De staatssecretaris van Financiën heeft besloten geen beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van Hof Den Haag over de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak. Bijzonder aan de casus was dat de belanghebbende en zijn echtgenote
voor dezelfde werkgever werkten. Beiden hadden de beschikking over een auto van de zaak. De auto van de belanghebbende werd niet privé gebruikt; de auto van de echtgenote wel. Na het overlijden van de echtgenote leverde de belanghebbende zijn auto in en maakte
hij gebruik van de auto, die tot aan haar overlijden aan zijn echtgenote ter beschikking was gesteld. Omdat de belanghebbende op jaarbasis meer dan 500 km privé reed, werd hem een naheffingsaanslag opgelegd vanwege de bijtelling voor privégebruik over het
hele jaar. Volgens het hof moest de bijtelling in redelijkheid worden verdeeld over de belanghebbende en zijn echtgenote.
Volgens de staatssecretaris heeft het hof op basis van de vastgestelde feiten kunnen oordelen dat de auto, die door de overleden echtgenote tot halverwege het jaar werd gebruikt voor haar woon-werkverkeer en door beide echtgenoten voor privéritten, in feite
aan de belanghebbende en zijn echtgenote samen ter beschikking was gesteld. Omdat de belanghebbende na het overlijden van zijn echtgenote alleen deze auto heeft gebruikt, heeft het hof de bijtelling terecht beperkt tot deze auto.
De staatssecretaris merkt op, dat als sprake zou zijn geweest van een situatie waarin de ene auto exclusief aan de vrouw en de andere auto aan de man ter beschikking was gesteld, bij de man wel voor het hele jaar een afzonderlijke bijtelling zou dienen plaats
te vinden, omdat hij dan op jaarbasis met de aan hem ter beschikking gestelde auto’s meer dan 500 kilometer privé had gereden.
LB: privégebruik auto
Toelichting van 3 maart 2022, nr. 2022-0000071500, op het niet instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (Hof) van 13 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:9.
Samenvatting rechtspraak.nl
Artikel 13bis Wet LB 1964; privégebruik auto. Belanghebbende en zijn echtgenote werken voor dezelfde werkgever, die een auto feitelijk aan belanghebbende en – tot aan haar overlijden – zijn echtgenote ter beschikking heeft gesteld. Dat betekent dat de bijtelling
voor privégebruik in redelijkheid moet worden verdeeld en de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbendes beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Ten overvloede overweegt het Hof dat een beleidsmatige en categorische uitsluiting
van de hardheidsclausule zich niet verhoudt met de van de staatssecretaris van Financiën gevraagde zorgvuldigheid bij het voorbereiden van besluiten.
De staatssecretaris ziet af van het instellen van beroep in cassatie. Ter toelichting merkt hij het volgende op:
In casu staat vast dat aanvankelijk aan belanghebbende en zijn echtgenote van hun gezamenlijke werkgever één auto ter beschikking gesteld hebben gekregen. Met die auto werd ook privé gereden. Nadat de man bij een ander filiaal is gaan werken is aan hem ook
een nadere auto ter beschikking gesteld, die alleen voor woon-werkverkeer werd gebruikt. Het privégebruik bleef dus beperkt tot de eerste auto.
Het Hof heeft op basis van de vastgestelde feiten kunnen oordelen dat de eerste auto (die door de overleden echtgenote tot halverwege het jaar ook werd gebruikt voor haar woon-werkverkeer) in feite aan belanghebbende en zijn echtgenote tezamen ter beschikking
was gesteld. Nu belanghebbende na het overlijden van zijn echtgenote alleen deze auto heeft gebruikt, heeft het Hof de bijtelling terecht beperkt tot deze auto.
Indien sprake zou zijn geweest van een situatie waarin de ene auto exclusief aan de vrouw en de andere auto aan de man ter beschikking was gesteld, zou bij de man wel voor het hele jaar een afzonderlijke bijtelling dienen plaats te vinden omdat hij dan op
jaarbasis met de aan hem ter beschikking gestelde auto’s meer dan 500 kilometer privé had gereden.