ECLINLGHARL20221775
Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 08-03-2022
Datum publicatie 18-03-2022
Zaaknummer 21/00392
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie OB. Aftrek voorbelasting bouw woning en overkapping in verband met plaatsing van zonnepanelen.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 21/00392
uitspraakdatum: 8 maart 2022
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 10 februari 2021, nummer AWB 20/3266, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van
de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking omzetbelasting over het tijdvak van 17 juli 2018 tot en met 31 december 2018.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de teruggaaf omzetbelasting vastgesteld op € 2.612, een aanvullende teruggaaf verleend van
€ 469 en beslissingen genomen omtrent de proceskosten en het griffierecht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 6 februari 2018 een aannemingsovereenkomst gesloten met [naam1] B.V. voor de bouw van een woning aan de [adres1] 20 te [woonplaats] (de woning). De totale aanneemsom bedroeg € 330.775, inclusief een bedrag van € 57.408 aan omzetbelasting.
2.2.
Aan belanghebbende zijn met datum 17 juli 2018 en 27 juli 2018 twee facturen uitgereikt door [naam1] B.V. voor de vijfde en zesde termijn van de bouw van de woning. De vijfde en zesde termijn betreffen de aanleg van dakplaten en dakpannen op de woning. Hierbij
is € 5.740,72 en € 8.611,08 aan omzetbelasting in rekening gebracht.
2.3.
Aan belanghebbende is met datum 23 november 2018 een factuur uitgereikt door [naam2] B.V. voor de realisatie van een overkapping en een schutting bij de woning voor een bedrag van € 8.265,50, waarvan € 7.632,24 betrekking heeft op de overkapping en € 633,26
op de schutting. Hierbij is € 1.735,75 aan omzetbelasting in rekening gebracht.
2.4.
Aan belanghebbende is met datum 30 november 2018 een factuur uitgereikt door [naam1] B.V. voor de aanleg van zonnepanelen. Hierbij is € 2.772 aan omzetbelasting in rekening gebracht. De niet-geïntegreerde zonnepanelen zijn geplaatst op het dak van de woning
en op de overkapping en hebben niet de functie van dakbedekking.
2.5.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte omzetbelasting voor startende ondernemers verzocht om een teruggaaf van omzetbelasting van € 4.915. Dit bedrag is als volgt berekend:
Verschuldigde omzetbelasting
€ 160
Voorbelasting:
Zonnepanelen (100%)
€ 2.772
Overkapping (100%)
€ 1.736
Dak (50%)
€ 2.870
€ 5.075
Saldo
-/- € 4.915
2.6.
Bij beschikking van 24 november 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een teruggaaf verleend van € 2.143. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar en beroep aangetekend.
2.7.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die aan hem in rekening is gebracht in verband met bouw van de woning en de overkapping. De Rechtbank heeft de teruggaaf berekend op € 2.612, te weten de verschuldigde
omzetbelasting van € 160 minus de omzetbelasting die in rekening is gebracht voor de aanschaf en installatie van de zonnepanelen ten bedrage van € 2.772. Dit resulteerde in een aanvullende teruggaaf van € 469.
3Geschil
In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van (een deel van) de voorbelasting op de bouw van de woning en de overkapping.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Het Hof stelt voorop dat de belastingplichtige alleen recht op aftrek van voorbelasting kan hebben indien een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de verwerving van een goed of dienst in een eerder stadium en een of meer verrichte handelingen
in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Indien een dergelijk verband niet bestaat, kan een rechtstreeks en onmiddellijk verband niettemin worden aangenomen indien de kosten voor de betrokken goederen of diensten deel uitmaken van de algemene
kosten van de belastingplichtige en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem verrichte prestaties; in dat geval bestaat immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de voor de verwerving van goederen of diensten gedane uitgaven en de
gehele economische activiteit van de belastingplichtige.1
4.2.
Bij de beoordeling of een verband als hiervoor omschreven bestaat, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden waaronder de belastingplichtige de betrokken uitgaven heeft gedaan en hij de betrokken prestaties verricht. De aftrek moet worden beperkt
tot uitgaven die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de belastingplichtige.2 Of
een rechtstreeks en onmiddellijk verband in de hiervoor bedoelde zin bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de gebruikte goederen of diensten. Eveneens moet rekening worden gehouden met de uitsluitende oorzaak van de verwerving
van het goed of de dienst. Wanneer vaststaat dat een uitgave niet ten behoeve van de belastbare activiteit van de belastingplichtige is gedaan, kan niet worden aangenomen dat tussen deze uitgave en die activiteit een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat
in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.3 Een
rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbreekt als de belastingplichtige de desbetreffende uitgave toch zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend.4
4.3.
Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. In het bijzonder bij goederen of diensten die naar hun aard zowel voor economische
doeleinden als voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt, houdt dit in dat het op de weg van belanghebbende ligt om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden aangenomen dat de uitgave haar uitsluitende
oorzaak vindt in de belastbare activiteit ondanks het privégebruik van het goed of de dienst en ongeacht de mate van dat privégebruik.5
4.4.
Belanghebbende is hierin niet geslaagd. Naar het oordeel van het Hof zou belanghebbende de kosten voor de bouw van de woning en de overkapping hoe dan ook hebben gemaakt, ook wanneer hij niet de zonnepanelen zou hebben aangeschaft, zodat niet kan worden
gezegd dat deze uitgaven zijn gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. Dit betekent dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de woning en de overkapping enerzijds en de levering van
energie anderzijds ontbreekt. De kosten voor de bouw van de woning en de overkapping maken geen deel uit van de algemene kosten voor het opwekken van energie. Alsdan kan in het midden blijven of een deel van de kosten voor de bouw van de woning en de overkapping
is opgenomen in de prijs van de door hem verrichte prestaties. Ten overvloede merkt het Hof op dat belanghebbende ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat een deel van de kosten voor de aanleg van de woning en de overkapping is opgenomen in de prijs van de door
hem verrichte prestaties, het leveren van energie. Het enkele feit dat het leveren van energie (al dan niet inclusief een deel van de kosten voor de bouw van de woning en de overkapping) rendabel is, acht het Hof daartoe onvoldoende. De gestelde bewijsnood
van belanghebbende kan niet bewerkstelligen dat omzetbelasting op privé-uitgaven (eindgebruik) alsnog in aftrek wordt gebracht.
Motiveringsbeginsel
4.5.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank ondeugdelijk is gemotiveerd. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet en is van oordeel dat deze uitspraak voldoende is gemotiveerd nu in de uitspraak voldoende inzicht is gegeven in de gedachtegang
die aan de uitspraak ten grondslag ligt.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, lid van de achttiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 8 maart 2022.
1Vgl. HvJ 21 februari 2013, Wolfram Becker, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99, punten 19 en 20 en HR 16 juli 2021, nr. 19/02837, ECLI:NL:HR:2021:1158, r.o. 3.3.1.
2HvJ 21 februari 2013, Wolfram Becker, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak en HR 16 juli 2021, nr. 19/02837, ECLI:NL:HR:2021:1158, r.o. 3.3.2.
3HvJ 8 november 2018, C&D Foods Acquisition ApS, C-502/17; ECLI:EU:C:2018:888, punten 36 en 37, en de aldaar aangehaalde rechtspraak en HR 16 juli 2021, nr. 19/02837, ECLI:NL:HR:2021:1158, r.o. 3.3.2.
4HvJ 21 februari 2013, Wolfram Becker, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99, punten 26 tot en met 29, en de aldaar aangehaalde rechtspraak en HR 16 juli 2021, nr. 19/02837, ECLI:NL:HR:2021:1158, r.o. 3.3.2.
5HR 16 juli 2021, nr. 19/02837, ECLI:NL:HR:2021:1158, r.o. 3.3.3.