ECLINLGHSHE20221116
Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 06-04-2022
Datum publicatie 14-04-2022
Zaaknummer 21/00969
Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:3039, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Het pensioenfonds van belanghebbende heeft in 2018 vastgesteld dat hij voor de jaren 2001 tot en met 2018 recht had op een invaliditeitspensioen. Het pensioen is volledig uitbetaald en belast in 2018. Belanghebbende stelt
dat het deel van het pensioen dat betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2017 onterecht in de aanslag IB/PVV 2018 is betrokken. Hij beroept zich op artikel 13a, lid 2, Wet op de loonbelasting 1964. Deze bepaling ziet echter niet op zijn situatie nu hij
geen zeggenschap had over het genietingstijdstip. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetsverwijzingen Wet op de loonbelasting 1964 13a
Vindplaatsen Rechtspraak.nl; Viditax (FutD), 14-4-2022
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/00969
Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende], wonend in [woonplaats], hierna: belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]) tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 juni 2021, nummer BRE 20/6332,
in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2018 (hierna: de aanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente (hierna: de rentebeschikking) in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en heeft daarbij het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft, hoewel daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend, ook niet na daartoe gerappelleerd te zijn.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen per brief meegedeeld dat het onderzoek
is gesloten en dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is arbeidsongeschikt. Stichting [pensioenfonds] (hierna: het pensioenfonds) heeft in 2018 vastgesteld dat hij voor de jaren 2001 tot en met 2018 recht had op een invaliditeitspensioen.
2.2.
Dit invaliditeitspensioen bedroeg in totaal € 76.367 en is volledig uitbetaald in 2018.
2.3.
De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 96.905. De in rekening gebrachte belastingrente bedroeg € 247.
2.4.
De aanslag en de rentebeschikking zijn na bezwaar en beroep in stand gebleven.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag en de rentebeschikking naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Specifiek in geschil is of het deel van het invaliditeitspensioen dat betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2017 terecht in de
aanslag is betrokken.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en verlaging van de aanslag. De inspecteur heeft in hoger beroep niets aangevoerd.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat de aanslag onevenredig hoog is, omdat het invaliditeitspensioen voor de jaren 2001 tot en met 2018 in één keer in 2018 is uitbetaald.
Belanghebbende doet een beroep op artikel 13a, lid 2, Wet op de loonbelasting 1964. Door een fout van het pensioenfonds is het pensioen volgens belanghebbende op een ongebruikelijk tijdstip genoten. Het tijdstip van genieten had in ieder afzonderlijk jaar
moeten liggen in plaats van in 2018. Volgens belanghebbende had hij in de jaren vóór 2018 reeds aanspraak op het pensioen en was het toen al vorderbaar en inbaar. Belanghebbende acht de aanslag in strijd met de redelijkheid en billijkheid en hij vindt dat
hij onevenredig hard door de aanslag is getroffen.
4.2.
Het hof overweegt als volgt. Het door belanghebbende ontvangen invaliditeitspensioen valt onder het begrip ‘loon uit vroegere dienstbetrekking’.1
4.3.
Loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is:
a. ontvangen;
b. verrekend;
c. ter beschikking gesteld;
d. rentedragend geworden of
e. vorderbaar en inbaar geworden.2
4.4.
Vaststaat dat het pensioen is ontvangen in 2018. Daarmee is het loon in dat jaar belastbaar tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat in een eerder jaar een genietingsmoment als bedoeld in 4.3 zich voordoet. Het pensioenfonds heeft het recht op het pensioen
(pas) in 2018 erkend. Dat bevestigt dat het pensioen vóór 2018 niet inbaar was. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het desbetreffende bedrag eerder inbaar was of anderszins is genoten.
4.5.
Belanghebbende vindt dat het pensioen (deels) aan andere jaren moet worden toegerekend. Enkel de fout van het pensioenfonds heeft ertoe geleid dat het pensioen voor de jaren 2001 tot en met 2018 geheel in 2018 is uitbetaald. Hoewel het moment van (na)betaling
door het pensioenfonds is bepaald, vindt belanghebbende dat sprake is van een overeengekomen ongebruikelijk tijdstip van genieten, omdat hij met het voorstel tot uitbetaling van het pensioen in 2018 heeft ingestemd. Daarom moet het pensioen geacht worden niet
in 2018 te zijn genoten, maar in de afzonderlijke jaren vanaf 2001.3
4.6.
De bepaling waar belanghebbende zich op beroept, ziet niet op zijn situatie, aangezien hij, naar zijn gemachtigde ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, geen zeggenschap had over het genietingstijdstip.4 Dit
betekent dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.
4.7.
Het hof begrijpt dat het volledig belasten van het invaliditeitspensioen in 2018 door belanghebbende wordt ervaren als onredelijk en onbillijk, omdat hij nu - in verhouding - zwaarder is belast en gebruikmaking van de middelingsregeling daaraan slechts ten
dele tegemoet komt. Het hof mag de wetgeving, waaruit de onderhavige belastingheffing volgt, echter niet toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid. Voor een eventueel beroep op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, moet belanghebbende zich richten tot de minister van Financiën.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Dat geldt ook voor zover het zich richt op de beschikking belastingrente en de beschikking verzamelinkomen, waartegen geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd. Omdat de aanslag niet worden verminderd, is
er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente of het verzamelinkomen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door W.A.P. van Roij, voorzitter, P.C. van der Vegt en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
1 Dit volgt uit artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 10, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964.
2 Zie artikel 3.146, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 13a, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964.
3 Artikel 13a, lid 2, Wet op de loonbelasting 1964.
4 Vergelijk Hoge Raad, 17 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7631 (https://www.ndfr.nl/content/ECLI_NL_HR_2005_AT7631), r.o. 3.4.