email: info@emvoadvies.nl
zaterdag, 7 november 2026

Publicatiedatum: 02/06/2022

Categorie: Inkomstenbelasting

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR2022718

Gesplitst bezwaar: deels massaal, deels individueel


De Hoge Raad heeft arrest gewezen in een procedure over de box 3-heffing in de jaren 2017 en 2018. De procedure heeft betrekking op een belastingplichtige wiens bezwaar is gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de massaalbezwaarprocedure en een individueel deel. Dat laatste betreft de vraag of de box 3-heffing een individuele buitensporige last vormt.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat in de jaren 2017 en 2018 voor de belanghebbende geen sprake was van een individuele en buitensporige last. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie op dit onderdeel ongegrond verklaard, omdat het oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is deels feitelijk van aard en kan in zoverre in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht.

De belanghebbende voerde verder aan dat de wijze van bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in strijd is met het recht op het ongestoord genot van eigendom. Deze rechtsvraag is onderwerp van de massaalbezwaarprocedure. Om die reden heeft het hof zich hier niet over uitgelaten. Dat is in overeenstemming met een arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021.

De Hoge Raad heeft in het kerstarrest van 24 december 2021 de rechtsvraag, die onderwerp was van de massaalbezwaarprocedure, beantwoord. Het forfaitaire stelsel van box 3 leidt voor een belastingplichtige, die wordt geconfronteerd met belastingheffing over een hoger voordeel dan het werkelijk behaalde rendement tot een schending van het recht op het ongestoord genot van eigendom. Daarna heeft de staatssecretaris een collectieve uitspraak gedaan in de massaalbezwaarprocedure. Die bezwaren zijn gegrond verklaard. De inspecteur moet nu binnen zes maanden na de collectieve uitspraak de aanslagen verminderen. Tegen die vermindering staat geen beroep bij de belastingrechter open. Wel kan de belanghebbende een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering van de aanslag indienen. Tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing van dat verzoek staan wel bezwaar en vervolgens beroep open. De rechter kan dan beoordelen of de noodzaak om adequate rechtsbescherming te bieden aanwezig is en zo nodig zelf de omvang van de compensatie vaststellen.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie op dit onderdeel ongegrond verklaard. In deze cassatieprocedure kan niet worden geoordeeld over het aan de belanghebbende te verlenen rechtsherstel.

De Hoge Raad heeft, mede om redenen van proceseconomie, de in het arrest van 2 juli 2021 gegeven rechtsregel genuanceerd. De feitenrechter mag vanaf de datum, waarop de collectieve uitspraak is gedaan, bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van die collectieve uitspraak in zijn oordeel betrekken.