De voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500EA Den Haag
Datum 28 januari 2022
Betreft Beantwoording vragen van de leden Van der Lee (GL), Inge van Dijk (CDA), Omtzigt (Groep Omtzigt), Idsinga (VVD) en Hammelburg (D66) inzake het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot box 3
Ons kenmerk 2022-0000283932022-0000031877
Geachte voorzitter,
De leden Van der Lee (2021Z24255), Inge van Dijk (2021Z24290), Omtzigt (2022Z00005), Inge van Dijk en Idsinga (2022Z00071) en Hammelburg (2022Z00468) hebben vragen gesteld naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 over box 3. In
mijn brief van 24 januari 2022 heb ik aangegeven dat nog niet alle gevolgen van het arrest helder zijn. Om uw Kamer juist en volledig te kunnen informeren heb ik verzocht om uitstel van beantwoording. De vaste commissie van Financiën heeft op 25 januari 2022
verzocht om de vragen deze week (week 4) te beantwoorden.
Op veel vragen kan momenteel nog geen definitief antwoord worden gegeven. Wel is in de bijgevoegde beantwoording van de Kamervragen, zoals ook verzocht door de vaste commissie van Financiën, op hoofdlijnen toegelicht wat de gevolgen zijn van het arrest op
onder andere de massaal bezwaarprocedures over de jaren 2017 tot en met 2020, de lopende processen van de Belastingdienst, de oplossingsrichtingen en de urgentie tot het aanpassen van wetgeving voor de toekomst.
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst
Marnix L.A. van Rij
2021Z24255 (ingezonden 27 december 2021)
Vragen van het lid Van der Lee (GroenLinks) aan de staatssecretaris van Financiën over de uitspraak van de Hoge Raad dat de vermogenstaks 2017 en 2018 in strijd zijn met het eigendomsrecht
Vraag 1
Kent u het bericht over de uitspraak van de Hoge Raad dat de vermogensbelasting 2017 en 2018, vanwege de heffing op een fictief rendement, in strijd wordt geacht met het eigendomsrecht?1
Antwoord vraag 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u deze verregaande en principiële uitspraak, welke consequenties zitten er volgens u aan vast en had het eerder overstappen naar heffen op basis van gerealiseerd rendement niet voor de hand gelegen?
Antwoord vraag 2
Het arrest van de Hoge Raad heeft grote impact voor zowel burgers als de Belastingdienst en hoe om te gaan met de gevolgen van het arrest zijn voor mij van de grootste prioriteit. Er wordt hard gewerkt aan een werkbare oplossing voor de uitvoering van het
arrest. Momenteel zijn nog niet alle gevolgen van het arrest helder. Daarnaast is de beoordeling welke oplossingsrichtingen maakbaar en haalbaar zijn voor de uitvoering, wat oplossingsrichtingen vragen van burgers en of dit voor hen haalbaar is nog niet afgerond.
De overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement is een complexe wijziging. In het verleden zijn op dit vlak diverse stappen gezet om deze overgang voor te bereiden. Vorig jaar heeft het kabinet PwC gevraagd onderzoek te doen naar de praktische
mogelijkheden om over de (digitale) informatie te beschikken die noodzakelijk is voor een moderne en uitvoerbare heffing over het werkelijk behaalde rendement. De resultaten uit dit onderzoek dragen bij aan het werk dat wordt verricht om een voorstel voor
een heffing naar werkelijk rendement uit te werken.
Vraag 3
Betekent dit dat in beginsel alle vermogensbelastingplichtigen een deel van de betaalde vermogensbelasting (over de jaren waarin er een heffing plaats vond over een fictief rendement) kunnen terugvragen, of geldt dat voor een specifiek deel van de belastingplichtigen?
Antwoord vraag 3
De reikwijdte van de groep belastingplichtigen die in aanmerking komen voor herstel is op dit moment nog niet bepaald. Zodra de uitwerking helder is, zal ik de Kamer hierover informeren. Volledigheidshalve wil ik er wel op attent maken dat box 3 geen vermogensbelasting,
maar een vermogensrendementsheffing is.
Vraag 4
Kunt u een inschatting maken van de financiële omvang van mogelijk door de fiscus terug te betalen vermogensbelasting?
Antwoord vraag 4
Het bieden van rechtsherstel heeft grote budgettaire consequenties. De omvang van de budgettaire gevolgen is onder andere afhankelijk van de interpretatie van het arrest en de omvang van de groep burgers die in aanmerking komt voor rechtsherstel. De budgettaire
gevolgen van de verschillende opties worden momenteel in kaart gebracht.
Vraag 5
Welke maatregelen overweegt u nu te nemen om te voorkomen dat dit een al te grote kostenpost wordt dan wel een arbeidsintensief en tijdrovend teruggavetraject?
Antwoord vraag 5
Het herstel van aanslagen is een grote uitdaging voor de Belastingdienst. Voor een uitvoerbare wijze van herstel dient een oplossing te worden gekozen die voor de verschillende belastingjaren zo eenvormig mogelijk is en zoveel mogelijk geautomatiseerd en
massaal kan worden uitgevoerd. Verschillende opties voor de vormgeving van de hersteloperatie worden momenteel in kaart gebracht. Ik zal uw Kamer op 4 februari nader informeren over de contouren van de hersteloperatie.
Vraag 6
Bent u bereid, sneller dan gepland, over te stappen op het heffen van vermogensbelasting op basis van reëel rendement in plaats van een fictief rendement?
Antwoord vraag 6
De wetgeving is momenteel niet in lijn met het arrest van de Hoge Raad. Het is onwenselijk om deze situatie voort te laten bestaan tot de invoering van de vermogensrendementsheffing over het werkelijke rendement met de beoogde inwerkingtredingsdatum 2025.
Onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn om de wetgeving eerder aan te passen.
Vraag 7
Welke obstakels staan een snellere invoering van deze ook in het coalitieakkoord opgenomen aanpassing, eventueel in de weg, en wat is er per obstakel nodig om dit weg te nemen en/of te verkleinen?
Antwoord vraag 7
De mogelijkheden om de wetgeving op een verantwoorde wijze eerder aan te passen dan per 2025 zijn onder andere afhankelijk van de technische maakbaarheid van de systemen van de Belastingdienst, de uitvoerbaarheid waaronder de ruimte in het IV-portofolio,
de aanlevering van gegevens door ketenpartners, het doenvermogen van burgers en de beschikbare tijd voor een zorgvuldig wetgevingsproces. Momenteel worden diverse opties onderzocht om de wetgeving aan te passen.
Vraag 8
Bent u bereid iedere vraag afzonderlijk te beantwoorden?
Antwoord vraag 8
Ja.
1 FD, 24 december 2021, 'Hoge Raad: vermogenstaks 2017 en 2018 in strijd met eigendomsrecht'. (https://fd.nl/politiek/1425071/hoge-raad-vermogenstaks-2017-en-2018-instrijd-meteigendomsrecht?utm_medium=social&utm_source=app&utm_campaign=earned&utm_content=20211224&utm_term=app-ios)
2021Z24290
Vragen van het lid Inge van Dijk (CDA) aan Staatssecretaris van Financiën over het bericht «Arrest vermogenstaks volgend hoofpijndossier voor fiscus» (ingezonden 28 december 2021).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van bovenstaand artikel?1
Antwoord vraag 1
Ja.
Vraag 2
Herinnert u zich mijn vragen van 16 augustus 2021 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland dat de belasting op spaartegoeden en beleggingen zoals de fiscus sinds 2017 oplegt strijdig is met het Europees discriminatieverbod, en dat
ik u onder meer vroeg of u van mening was dat deze uitspraak wederom aantoont dat nog meer snelheid is geboden om de forfaitaire heffing in box 3 op basis van een veronderstelde vermogensmix die niet overeenstemt met werkelijk behaald rendement aan te pakken?2
Antwoord vraag 2
Ja.
Vraag 3
Kunt u gezien de zeer recente uitspraak van 24 december 2021 van de Hoge Raad nogmaals antwoord geven op de vraag of u van mening bent dat de huidige box 3 heffing nog tot 2025 overeind kan blijven, nu naast bovengenoemde uitspraak ook deze uitspraak er
van de Hoge Raad er ligt? Indien ja, zou u dat dan willen onderbouwen?
Antwoord vraag 3
De wetgeving is momenteel niet in lijn met het arrest van de Hoge Raad. Het is onwenselijk om deze situatie voort te laten bestaan tot de invoering van de vermogensrendementsheffing over het werkelijke rendement met de beoogde inwerkingtredingsdatum 2025.
Onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn om de wetgeving eerder aan te passen.
Vraag 4
Hoewel systeemtechnische uitdagingen er medeverantwoordelijk voor zijn dat de datum van het invoeren van een heffing op werkelijk rendement nu staat op 2025, zou u kunnen aangeven welke acties wel mogelijk zijn om deze datum naar voren te kunnen halen? Welke
processen en systeemaanpassingen kunnen versneld worden, tegen welke kosten, en wat zijn de consequenties voor andere projecten met ICT-gevolgen bij de belastingdienst? En wat zou dan een zo vroeg mogelijke datum zijn om de heffing op werkelijk rendement,
of elementen daarvan, eerder uit te voeren?
Antwoord vraag 4
De mogelijkheden om de wetgeving op een verantwoorde wijze eerder aan te passen dan per 2025 zijn onder andere afhankelijk van de technische maakbaarheid van de systemen van de Belastingdienst, de uitvoerbaarheid waaronder de ruimte in het IV-portofolio,
de aanlevering van gegevens door ketenpartners, het doenvermogen van burgers en de beschikbare tijd voor een zorgvuldig wetgevingsproces. Momenteel worden diverse opties onderzocht om de wetgeving aan te passen.
Vraag 5
Wanneer kan de kamer een reactie van het kabinet op de uitspraak van de Hoge Raad tegemoet zien, inclusief hoe om te gaan met de bezwaarschriften?
Antwoord vraag 5
Op 2 februari is een debat ingepland waarbij wij hierover met elkaar van gedachte zullen wisselen.
1 Financieele Dagblad, 27 december 2021, «Arrest vermogenstaks volgend hoofpijndossier voor fiscus»; https://fd.nl/politiek/1425250/vermogenstaks-volgende-hoofdpijndossier-belastingdienst-en-nieuw-kabinet.
2 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3986.
2022Z00005
Vragen van het lid Omtzigt (Omtzigt) aan de Staatssecretaris van Financiën over het arrest van de Hoge Raad op 24 december 2021 over Box 3 (ingezonden 3 januari 2022).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad, waarin zij de vermogensrendementsheffing over de jaren 2017 en 2018 in strijd vindt met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod en de overheid gelast over te gaan tot rechtsherstel?1
Antwoord vraag 1
Ja.
Vraag 2
Herinnert u zich dat de indiener meerdere keren zeer precieze vragen gesteld heeft over box 3 en mogelijke strijdigheid met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), die nu is vastgesteld door de Hoge Raad?
Antwoord vraag 2
Ja.
Vraag 3
Herinnert u zich met name nog de schriftelijke vragen van het lid Omtzigt over de houdbaarheid van box 3 en het EVRM (Aanhangsel Handelingen 2019–2020, 594)?
Antwoord vraag 3
Ja.
Vraag 4
Is het u duidelijk dat er vanuit de Tweede Kamer nu al enkele jaren op gewezen wordt dat de rechter het stelsel van box 3 strijdig acht met het EVRM, gezien het eerdere vonnis van de Hoge Raad over de jaren tot en met 2016 en twee adviezen van de advocaat-generaal
Wattel (maart 2021) en Advocaat-Generaal Niessen (1 november 2021) over box 3?
Antwoord vraag 4
Ja. Overigens heeft de Hoge Raad het box 3-stelsel over de jaren tot en met 2016 niet strijdig met het EVRM verklaard2. Wel is de Hoge Raad van oordeel dat het box 3-stelsel tot en met 2016 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol van
het EVRM, als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent. De Hoge Raad stelde voor het stelsel over de jaren tot en met 2016 geen schending van het EVRM vast, omdat hij bij een eventuele
schending het bieden van rechtsherstel aan de wetgever wilde overlaten.
Vraag 5
Herinnert u zich de eerdere vragen naar een lijst van alle (interne en externe, inclusief de landsadvocaat) adviezen die sinds 2010 (mede) uitgebracht zijn over de vraag of de box 3-tarieven mogelijk een schending van het eerste protocol van het EVRM opleveren?
Antwoord vraag 5
Ja.
Vraag 6
Herinnert u zich het antwoord dat zo’n lijst niet voorhanden was?
Antwoord vraag 6
Ja.
Vraag 7
Wilt u een lijst met alle uitgebrachte adviezen (interne en externe, inclusief de landsadvocaat) over box-3 vanaf 2010 samenstellen en doen toekomen aan de Tweede Kamer?
Antwoord vraag 7
Ja. Deze lijst moet, zoals het lid Omtzigt zelf aangeeft in de vraag, nog worden samengesteld. Daarvoor is uitgebreid uitzoekwerk nodig, juist omdat ik de vraag van het genoemde lid zo volledig mogelijk wil beantwoorden. Ik ga er daarom vanuit dat de heer
Omtzigt ook interne notities bedoelt die als advies aan de bewindspersonen zijn gegaan. Dit betreft dan ook stukken die tot nu toe niet aan uw Kamer zijn overhandigd. Daarom vergt dit meer tijd dan uw Kamer mij voor de beantwoording van deze Kamervragen gunt.
De gevraagde lijst met eventueel de daarbij nog niet gepubliceerde stukken zal ik binnen twee maanden aan uw Kamer sturen.
Vraag 8
Als u niet van plan bent deze lijst op te sturen, wilt u dan deugdelijk gemotiveerd uitleggen waarom de uitzondering in artikel 68 van de Grondwet (belang van de staat) hierop van toepassing zou zijn?
Antwoord vraag 8
Zie het antwoord op vraag 7.
Vraag 9
Welke voorbereidingen heeft u het afgelopen jaar getroffen voor deze uitspraak, die na de twee adviezen van de advocaten-generaal niet geheel onverwacht was?
Antwoord vraag 9
Het afgelopen jaar zijn verschillende stappen gezet om te komen tot een rechtvaardiger box 3 stelsel. Allereerst is per 1 januari 2021 het heffingvrije vermogen verhoogd naar € 50.000. Drie deskundigen hebben een advies uitgebracht over de (on)mogelijkheden
van de introductie van een tegenbewijsregeling voor enkel spaargeld. Daarnaast is er door PwC een onderzoek uitgevoerd naar de beschikbaarheid van data voor een stelsel op basis van werkelijk rendement. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van
PwC wordt wetgeving voor een stelsel op basis van werkelijk rendement voorbereid.
De Advocaat-Generaal Wattel3 adviseerde de Hoge Raad om de box 3-heffing onverenigbaar te verklaren met het discriminatieverbod, maar vond niet dat de Hoge Raad verplicht is om de discriminatie op te heffen. De Advocaat-Generaal Niessen4 was ook van mening
dat de box 3-heffing in strijd is met het discriminatieverbod maar hij adviseerde de Hoge Raad, in tegenstelling tot Advocaat-Generaal Wattel, wel om de strijdigheid op te lossen. Zijn oplossing ging echter minder ver dan de oplossing die de Hoge Raad in zijn
arrest biedt voor het opheffen van de strijdigheid. Verder hebben enkele lagere rechters het sinds 2017 geldende stelsel niet in strijd geacht met artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM. In zo verre kwam de oplossing van de Hoge Raad om de box 3-heffing te
baseren op het genoten werkelijke rendement onverwacht.
Er is gekeken naar wat de gevolgen zouden kunnen zijn van mogelijke uitkomsten van de Hoge Raad. Voor het geval een vergaand rechtsherstel zou moeten worden geboden is een begin gemaakt van een onderzoek op welke wijze dit voor de burger efficiënt zou kunnen
gebeuren binnen de uitvoeringstechnische mogelijkheden van de Belastingdienst. Daarnaast is onderzoek gedaan naar en zijn contouren uitgewerkt voor een stelsel van werkelijk rendement en wordt het heffingvrije vermogen opgehoogd.
Vraag 10
Wanneer gaat u de Tweede Kamer informeren over hoe u rechtsherstel gaat bieden over 2017 en 2018?
Antwoord vraag 10
Op 2 februari is een debat ingepland waarbij wij hierover met elkaar van gedachte zullen wisselen.
Vraag 11
Gaat u alleen rechtsherstel bieden voor mensen die bezwaar gemaakt hebben of gaat u rechtsherstel bieden voor iedereen die teveel box 3 belasting betaald heeft?
Antwoord vraag 11
De reikwijdte van de groep belastingplichtigen die in aanmerking komen voor herstel is op dit moment nog niet bepaald, maar wij zullen zeer serieus meewegen of de groep die geen bezwaar heeft gemaakt ook onder het rechtsherstel zal vallen. Zodra de uitwerking
helder is, zal ik de Kamer hierover informeren.
Vraag 12
Deelt u de mening dat de Hoge Raad met zeer grote waarschijnlijkheid zal vaststellen dat het stelsel ook in de jaren 2019, 2020 en 2021 in strijd was/is met het EVRM en dat u gedwongen zult worden rechtsherstel te bieden?
Antwoord vraag 12
Het arrest is geldend recht per 24 december 2021. Naast de aanslagen van burgers die zijn aangesloten bij de massaal bezwaarprocedure over de jaren 2017 en 2018 heeft het arrest ook gevolgen voor alle aanslagen die per 24 december 2021 nog moeten worden
opgelegd, voor alle aanslagen waarover al wordt geprocedeerd of zal worden geprocedeerd. De bezwaren tegen de box 3 heffing over 2019 en 2020 zijn aangewezen als massaal bezwaar, inmiddels circa 80.000 bezwaarschriften. De in de procedures over 2019 en 2020
geformuleerde rechtsvraag is nagenoeg gelijk aan die van de procedures 2017 en 2018. Het aan de Hoge Raad voorleggen van de rechtsvraag over het box 3 stelsel zal daarom voor 2019 en 2020 niet tot een ander oordeel over het box 3-stelsel leiden dan het oordeel
gegeven in het arrest van 24 december 2021.
Vraag 13
Op welke wijze gaat u het rechtsherstel voor die jaren voorbereiden?
Antwoord vraag 13
De bezwaarschriften tegen de aanslagen over de jaren 2019 en 2020 zullen naar verwachting op dezelfde wijze worden afgedaan als de bezwaarschriften tegen de aanslagen over de jaren 2017 en 2018. Voor de voorbereiding van de hersteloperatie verwijs ik u naar
het antwoord op vraag 14.
Vraag 14
Verwacht u net als de indiener van deze vragen dat u een lawine van bewaarschriften over 2021 kunt verwachten en mogelijk ook nog over 2020, voor mensen voor wie de termijn nog niet in verstreken? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er een uitvoerbaar en beheersbaar
proces komt?
Antwoord vraag 14
Over het jaar 2021 zijn nog geen definitieve aanslagen opgelegd. Voorlopige aanslagen 2022 die niet in overeenstemming zijn met het arrest van de Hoge Raad worden later bij de vaststelling van de definitieve aanslagen 2022 door de Belastingdienst hersteld.
De burger hoeft nu geen actie te ondernemen. Daarnaast wordt momenteel uitgewerkt op welke wijze tot herstel wordt gekomen van de op of na 24 december 2021 opgelegde definitieve aanslagen en navorderingen. Daarvoor hoeven de betrokken burgers nu geen actie
te ondernemen. Het herstel van aanslagen is een grote uitdaging voor de Belastingdienst. Voor een uitvoerbare wijze van herstel dient een oplossing te worden gekozen die voor de verschillende belastingjaren zo eenvormig mogelijk is en zoveel mogelijk geautomatiseerd
en massaal kan worden uitgevoerd, zodat het uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en de betrokken belastingplichtigen. Verschillende opties voor de vormgeving van de hersteloperatie worden momenteel in kaart gebracht.
Vraag 15
Deelt u de mening dat er ook voor het jaar 2022 sprake zal zijn van een schending van het EVRM?
Antwoord vraag 15
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het sinds 2017 geldende box 3-stelsel in strijd is met het EVRM. Dat betekent dat de Hoge Raad over het jaar 2022 waarschijnlijk eenzelfde oordeel zal vellen over het box 3-stelsel dat dezelfde tekortkomingen bevat als dat
van 2017 en 2018.
Vraag 16
Bent u bereid met een tegenbewijsregeling te komen over 2022 of een andere wijziging waarmee het stelsel in overeenstemming gebracht wordt met het EVRM?
Antwoord vraag 16
Uitgangspunt is dat definitieve aanslagen 2022 in lijn met het arrest worden opgelegd. De precieze vormgeving wordt op dit moment uitgewerkt.
Vraag 17
Kunt u een berekening geven hoeveel u verwacht dat de belastingdienst zal moeten nabetalen? Hoe is dat bedrag opgebouwd?
Antwoord vraag 17
Het bieden van rechtsherstel heeft grote budgettaire consequenties. De omvang van de budgettaire gevolgen is onder andere afhankelijk van de interpretatie van het arrest en de omvang van de groep burgers die in aanmerking komt voor rechtsherstel. De budgettaire
gevolgen van de verschillende opties worden momenteel in kaart gebracht.
Vraag 18
Herinnert u zich het rapport van de drie deskundigen, waarin deze deskundigen aangaven dat inzake de box 3 kwesties jaren 2013–2016 er niet gewacht moet worden (p. 8 advies) tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak doet in die massaal
bezwaarprocedures?5
Antwoord vraag 18
Ja.
Vraag 19
Bent u bereid hun advies op te volgen en dus niet af te wachten tot het EHRM oordeelt, maar nu op redelijk korte termijn over te gaan tot een vorm van compensatie inzake de jaren 2013–2016, waarbij het arrest van de Raad van 24 december 2021 als richtsnoer
wordt genomen (tegenbewijs op basis van werkelijk rendement)?
Antwoord vraag 19
Nee.
Vraag 20
Indien antwoord op vraag 19 nee is, waarom – indachtig de substantiële budgettaire risico’s die hieraan kleven voor de Staat – dan niet?
Antwoord vraag 20
Het arrest van de Hoge Raad heeft betrekking op het sinds 2017 geldende box 3-stelsel. Het EHRM heeft nog niet geoordeeld over de jaren 2013 tot en met 2016. Het bieden van rechtsherstel over die jaren terwijl de juridische procedure bij het EHRM nog niet
is afgerond is prematuur.
Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd dat als het EHRM in de procedures over de jaren 2013 en 2014 op regelniveau een schending van artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM vaststelt en in die procedures een financiële genoegdoening voor de jaren 2013 en 2014
toekent aan de indieners van de klacht, deze overeenkomstig wordt toegekend aan de belastingplichtigen die onder de massaal bezwaarprocedure uit de aanwijzing voor 2013 en 2014 vallen, ervan uitgaande dat het EHRM voor hen eveneens een dergelijke schending
zou hebben vastgesteld en aan hen een financiële genoegdoening zou hebben toegekend.
Vraag 21
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Antwoord vraag 21
In mijn brief van 24 januari 2022 heb ik de Tweede Kamer verzocht om uitstel van de beantwoording van de Kamervragen omdat nog niet alle gevolgen van het arrest helder zijn. De vragen zijn uiteindelijk niet binnen de reguliere termijn van drie weken beantwoord.
1 HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
2 HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.
3 Conclusie advocaat-generaal Wattel 25 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:293.
4 Conclusie advocaat-generaal Niessen 1 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1019.
5 Rijksoverheid, 9 maart 2020, «advies deskundigen over vermogensrendementsheffing». (www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/24/bijlage-1-advies-deskundigen-over-vermogensrendementsheffing)