien deze in Nederland plaatsvindt, vallen niet meer onder de vrijstelling van de Nederlandse kleineondernemersregeling. Ook in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar
waarin de overschrijding heeft plaatsgevonden kan een ondernemer uit een andere lidstaat dan geen aanspraak op de Nederlandse kleineondernemersregeling maken. Alle btw-verplichtingen die gelden voor belaste btw-ondernemers zijn van toepassing. Dit betekent
ook dat deze ondernemer zich mogelijk moet registreren in Nederland, tenzij – bijvoorbeeld - gebruik wordt gemaakt van het éénloketsysteem of een verleggingsregeling van toepassing is.
Een Nederlandse ondernemer kan de Nederlandse kleineondernemersregeling overigens blijven toepassen indien de Unie-omzetdrempel wordt overschreden, zolang de Nederlandse omzetdrempel van € 20.000 niet wordt overschreden.
Artikel 25b
Artikel 25b Wet OB 1968 regelt een aantal administratieve ontheffingen voor ondernemers die gebruikmaken van de kleineondernemersregeling. Deze worden hierna toegelicht.
Eerste lid
Het eerste lid bevat een substantiële vereenvoudiging voor bepaalde Nederlandse ondernemers die uitsluitend in Nederland willen gebruikmaken van de kleineondernemersregeling. De regeling is bedoeld voor ondernemers met een lage jaaromzet in Nederland van
maximaal € 1.800. Onder de voorwaarde dat deze ondernemers zich nog niet voor de omzetbelasting hebben gemeld bij de inspecteur of bij de Kamer van Koophandel (en ook niet verplicht zijn om zich bij de Kamer van Koophandel te melden) en een jaaromzet in Nederland
hebben van maximaal € 1.800, kunnen zij gebruikmaken van de kleineondernemersregeling zonder zich daarvoor aan te melden bij de inspecteur. De ondernemer wordt dan ook niet geïdentificeerd met een btw-identificatienummer. Als deze ondernemer na verloop van
tijd de kleineondernemersregeling niet meer wil toepassen, dan hoeft diegene zich daarvoor niet af te melden. De ondernemer zal zich dan wel voor de omzetbelasting moeten melden bij de inspecteur. Het zevende lid van artikel 25a Wet OB 1968 is niet op deze
ondernemer van toepassing en hij kan zich op elk moment alsnog melden bij de inspecteur voor de uitreiking van een aangifte. Ondernemers die al voor de omzetbelasting zijn of moeten worden geregistreerd, bijvoorbeeld omdat zij zich melden bij de inspecteur
vanwege een recht op aftrek of teruggaaf van btw, of omdat deze ondernemers ingevolge de Handelsregisterwet 2007 verplicht zijn om zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel, komen niet in aanmerking voor deze regeling. Ingeval de jaaromzet in Nederland
het bedrag van € 1.800 overschrijdt, moet een ondernemer zich melden bij de inspecteur. De ondernemer kan zich dan met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen desgewenst melden voor toepassing van de kleineondernemersregeling, zolang de jaaromzet in
Nederland niet meer dan € 20.000 bedraagt.
Ingeval een forfait wordt toegepast om de belastingschuld te berekenen, zoals bij particuliere zonnepaneelhouders, moet de omzet berekend uit het forfait worden meegeteld bij het bepalen van de jaaromzet in Nederland. Te weten 100/21 x forfait als het algemene
tarief van toepassing is op de onderliggende prestatie of 100/9 x forfait als het verlaagde tarief daarop van toepassing is.
Tweede lid
Het tweede lid bewerkstelligt dat de ondernemers die de vrijstelling toepassen, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, Wet OB 1968, zijn ontheven van de administratieve verplichtingen geregeld in artikel 34, 34c tot en met 35b en 37a. Het gaat hier om ondernemers
uit de Unie die in Nederland de kleineondernemersregeling toepassen. De verplichtingen genoemd in de artikelen 34, 34c tot en met 35b en 37a hebben betrekking op het uitreiken van facturen, de indiening van een listing voor de intracommunautaire leveringen
van goederen en andere administratieve verplichtingen. Wel blijft een ondernemer verplicht om kopieën van de door hem dan wel, in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn afnemer of door een derde uitgereikte facturen en alle door hem zelf ontvangen facturen
in zijn administratie te bewaren (artikel 35c). Op grond van de bewaarde facturen kan ook de eventuele herziening worden berekend, indien de ondernemer op enig moment niet meer de kleineondernemersregeling toepast.
Overigens hoeft een ondernemer die in Nederland de kleineondernemersregeling toepast, voor de handelingen waarop de vrijstelling betrekking heeft, niet om uitreiking van aangifte te verzoeken. Deze ondernemer is door de toepassing van de kleineondernemersregeling
immers geen omzetbelasting verschuldigd.
Derde lid
Op grond van het derde lid geldt de ontheffing van de verschillende verplichtingen bedoeld in het eerste tot en het tweede lid niet voor een ondernemer naar wie de verschuldigdheid voor het afdragen van omzetbelasting is verlegd op grond van artikel 12,
tweede, derde en vijfde lid, Wet OB 1968. De ontheffing geldt ook niet als de ondernemer intracommunautaire verwerving van goederen verricht waarvoor de ondernemer op basis van artikel 17f Wet OB 1968 de omzetbelasting verschuldigd is. Een uitzondering daarop
is de intracommunautaire verwerving van een goed dat is geleverd door een ondernemer die de kleineondernemersregeling toepast in de lidstaat van waaruit die ondernemer dit goed levert.
Artikel 25c
Artikel 25c Wet OB 1968 heeft betrekking op Nederlandse ondernemers die (ook) in een andere lidstaat gebruik willen maken van de kleineondernemersregeling. Deze ondernemers moeten voor de toepassing van de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat
voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn in die betreffende lidstaat. De Unie-omzetdrempel is voor de gehele Unie gelijk, maar de hoogte van de nationale omzetdrempel kunnen lidstaten zelf vaststellen tot een bedrag van € 85.000.
Eerste lid
Het eerste lid bevat twee voorwaarden waaraan een Nederlandse ondernemer moet voldoen voordat de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat kan worden toegepast. Ten eerste moet de ondernemer een voorafgaande kennisgeving richten aan de Nederlandse
inspecteur. In het voorgestelde artikel 25d Wet OB 1968 staat voorgeschreven welke informatie deze kennisgeving dient te bevatten. Naast de voorafgaande kennisgeving, dient de ondernemer geïdentificeerd te zijn door een btw-identificatienummer in Nederland.
Dit nummer eindigt met het achtervoegsel “EX”. De ondernemer ontvangt het nummer van de inspecteur binnen de termijn vermeld in artikel 25c, vijfde lid, Wet OB 1968.
Tweede lid
Als sprake is van een wijziging in de toepassing van de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat, dan stelt de ondernemer de Nederlandse inspecteur op een door de inspecteur voorgeschreven wijze daarvan op de hoogte. Een wijziging van de eerder op
grond van het eerste lid verstrekte informatie in de voorafgaande kennisgeving dient aan de inspecteur te worden doorgegeven. Dit kan door middel van een actualisering van een voorafgaande kennisgeving. Deze actualisering wordt door de ondernemer voorafgaand
aan de wijziging doorgegeven. Het voorgestelde artikel 25d Wet OB 1968 heeft betrekking op de inhoud van de actualisering. De ondernemer stelt de inspecteur van de volgende wijzigingen door middel van een actualisering op de hoogte:
- De ondernemer heeft het voornemen gebruik te maken van de kleineondernemersregeling in een of meer andere lidstaten dan die waar hij de regeling al toepast;
- De ondernemer heeft het voornemen om de toepassing van de kleineondernemersregeling te beëindigen in een of meer lidstaten;
- Er is sprake van een wijziging van andere informatie die door de ondernemer eerder is verstrekt, zoals de naam, de activiteit, de rechtsvorm of het adres van de ondernemer.
Derde lid
Het derde lid is gebaseerd op artikel 284, lid 5, BTW-richtlijn 2006 en regelt dat de toepassing van de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat in werking treedt op het moment dat de Nederlandse ondernemer een voorafgaande kennisgeving heeft gedaan
aan de Nederlandse inspecteur en de inspecteur vervolgens het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” mededeelt aan de ondernemer. De inspecteur dient het btw-identificatienummer binnen 35 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving mede te delen
aan een ondernemer, zoals beschreven in het voorgestelde artikel 25c, vijfde lid, Wet OB 1968. Ingeval een ondernemer door middel van een actualisering van de voorafgaande kennisgeving aangeeft de kleineondernemersregeling te willen toepassen in nog een andere
lidstaat, kan de ondernemer de vrijstelling in de andere lidstaat toepassen vanaf de datum dat de inspecteur het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” heeft bevestigd. De inspecteur bevestigt het btw-identificatienummer eveneens binnen 35 werkdagen
na ontvangst van de actualisering.
Vierde lid
Het vierde lid heeft betrekking op de afmeldingstermijn voor de ondernemer die de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat toepast. Als een ondernemer de inspecteur meldt dat hij de toepassing van de kleineondernemersregeling in een andere lidstaat
wil beëindigen, dan wordt de beëindiging van kracht in het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de informatie wordt ontvangen. De toepassing van de kleineondernemersregeling wordt beëindigd op de eerste dag van het volgende kalenderkwartaal
als de melding in de eerste of tweede maand van het voorafgaande kalenderkwartaal is ontvangen. Als de ondernemer de melding doet in de laatste maand van het kalenderkwartaal, dan wordt de toepassing van de kleineondernemersregeling beëindigd op de eerste
dag van de tweede maand van het volgende kalenderkwartaal. Een ondernemer die in meerdere lidstaten de kleineondernemersregeling toepast, kan per lidstaat kiezen de toepassing van de regeling te beëindigen.
Vijfde lid
Het vijfde lid bepaalt dat de inspecteur het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” meedeelt aan de ondernemer binnen 35 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving. De termijn voor de actualisering, bedoeld in het voorgestelde tweede lid van
artikel 25c Wet OB 1968, bedraagt eveneens 35 werkdagen gerekend vanaf het moment van ontvangst van de actualisering door de Nederlandse inspecteur. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking dat geen btw-identificatie zal plaatsvinden indien
de ondernemer niet aan de voorwaarden van de vrijstelling voldoet.
Zesde lid
De termijn bedoeld in het vijfde lid kan op grond van het voorgestelde zesde lid van dit artikel langer zijn in bijzondere gevallen waarin de inspecteur met het oog op het voorkomen van belastingontduiking of –ontwijking meer tijd nodig heeft om de noodzakelijke
controles uit te voeren.
Artikel 25d
Het eerste lid bepaalt welke informatie de Nederlandse ondernemer dient te verstrekken aan de inspecteur in de voorafgaande kennisgeving en de actualisering.
Het voorgestelde tweede lid regelt wanneer de ondernemer de in het eerste lid, onderdeel c, van dit artikel bedoelde informatie over twee voorafgaande kalenderjaren moet geven. Dit is het geval als de ondernemer prestaties verricht in een lidstaat die gekozen
heeft voor een periode van twee kalenderjaren waarin een ondernemer de kleineondernemersregeling niet mag toepassen na een overschrijding van de omzetdrempel.
Het derde lid heeft betrekking op de informatie die de Nederlandse ondernemer moet opnemen in de actualisering van de voorafgaande kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 25c, tweede lid, van die wet. Als de ondernemer de toepassing van de kleineondernemersregeling
wil uitbreiden naar een andere lidstaat, dan dient deze ondernemer aanvullende informatie aan de inspecteur te verstrekken. De inhoud van die aanvullende informatie is afhankelijk van de informatie die de ondernemer al heeft verstrekt. In beginsel dient de
ondernemer dezelfde informatie voor die andere lidstaat te verstrekken aan de inspecteur als bij de voorafgaande kennisgeving, zoals opgenomen in het eerste en tweede lid van dit artikel. Voor zover de ondernemer de aanvullende informatie al via zijn periodieke
informatieverstrekking heeft gegeven, zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 25e Wet OB 1968, is een ondernemer niet verplicht de informatie nogmaals te verstrekken.
Het vierde lid bepaalt dat de actualisering steeds het btw-identificatienummer van de ondernemer moet bevatten.
Artikel 25e
Artikel 25e heeft betrekking op de verplichting voor een Nederlandse ondernemer die de kleineondernemersregeling in één of meer andere lidstaten toepast om ieder kalenderkwartaal informatie te verstrekken aan de inspecteur over de behaalde omzetten. Deze
informatie dient de ondernemer op een door de inspecteur voorgeschreven wijze te verstrekken. Dit artikel is van toepassing ongeacht of de ondernemer ook de Nederlandse kleineondernemersregeling toepast. De ondernemer dient de informatie voor alle lidstaten
en per afzonderlijke lidstaat te verstrekken.
Naast deze informatie moet de ondernemer ook steeds zijn btw-identificatienummer vermelden. Dit is het identificatienummer met het achtervoegsel “EX” dat op basis van artikel 25c, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968 aan hem is verstrekt.
Het tweede lid bewerkstelligt dat de ondernemer de informatie moet verstrekken binnen één maand te rekenen vanaf het einde van het kalenderkwartaal waarin de leveringen van goederen en diensten hebben plaatsgevonden.
Op basis van het derde lid dient een Nederlandse ondernemer die de Unie-omzetdrempel van € 100.000 overschrijdt, de inspecteur daarvan binnen 15 werkdagen op de hoogte te stellen op een door de inspecteur voorgeschreven wijze. Naast de melding van de overschrijding,
is de ondernemer verplicht het totale bedrag aan vergoedingen te melden voor de leveringen van goederen en diensten die zijn verricht vanaf het begin van het kalenderkwartaal waarin de overschrijding plaatsvindt tot de datum van de overschrijding. Het gaat
om al zijn leveringen van goederen en diensten in Nederland en in andere lidstaten, ongeacht of de ondernemer de kleineondernemersregeling in Nederland of in één van de andere lidstaten toepast.
Artikel 25f
De Nederlandse ondernemer die de kleineondernemersregeling wil toepassen in een of meer andere lidstaten dient de informatie, bedoeld in het voorgestelde artikel 25d Wet OB 1968, op te nemen in de voorafgaande kennisgeving of actualisering daarvan. De informatie
genoemd in artikel 25d, eerste lid, onderdelen c en d, ziet op omzetbedragen die de ondernemer over enig kalenderjaar behaalt met zijn leveringen van goederen en diensten in Nederland dan wel in een of meer andere lidstaten. Op grond van artikel 25e Wet OB
1968 moet deze ondernemer ook elk kalenderkwartaal informatie verstrekken over deze bedragen. Het voorgestelde artikel 25f, eerste lid, Wet OB 1968 bepaalt vervolgens waar de genoemde bedragen uit moeten bestaan, dat deze bedragen worden uitgedrukt in euro’s
en hoe de bedragen worden meegenomen indien een of meer lidstaten waar de ondernemer de kleineondernemersregeling toepast, gebruikmaakt van verschillende omzetdrempels voor verschillende sectoren.
De omzetbedragen worden gevormd door de bedragen die opgesomd staan in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968, voor zover het leveringen van goederen en diensten in Nederland betreft (artikel 25f, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968). De in het
tweede lid van artikel 25 genoemde vergoedingen worden daarbij niet in aanmerking genomen. Voor zover het gaat om leveringen van goederen en diensten in een of meer andere lidstaten, gaat het om bedragen die zijn opgesomd in artikel 288 van de BTW-richtlijn
2006 (artikel 25f, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968). Hier wordt naar een richtlijnbepaling verwezen, omdat het bedragen betreft die ontvangen worden voor leveringen van goederen en diensten verricht in een andere lidstaat of andere lidstaten. De Nederlandse
wet- en regelgeving is daarop niet van toepassing.
Lidstaten die de kleineondernemersregeling in hun nationale wet- en regelgeving implementeren, hebben de mogelijkheid om verschillende omzetdrempels te hanteren voor verschillende sectoren. Een ondernemer die leveringen van goederen of diensten verricht
in een lidstaat die verschillende van dergelijke omzetdrempels hanteert, is verplicht het totale bedrag van de leveringen van goederen en diensten voor elke drempel die van toepassing kan zijn, afzonderlijk te registreren (artikel 25f, eerste lid, onderdeel
d, Wet OB 1968).
Artikel 25g
Artikel 25g Wet OB 1968 heeft betrekking op de situatie waarin een Nederlandse ondernemer de toepassing van de kleineondernemersregeling in andere lidstaten volledig of gedeeltelijk beëindigt. De toepassing van de kleineondernemersregeling wordt volledig
beëindigd als dit gebeurt in alle lidstaten waar de ondernemer de regeling toepast. De toepassing van de regeling wordt gedeeltelijk beëindigd als deze in één of meerdere lidstaten wordt beëindigd, maar de ondernemer nog wel in een andere lidstaat of andere
lidstaten de regeling blijft toepassen.
Bij een volledige beëindiging, als gevolg van de situaties genoemd in dit artikel, deactiveert de inspecteur het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” van de ondernemer dat hij gebruikt voor de toepassing van de regeling buiten Nederland zodra
hij kennis heeft genomen van de beëindiging. Ingeval van een gedeeltelijke beëindiging deactiveert de inspecteur het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” voor de betrokken lidstaat zodra hij kennis heeft genomen van de informatie die op grond
van artikel 25c, eerste en tweede lid, Wet OB 1968 van de ondernemer is ontvangen. Voor zover de ondernemer de regeling in een andere lidstaat of andere lidstaten blijft toepassen, past de inspecteur met betrekking tot die lidstaten de informatie in de kennisgeving
niet aan of wordt het btw-identificatienummer niet gedeactiveerd. Het deactiveren van het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” en het aanpassen van de informatie in de voorafgaande kennisgeving geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking indien
dit plaatsvindt zonder actualisering van de voorafgaande kennisgeving.
De volledige of gedeeltelijke beëindiging vindt plaats in de volgende situaties:
1) De totale jaaromzet in de Unie overschrijdt de Unie-omzetdrempel. De ondernemer heeft dit op basis van artikel 25e, derde lid, Wet OB 1968 gemeld bij de inspecteur. In dit geval deactiveert de inspecteur het btw-identificatienummer met het achtervoegsel
“EX” van de ondernemer dat hij
gebruikt voor de toepassing van de kleineondernemersregeling buiten Nederland. Een aanpassing van de informatie in de voorafgaande kennisgeving is in deze situatie niet aan de orde, want bij een overschrijding van de Unie-omzetdrempel, kan de ondernemer
de regeling in geen enkele lidstaat meer blijven toepassen, met uitzondering van Nederland indien de jaaromzet in Nederland onder de € 20.000 blijft (artikel 25g, eerste lid, onderdeel a).
2) De lidstaat die de vrijstelling verleent, heeft gemeld dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of dat deze vrijstelling niet langer van toepassing is in die lidstaat. Voor die lidstaat past de inspecteur de informatie in de voorafgaande
kennisgeving aan. De toepassing van de regeling in andere lidstaten kan worden voortgezet als de ondernemer daar wel aan de voorwaarden voldoet. Als de lidstaat die de melding maakt de enige lidstaat is waar de ondernemer de regeling toepast, dan deactiveert
de inspecteur het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” van de ondernemer dat hij gebruikt voor de toepassing van de regeling buiten Nederland (artikel 25g, eerste lid, onderdeel b).
3) De ondernemer beslist om de toepassing van de kleineondernemersregeling in alle andere lidstaten te beëindigen. Dit dient de ondernemer te melden bij de inspecteur door middel van een actualisering van zijn voorafgaande kennisgeving op basis van artikel
25c, tweede en vierde lid, Wet OB 1968. De inspecteur deactiveert het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” van de ondernemer dat hij gebruikt voor de toepassing van de regeling in de andere lidstaten, ongeacht of hij de regeling in Nederland
blijft toepassen. De inspecteur past de informatie in de voorafgaande kennisgeving aan als de ondernemer de toepassing van de regeling in één of meerdere lidstaten wil beëindigen, maar in andere lidstaten wil blijven voortzetten (artikel 25g, eerste lid, onderdeel
c).
4) De werkzaamheden van de ondernemer zijn beëindigd. De ondernemer kan dit zelf hebben gemeld, of dit is anderszins aannemelijk geworden. De inspecteur deactiveert in dit geval het btw-identificatienummer met het achtervoegsel “EX” van de ondernemer dat
de ondernemer gebruikt voor de toepassing van de kleineondernemersregeling in andere lidstaten (artikel 25g, eerste lid, onderdeel d).
Artikel I, onderdeel G (artikel 28b, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
In verband met aanpassingen in de kleineondernemersregeling moeten ook de verwijzingen in artikel 28b, tweede lid, onderdeel c, Wet OB 1968 worden aangepast. In artikel 28b van de wet is de margeregeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen
voor verzamelingen en antiquiteiten opgenomen. Met de margeregeling wordt cumulatie van omzetbelasting voorkomen in de situatie waarin een bepaalde niet-aftrekgerechtigde leverancier een goed verkoopt aan een wederverkoper, die vervolgens bij doorverkoop winst
realiseert. In het huidige tweede lid van artikel 28b wordt bepaald dat de margeregeling slechts van toepassing is indien de wederverkoper de goederen heeft verkregen van specifiek omschreven niet-aftrekgerechtigde leveranciers, waaronder de Nederlandse ondernemer
die de Nederlandse kleineondernemersregeling, bedoeld in artikel 25, eerste lid, toepast, mits het een in zijn bedrijf gebruikte roerende zaak betreft waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of waarop deze ondernemer
zou kunnen afschrijven indien diegene aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen.
De wijziging van artikel 28b, tweede lid, onderdeel c, Wet OB 1968 bewerkstelligt dat een wederverkoper de margeregeling tevens kan toepassen indien een goed wordt geleverd door een ondernemer die in een andere lidstaat is gevestigd en die de Nederlandse
kleineondernemersregeling op grond van artikel 25a, eerste lid toepast. Door deze verwijzing naar artikel 25a Wet OB 1968, wordt de reikwijdte van de toepassing van de margeregeling vergroot.
Artikel I, onderdeel G (artikel 33f, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Nu de kleineondernemersregeling niet meer is opgenomen in artikel 25, eerste lid, maar in artikel 25a, eerste lid, Wet OB 1968 wordt de verwijzing naar die regeling met deze wijziging aangepast. Deze wijziging is louter technisch van aard.
Artikel I, onderdeel H (artikel 34d, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Aan artikel 34d, eerste lid, Wet OB 1968 wordt een onderdeel toegevoegd. Artikel 34d ziet op de mogelijkheid om te volstaan met een vereenvoudigde factuur. Aan de bestaande gevallen wordt een derde geval toegevoegd waarin kan worden volstaan met een vereenvoudigde
factuur. Op basis van artikel 25b Wet OB 1968 is een ondernemer die gevestigd is in de Unie, en die al dan niet gevestigd is in Nederland en in Nederland de kleineondernemersregeling toepast, ontheven van de verplichting om een factuur uit te reiken. De mogelijkheid
voor een vereenvoudigde factuur is daarom alleen relevant voor ondernemers die er alsnog voor kiezen een factuur uit te reiken. Op basis van artikel 25a, vierde lid, Wet OB 1968 mag deze ondernemer echter op de factuur op geen enkele wijze melding maken van
de omzetbelasting. Het verstrekken van een (vereenvoudigde) factuur zal dus alleen een administratief doel nastreven.
Artikel I, onderdeel I (artikel 37a, eerste lid, aanhef, van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Nu de kleineondernemersregeling niet meer is opgenomen in artikel 25, eerste lid, maar in het voorgestelde artikel 25a, eerste lid, Wet OB 1968 wordt de verwijzing naar die regeling met deze wijziging aangepast. De wijziging is louter technisch van aard.
1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.).
2 De transponeringstabel opgenomen als bijlage bij het algemene deel van deze memorie geeft aan hoe deze wijzigingen in de richtlijn worden geïmplementeerd in de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968).
3 Besluit van 10 juni 2021, nr. 2021-12740, Stcrt. 2021-30899, zoals laatstelijk gewijzigd door het besluit van 13 juli 2021, nr. 2021-15805, Stcrt. nr. 2021-36046.
4 Besluit van 10 juni 2021, nr. 2021-12740, Stcrt. 2021-30899, zoals laatstelijk gewijzigd door het besluit van 13 juli 2021, nr. 2021-15805, Stcrt. nr. 2021-36046.
5 HvJ EU 2 juli 019, C-388/18 (B) ECLI:EU:C:2019:642.
6 HvJ EU 9 juli 2020, C-716/1 , ECLI:EU:C:2020:540, r.o. 38 e. .
7 Zie in dit verband HvJ EU 9 juli 202 , C-716/18, ECLI:EU:C:2020:540, r.o. 43; concl. A-G J. Kokott C-716/18, ECLI:EU:C2020:82, o. 48