Toelichting per maatregel
1. Vpb (te dekken buiten Pijler 2)
In het coalitieakkoord is een taakstellende opbrengst ‘Grondslag Vpb’ afgesproken van 1,0 miljard euro, waarvan een aanzienlijk deel naar verwachting zou bestaan uit maatregelen die zien op een minimumniveau aan belastingheffingvan 15 procent bij multinationals
(OESO Pijler 2 afspraken), met een verwachte opbrengst per 2023. Doordat de invoering van OESO Pijler 2 in de Vpb met een jaar uitgesteld is, is in 2023 1,0 miljard euro dekking nodig.
2. Vpb: verlagen schijfgrens naar 200.000
De schijfgrens wordt verlaagd van 395.000 euro naar 200.000 euro vanaf 2023 met een budgettaire opbrengst van 1,3 miljard euro. Hierdoor betalen bedrijven eerder het hoge Vpb-tarief van 25,8 procent.
3. Box 3 bezwaarmakers kosten lastenkant
Als gevolg van het box 3-arrest en de keuze voor de spaarvariant voor alleen bezwaarmakers ontstaat in de inkomstenkant een totale derving van 3,6 miljard euro. Deze derving bestaat uit 2,8 miljard euro aan herstelbetalingen (over de periode 2017-2022) en
0,8 miljard euro als gevolg van overbruggingswetgeving (2023-2024). Indien later wordt gekozen ook rechtsherstel te bieden aan niet-bezwaarmakers en/of aanvullend rechtsherstel per belastingplichtige door toekenning van tegenbewijs nodig is, zal voor deze
aanvullende derving ook aanvullende dekking dienen te worden gevonden.
4. Box 3 bezwaarmakers kosten uitgavenkant
Dit betreft uitvoeringskosten bij de Belastingdienst en de doorwerking op regelingen aan de uitgaven kant zoals de WLZ, toeslagen en de aanvullende studiebeurs.
5. Box 3 voorgenomen verhoging HVV terugdraaien
In het coalitieakkoord is een maatregel opgenomen om het heffingsvrijvermogen in box 3 in drie stappen te verhogen van 50.650 euro nu naar uiteindelijk circa 80.000 euro. Het niet doorvoeren van deze verhoging levert structureel 300 miljoen euro op.
6. Box 2: twee schijven 26 procent en 29,5 procent per 2024
Introductie van twee schijven in box 2 met een basistarief van 26 procent voor de eerste 67.000 euro aan inkomsten per persoon en een tarief van 29,5 procent voor het meerdere. Deze maatregel levert 70 miljoen euro per jaar op.
7. Box 2: doelmatigheidsmarge van 25 procent naar 15 procent
De doelmatigheidsmarge heeft tot gevolg dat het loon voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) 25 procent lager gesteld mag worden dan het loon dat normaal is voor het niveau en de duur van de arbeid van de dga. Deze marge wordt verlaagd naar 15 procent,
waardoor dga’s meer belasting in box 1 gaan betalen. Dit levert in het eerste jaar 321 miljoen euro op. In latere jaren daalt deze opbrengst, doordat het hogere loon leidt tot een kleinere fiscaleclaim in box 2. De structurele opbrengst bedraagt 25 miljoen
euro.
8. Box 2 en 3: Afbouw AHK met verzamelinkomen
Door deze maatregel gaat, naast het box 1-inkomen, ook het inkomen uit box 2 en 3 meetellen voor de afbouw van de algemene heffingskorting.Hierdoor ontvangen mensen die voornamelijk inkomen hebben in box 2 of 3 een lagere korting op de te betalen belasting.
Deze maatregel wordt ingevoerd per 2025 en levert 325 miljoen euro op.
9. 30%-regeling beperken tot Balkenende-norm
Werknemers die vanuit een ander land naar Nederland komen om te werken kunnen dankzij de 30%-regeling maximaal 30 procent van hun loon onbelast ontvangen. Als gevolg van deze maatregel geldt de regeling nog tot maximaal de WNT-norm (2022: 216.000 euro).
Deze maatregel levert structureel 85 miljoen euro op en kent door een overgangsregeling een ingroeipad van drie jaar.
10. Algemeen tarief overdrachtsbelasting van 9 procent naar 10,1 procent
Het algemeen tarief van de overdrachtsbelasting wordt verhoogd van 9 procent naar 10,1 procent. Het algemeen tarief geldt niet voor de verkrijging van woningen door mensen die deze zelf langdurig gaan bewonen. Deze tariefsverhoging geldt met name voor verkrijgingen
niet-woningen en voor verkrijgingen van woningen door rechtspersonen en natuurlijke personen die niet zelf (anders dan tijdelijk) de woningen als hoofdverblijf gebruiken. Deze maatregel komt bovenop de verhoging uit het coalitieakkoord van 8 procent naar 9
procent en levert 325 miljoen euro op.
11. AOW koppeling 7,5 procent
De hoogte van de AOW-uitkering wordt gekoppeld aan de stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) met in totaal 7,5 procent in 2025. De reeks in de tabel geeft de hogere uitgaven weer die horen bij de in het coalitieakkoord beoogde verhoging
in 2024 en 2025. De hogere AOW-uitgaven die het gevolg zijn van vervroeging van de WML-verhoging zijn meegenomen in de tabel onder de post ‘WML vervroegen naar 2023 in 3 stappen inclusief AOW’.
12. Afschaffen IOAOW
De inkomensondersteuning AOW (IOAOW) wordt stapsgewijs verlaagd in 2023 en 2024 en afgeschaft vanaf 2025. Hiermee wordt een deel van de uitgaven gedekt van de koppeling van de AOW aan de stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) per 2023.
13. Terugdraaien voorgenomen verhoging ouderenkorting
Het terugdraaien van de verhoging van de ouderenkorting uit het coalitieakkoord met 376 euro levert 0,6 miljard euro op. Dit raakt ouderen met (hoge) middeninkomens, maar niet de laagste inkomens (zij verzilveren de ouderenkorting niet) en de hoogste inkomens
(zij hebben geen recht op ouderenkorting).
14. Afschaffen Fiscale oudedagsreserve (FOR)
De FOR wordt afgeschaft in de vorm van het met ingang van 1 januari 2023 niet meer fiscaal gefaciliteerd mogen opbouwen van de FOR, waarbij de bestaande reeds opgebouwde FOR nog wel op basis van de huidige regels kan worden afgewikkeld. Dit levert structureel
109 miljoen euro per jaar op. Hiervan wordt een deel ingezet als dekking binnen het AOW-pakket. Het andere deel is reeds gereserveerd als dekking voor een aantal Belastingplan-maatregelen, zie paragraaf 6.1.
15 en 16. Defensie 2 procent in 2024 en 2025 en structureel 2,2 miljard
De Defensie uitgaven gaan in 2024 en 2025 naar de 2 procent van het bbp. De benodigde 2,2 miljard euro in 2025 wordt structureel doorgetrokken. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat ten minste 0,2 miljard euro van de huidige uitgaven op de rijksbegroting toe
te rekenen zijn aan de criteria van de NAVO-norm. De intensivering van 2 miljard wordt op de Aanvullende Post geplaatst.
17. Indexatie CA-middelen tranche 2022
De indexatie van de middelen uit het coalitieakkoord voor de tranche 2022 wordt gedeeltelijk ingezet als dekking voor de budgettaire opgave.
18. Indicatief accres effect
Bovenstaande besluitvorming leidt per saldo tot hogere uitgaven. Dit resulteert in een hoger accres voor gemeenten en provincies tot en met 2025.
19. WML vervroegen naar 2023 in 3 stappen
De verhoging van het WML met 7,5 procent wordt een jaar eerder gestart en vindt plaats in drie stappen. Het WML wordt jaarlijks verhoogd met 2,5 procent in zowel 2023 als 2024 en met 2,32 procent in 2025. Dit leidt tot incidenteel hogere uitgaven in 2023
en 2024 aan onder ander AOW, bijstand en Wajong. De verhoging in 2023 vindt plaats door middel van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Hierdoor stijgen de loongerelateerde uitkeringen en het maximum dagloon automatisch mee. Dit leidt tot structureel
hogere uitgaven. De verhoging in 2024 en 2025 vindt plaats door middel van een wetswijziging. Conform het coalitieakkoord stijgen de loongerelateerde uitkeringen en maximum dagloon in die jaren niet mee.
20. Onbelaste reiskostenvergoeding 1 jaar naar voren
De verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding wordt met een jaar versneld. De kosten hiervoor bedragen 200 miljoen euro in 2023 en 200 miljoen euro in 2024.
21. Fondsen
Het kabinet heeft belangrijke ambities op het terrein van klimaatbeleid, de stikstofaanpak en economische groei. De doelen uit het coalitieakkoord zijn helder en gelden onverkort. Op het terrein van klimaat en stikstof worden aanvullend normerende afspraken
gemaakt zodat het doelbereik verbetert. Doordat deze normerende afspraken een belangrijke bijdrage leveren aan het doelbereik zijn minder subsidies nodig. De subsidies in het Klimaat- en transitiefonds, en het Nationaal Groeifonds worden verlaagd met 2,2 miljard
euro. Het betreft 880 miljoen euro voor het Klimaatfonds, 660 miljoen euro voor het transitiefonds en 660 miljoen euro voor het Nationaal Groeifonds. De verlaging van het Klimaatfonds zal worden ingevuld door te korten op middelen die gereserveerd waren voor
vroege-fase-opschaling van hernieuwbare energiedragers.