email: info@emvoadvies.nl
dinsdag, 3 november 2026

Publicatiedatum: 14/04/2022

Categorie: Formeel recht

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR2022526, 20/02638

Onvoldoende bewijs voor voorwaardelijk opzet


De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Den Bosch over het opleggen van een vergrijpboete vernietigd. Het hof oordeelde dat de Belastingdienst de boete terecht had opgelegd, omdat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de belanghebbende op het moment van het doen van aangifte handelde met voorwaardelijk opzet gericht op het doen van een onjuiste aangifte.

Voor het leveren van het bewijs met betrekking tot opzet is echter meer vereist dan het aannemelijk maken van feiten en omstandigheden. Op de inspecteur rust de bewijslast voor (voorwaardelijk) opzet. In het geval van twijfel moet de belanghebbende het voordeel van die twijfel worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel vaststaan. Volgens de Hoge Raad houdt dit in dat de inspecteur de betreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten aantonen.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad merkt daarbij op, dat het er bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan op aankomt of de aangifteplichtige op het moment van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust had moeten zijn dat door inhoudelijke gebreken in zijn aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De woorden ‘zich ervan bewust moest zijn’ betekenen niet hetzelfde als ‘weten’. In het kader van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan, betekenen deze woorden dat, ook als de aangifteplichtige niet wist en hij zich dus ook niet ervan bewust was, dat door inhoudelijke gebreken in zijn aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, hij zich daarvan in de gegeven omstandigheden wel bewust had moeten zijn, in die zin dat hij dit had behoren te weten. Hof Den Bosch heeft overwogen dat de belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat door zijn gedrag te weinig belasting zou worden geheven. De vaststelling wat de aangifteplichtige omtrent de juistheid van zijn aangifte had behoren te weten, is echter niet voldoende om te oordelen dat hij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Daarvoor moet vaststaan dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard.