TOELICHTING
Algemeen
De onderhavige regeling geeft uitvoering aan de indexeringsvoorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 10.1, 10.2a, 10.2b, 10.3, 10.6, 10.6bis, 10.6ter, 10.6a, 10.6b, 10.7 en 10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), de artikelen 2,
12a, 18ga, 32ba en 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), artikel 10 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969), artikel 35a van de Successiewet 1956 (SW 1956), de artikelen 7 en 26a van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen (Awir), artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de artikelen 10aa en 10eb van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965) en artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES.
De voor de inkomstenbelasting op grond van de artikelen 10.1, 10.6b en 10.7 Wet IB 2001 toegepaste indexering is ook van belang voor de Wet LB 1964 en de Wet Vpb 1969. Ingevolge de artikelen 20a, tweede lid, 20b, tweede lid, en 22d Wet LB 1964 worden de
in de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid, Wet LB 1964 vermelde bedragen en de in de artikelen 22, 22a, 22aa, 22b en 22c Wet LB 1964 vermelde bedragen en percentages bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen en
percentages die krachtens de artikelen 10.1, 10.6b en 10.7 Wet IB 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in de artikelen 2.10, 2.10a, 8.10, 8.11, 8.16a, 8.17 en 8.18 Wet IB 2001 vermelde bedragen en percentages.1 Ingevolge artikel 8, veertiende lid,
Wet Vpb 1969 wordt het in artikel 8, vijfde lid, Wet Vpb 1969 vermelde bedrag bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door het bedrag dat krachtens artikel 10.1 Wet IB 2001 wordt vastgesteld ter vervanging van het in artikel 3.15, eerste
lid, Wet IB 2001 vermelde bedrag.
Uitvoeringsgevolgen
De Belastingdienst heeft de bijstellingsregeling beoordeeld met de uitvoeringstoets en acht de regeling uitvoerbaar. De uitvoeringsgevolgen zijn beschreven in bijgaande uitvoeringstoets.
Bijstellingsfactoren
Toepassing tabelcorrectiefactor (artikel I, onderdelen A, B, C, E, F, H, I, N tot en met R, T tot en met Y en AA tot en met AI, artikel II, onderdelen A en D, artikel III, artikel IV, artikel V en artikel VII, onderdeel B)
De per 1 januari 2022 toe te passen tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 Wet IB 2001 bedraagt 1,013. De bedragen die worden aangepast ingevolge artikel I, onderdelen A, B, C, E, F, H, I, N tot en met R, T tot en met Y en AA tot en met AI, artikel II, onderdelen
A en D, artikel III, artikel IV, artikel V en artikel VII, onderdeel B, in de onderhavige regeling moeten (deels) worden bijgesteld op basis van deze tabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactor wordt in beginsel toegepast op de bedragen zoals deze zonder
de inflatiecorrectie per 1 januari 2022 zouden komen te luiden. Twee bedragen wijzigen nog na deze inflatiecorrectie. Deze bedragen worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Ingevolge de artikelen I, onderdeel Ba, en XXVI van het Belastingplan 2022 (BP 2022) wordt het maximumbedrag van de algemene heffingskorting in artikel 8.10 Wet IB 2001 na de bijstelling die het gevolg is van de onderhavige regeling verhoogd met € 14. Dit
betekent dat het maximumbedrag van de algemene heffingskorting in 2022 na toepassing van deze regeling en het BP 2022 € 2.888 bedraagt. Als gevolg van artikel 22d Wet LB 1964 en de artikelen VI, onderdeel Aa, en XXVI BP 2022 wordt dat bedrag eveneens opgenomen
in artikel 22 Wet LB 1964.Ingevolge de artikelen II, onderdeel D, en XLII van het Belastingplan 2021 (BP 2021) en de artikelen I, onderdeel D, en XXVI BP 2022 wordt het maximale bedrag van de inkomensafhankelijke combinatie-korting (IACK) in artikel 8.14a
Wet IB 2001 na de bijstelling die het gevolg is van de onderhavige regeling per saldo verlaagd met € 318. Dit betekent dat de maximale IACK in 2022 na toepassing van deze regeling, het BP 2021 en het BP 2022 € 2.534 bedraagt.
Door de toegepaste afrondingsregel leidt de inflatiecorrectie bij het begin van 2022 niet tot een aanpassing van de bedragen in de artikelen van de Wet IB 2001 en de Wet LB 1964 die staan genoemd in de aan het einde van de toelichting opgenomen tabel 1.
Als basis voor de bijstelling voor 2022 gelden in beginsel de na bijstelling voor 2021 op twee decimalen rekenkundig afgeronde bedragen.1Het in dat kader, met inachtneming van artikel XXVI, onderdeel f, BP 2022, in artikel 22, tweede lid, Wet LB 1964 op te
nemen bedrag van € 2.874 wordt ingevolge de artikelen VI, onderdeel Aa, en XXVI, onderdeel h, BP 2022 daarna nog verhoogd met € 14.
8 Staatscourant 2021 nr. 48308 28 december 2021
Tarieftabellen inkomstenbelasting en loonbelasting en bijstelling tariefpercentage grondslagverminderende posten (artikel I, onderdelen A en B)
In de onderhavige regeling zijn de tarieftabellen inkomstenbelasting van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet IB 2001 opgenomen zoals deze komen te luiden nadat de inflatiecorrectie is toegepast op de ingevolge artikel II, onderdelen A en B, BP 2021 in de artikelen
2.10 en 2.10a Wet IB 2001 op te nemen tabellen.
Ingevolge artikel 10.2a Wet IB 2001 wordt het percentage uit de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.10a, tweede lid, Wet IB 2001 jaarlijks bijgesteld. Het nieuwe percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verhogen met 3%-punt en vervolgens
te verminderen of te vermeerderen met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, Wet IB 2001 opgenomen tabel als derde vermelde percentage bij het begin van het kalenderjaar
is verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd. Het percentage uit de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.10a, tweede lid, Wet IB 2001 wordt daardoor per 1 januari 2022 verhoogd met 3%-punt en gesteld op 9,5%.
Bijstelling van de bedragen en percentages van de bijtelling privégebruik woning, het eigenwoningforfait, de keuzemogelijkheid bij het houden van kostgangers en de kamerverhuurvrijstelling (artikel I, onderdelen D, J, K en L)
De bijstelling van de bedragen en percentages van de bijtelling privégebruik woning (artikel 3.19 Wet IB 2001), het eigenwoningforfait (artikel 3.112 Wet IB 2001), de keuzemogelijkheid bij het houden van kostgangers (artikel 3.97 Wet IB 2001) en de kamerverhuurvrijstelling
(artikel 3.114 Wet IB 2001) vindt plaats ingevolge de artikelen 10.3 en 10.6 Wet IB 2001, met inachtneming van artikel 10.5 Wet IB 2001. Bijstelling van een deel van de in de artikelen 3.19, tweede lid, en 3.112, eerste lid, Wet IB 2001 vermelde percentages
vindt plaats op basis van de verhouding van het indexcijfer woninghuren over juli 2021 en het indexcijfer woninghuren over juli 2020 (factor ih) en tevens met de verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden die betrekking hebben op 2021 en het gemiddelde
van die waarden die betrekking hebben op 2022 (factor iw). De factor ih bedraagt 113,97/113,13 (een gemiddelde huurstijging over de relevante periode van 0,74%). De verhouding van het gemiddelde van de eigenwoningwaarden voor 2021 en het gemiddelde van die
waarden voor 2022 bedraagt volgens opgave van de Waarderingskamer 100:109,5 (een gemiddelde waardestijging van 9,5%). De factor iw bedraagt daarmee 100/109,5.
Indexering bedragen oudedagsvoorzieningen (artikel I, onderdelen G en P, en artikel II, onderdeel B)
Het in artikel 3.68, eerste lid, Wet IB 2001 vermelde bedrag wordt bijgesteld op basis van artikel 10.2b, eerste lid, Wet IB 2001. De bijstelling van het in artikel 3.127, derde lid, Wet IB 2001 als eerste vermelde bedrag en het in artikel 18ga, eerste lid,
Wet LB 1964 vermelde bedrag vindt ingevolge artikel 10.2b, tweede lid, Wet IB 2001, onderscheidenlijk artikel 18ga, tweede lid, Wet LB 1964, plaats op basis van de contractloonontwikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, derde lid, Wet IB 2001. De correctiefactor
op grond waarvan het bedrag per 1 januari 2022 wordt bijgesteld is 1,02387.
Beperking aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (artikel I, onderdeel M)
Op grond van artikel 10.6bis Wet IB 2001 wordt het in het kader van de uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld met ingang van 1 januari 2019 in artikel 3.123a Wet IB 2001 vermelde percentage met ingang van 1 januari 2020 jaarlijks
met 3 1/3%-punt verlaagd. Voor 2022 wordt het percentage derhalve vastgesteld op 86 2/3%.
Herijking forfaitair voordeel uit een vbi in box 2 en forfaitaire rendementen box 3 (artikel I, onderdelen S en T)
Ingevolge artikel 10.6ter Wet IB 2001 worden de in artikel 5.2, eerste lid, eerste zin, Wet IB 2001 vermelde percentages jaarlijks herijkt. Tevens wordt op grond van genoemd artikel 10.6ter het percentage van het forfaitaire voordeel uit een vrijgestelde
beleggingsinstelling (vbi) in artikel 4.14, eerste lid, Wet IB 2001 jaarlijks herijkt.
De aanpassing van het in artikel 4.14, eerste lid, Wet IB 2001 vermelde percentage vindt ingevolge artikel 10.6ter, eerste lid, Wet IB 2001 plaats op basis van het gewogen gemiddelde van de percentages, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, eerste zin, Wet
IB 2001, nadat deze zijn aangepast op basis van artikel 10.6ter, tweede tot en met zevende lid, Wet IB 2001.De aanpassing van het in artikel 5.2, eerste lid, eerste zin, Wet IB 2001 als eerste vermelde percentage vindt ingevolge artikel 10.6ter, tweede lid,
Wet IB 2001 plaats op basis van het gemiddelde van de rendementen op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank (DNB), van juli 2020 tot en met juni 2021.
De aanpassing van het in artikel 5.2, eerste lid, eerste zin, Wet IB 2001 als tweede vermelde percentage vindt ingevolge artikel 10.6ter, derde, vierde, vijfde en zesde lid, Wet IB 2001 plaats op basis van het meetkundige gemiddelde van het langetermijnrendement
op onroerende zaken, aandelen en obligaties. Het langetermijnrendement wordt gesteld op het meetkundige gemiddelde van veertienmaal het langetermijnrendement van het kalenderjaar 2021 en eenmaal het rendement over het kalenderjaar 2020. De rendementen voor
onroerende zaken worden ontleend aan de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gepubliceerde Prijsindex Bestaande Koopwoningen, de rendementen voor aandelen aan de MSCI Europe Standard Gross Local Index en de rendementen voor obligaties aan de DNB-statistiek
voor het rendement op de meest recente Nederlandse 10-jarige staatsobligatie.
Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner (artikel I, onderdeel Z)
Het in artikel 8.9, eerste lid, Wet IB 2001 vermelde percentage wordt bijgesteld op basis van artikel 10.6a Wet IB 2001. Het percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verlagen met 6 2/3%-punt.
Indexering percentage algemene heffingskorting (artikel I, onderdeel AA)
Het in artikel 8.10, tweede lid, Wet IB 2001 vermelde percentage wordt bijgesteld op basis van artikel 10.6b Wet IB 2001. Het percentage wordt berekend door het in artikel 8.10, tweede lid, Wet IB 2001 als eerste vermelde bedrag te delen door het verschil
tussen het in de tabel van artikel 2.10, eerste lid, Wet IB 2001 in de tweede kolom als laatste vermelde bedrag en het in artikel 8.10, tweede lid, Wet IB 2001 als laatste vermelde bedrag. Bij de berekening van dat percentage is tevens rekening gehouden met
de in artikel I, onderdeel Ba, BP 2022 opgenomen verhoging van eerstgenoemd bedrag met € 14. Ingevolge artikel 22d Wet LB 1964 wordt het aldus berekende percentage van rechtswege eveneens opgenomen in artikel 22, tweede lid, Wet LB 1964.
Indexering percentages en bedragen arbeidskorting (artikel I, onderdeel AB)
De in artikel 8.11, tweede lid, eerste zin, onderdelen a, b en c, Wet IB 2001 vermelde percentages, de in artikel 8.11, tweede lid, eerste zin, onderdelen b en c, Wet IB 2001 als eerste vermelde bedragen en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste zin, onderdeel
d, en tweede zin, Wet IB 2001 vermelde bedrag worden bijgesteld op basis van artikel 10.7 Wet IB 2001. De overige bedragen die van belang zijn voor de arbeidskorting worden bijgesteld met toepassing van de tabelcorrectiefactor.
Indexering drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (artikel II, onderdeel C)
De bijstelling van het in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB 1964 vermelde bedrag aan drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding vindt plaats op basis van het in artikel 32ba, achtste lid, Wet LB 1964 opgenomen indexeringsvoorschrift.
Daarbij wordt het genoemde bedrag vervangen door het bedrag van het overeenkomstig genoemd achtste lid gebruteerde netto-ouderdomspensioen per maand, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Indexering bedragen in de Kostenwet invordering rijksbelastingen (artikel VI)
De bijstelling van enkele van de in de artikelen 2, 3 en 4 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen vermelde bedragen vindt plaats op basis van de op de voet van artikel 8 van die wet bepaalde correctiefactor. Deze factor wordt berekend uit de indexcijfers
van de ‘CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, CAO-sector overheid’ van het CBS. De correctiefactor op grond waarvan de bedragen per 1 januari 2022 worden bijgesteld is 1,026. Als basis voor de bijstelling voor 2022 gelden de na bijstelling voor
2021 op twee decimalen rekenkundig afgeronde bedragen.
Door de toegepaste afrondingsregel leidt de inflatiecorrectie bij het begin van 2022 niet tot een aanpassing van de bedragen in de artikelen van de Kostenwet invordering rijksbelastingen die staan genoemd in de aan het einde van de toelichting opgenomen
tabel 1.
Aanpassing bedrag van de minimaal in aanmerking te nemen AOW-inbouw in een pensioenregeling (artikel VII, onderdeel A)
De bedragen die zijn opgenomen in artikel 10aa UBLB 1965 voor de berekening van de minimaal in aanmerking te nemen AOW-inbouw in een pensioenregeling in gevallen waarin een lager opbouwpercentage per dienstjaar wordt gehanteerd dan is toegestaan op grond
van artikel 18a, eerste tot en met derde lid, Wet LB 1964, worden jaarlijks bijgesteld aan de hand van de ontwikkeling van de hoogte van de AOW. De genoemde bedragen worden vermenigvuldigd met de verhouding tussen het per 1 januari 2022 geldende AOW-bedrag
en het per 1 januari 2021 geldende AOW-bedrag. Dit verhoudingsgetal voor 2022 is 1,0161.
Indexering inkomstenbelasting BES (artikel VIII, onderdelen A en B)
De op grond van artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES per 1 januari 2022 toe te passen tabelcorrectiefactor bedraagt 0,970. Met artikel VIII, onderdelen A en B, worden de in de artikelen 24 en 24a van de Wet inkomstenbelasting BES opgenomen bedragen
bijgesteld op basis van deze tabelcorrectiefactor.
Deze wijzigingen van de Wet inkomstenbelasting BES treden ingevolge artikel IX, tweede lid, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking met ingang van 1 januari 2022, 00.00 uur (lokale tijd), en, vanwege het tijdsverschil van vijf
uur, in het Europese deel van Nederland met ingang van 1 januari 2022, 05.00 uur (lokale tijd).
Tabel 1. Niet vervangen bedragen vanwege afrondingsregel