email: info@emvoadvies.nl
woensdag, 9 september 2026

Publicatiedatum: 28/04/2022

Categorie: Formeel recht

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR2022525, 20/01057

Behandeling verzoek uitstel zitting


De rechter in belastingzaken moet een tijdig verzoek om uitstel van de zitting toewijzen als een partij gewichtige redenen, zoals ziekte, aanvoert waarom zij niet aanwezig kan zijn op de dag die voor de zitting is vastgesteld of waarom zij zich niet op die zitting kan voorbereiden. De rechter wijst zo’n verzoek alleen af als hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan dat uitstel in de weg staan. De rechter moet deze beslissing in zijn uitspraak motiveren. Bij de beoordeling van een verzoek om uitstel mag de rechter geen betekenis toekennen aan de mate waarin een partij haar standpunt(en) tot dan toe heeft onderbouwd. Voor zover de rechter bij de beoordeling van een verzoek om uitstel andere handelingen en gedragingen van die partij betrekt, dient hij zich te beperken tot handelingen en gedragingen van die partij in de betreffende zaak en in deze fase van behandeling. De rechter mag dus ervaringen met een procespartij in andere zaken of bij andere instanties dan de rechtbank of het gerechtshof waarvan de rechter deel uitmaakt, niet laten meewegen bij de beoordeling van een verzoek om uitstel.

Als de belanghebbende wegens ziekte is verhinderd om op de zitting te verschijnen en in verband daarmee om uitstel van het onderzoek ter zitting heeft verzocht, moet de rechter dit verzoek als regel inwilligen. Het verzoek kan worden gedaan door een ander dan de belanghebbende of diens procesvertegenwoordiger. Volgens de Hoge Raad kunnen bijzondere omstandigheden meebrengen dat de rechter van oordeel is dat het belang van een behoorlijke procesorde ernstig in het gedrang zou komen als de zitting wordt uitgesteld en dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbende om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Den Haag vernietigd. Volgens de Hoge Raad heeft het hof miskend dat een verzoek om uitstel van de zitting wegens ziekte van de belanghebbende door een ander dan de belanghebbende of diens procesvertegenwoordiger kan worden gedaan. Het hof heeft het verzoek afgewezen, omdat de belanghebbende naar het oordeel van het hof geen gewichtige reden voor het uitstel had. Daarmee heeft het hof in wezen beslist dat de belanghebbende niet ziek was en dus in staat was om de zitting bij te wonen. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de aanname dat de belanghebbende de rechtsgang wilde frustreren. Deze aanname is geen grond voor de conclusie dat de belanghebbende niet ziek was en dus in staat was om de zitting bij te wonen.