email: info@emvoadvies.nl
maandag, 16 maart 2026

Publicatiedatum: 27/01/2022

Categorie: Formeel recht

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLI:NL:HR:2022:50, 21/00733

Vermoeden van onschuld en berekenen invorderingsrente over boete


Het EVRM waarborgt het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld. Dat vermoeden houdt in dat iemand voor onschuldig wordt gehouden zolang zijn schuld niet is bewezen.

Met een beroep op het vermoeden van onschuld bestreed iemand de heffing van invorderingsrente over aan hem opgelegde boeten. De belanghebbende heeft aan hem opgelegde aanslagen en boeten in bezwaar, beroep en in hoger beroep bestreden met de stelling dat de inspecteur ten onrechte uitging van een verzwegen buitenlands vermogen. Aangezien ervan moest worden uitgegaan dat hij, afgezien van de door de inspecteur veronderstelde buitenlandse bankrekeningen, niet over de middelen beschikte om de aanslagen en de boeten te betalen, zou voldoening van de aanslagen en de boeten volgens de belanghebbende zijn neergekomen op prijsgeven van deze stelling en erkenning van schuld. Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de onschuldpresumptie van het EVRM niet zo ver gaat dat de invordering van niet onherroepelijk vaststaande boeten niet mogelijk is. Ook de omstandigheid dat de belanghebbende slechts door uitstel van betaling te vragen kon voorkomen dat hij zijn standpunten zou prijsgeven en dat betaling van de belastingschuld een bekentenis ten aanzien van het verzwegen vermogen zou impliceren, brengt volgens het hof niet mee dat het in rekening brengen van invorderingsrente tot een schending van het EVRM heeft geleid.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de belanghebbende ongegrond verklaard. Toen invorderingsrente in rekening werd gebracht stond onherroepelijk vast dat de belanghebbende zich schuldig had gemaakt aan het feit ter zake waarvan de boeten zijn opgelegd. In zijn verweer tegen het in rekening brengen van de invorderingsrente over de boeten kan de belanghebbende zich daarom niet met succes beroepen op de onschuldpresumptie, ook al is de invorderingsrente berekend vanaf het tijdstip waarop de boeten invorderbaar waren.