email: info@emvoadvies.nl
maandag, 16 maart 2026

Publicatiedatum: 16/06/2022

Categorie: Formeel recht

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR2022767, 20/01587

Vereiste aangifte niet gedaan


De Algemene Wet inzake Rijksbelasting (AWR) schrijft voor dat in het aangiftebiljet opgave wordt gedaan van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn. Volgens de Hoge Raad is de strekking van deze bepaling niet beperkt tot vragen in het aangiftebiljet die rechtstreeks zijn gericht op het vaststellen van de belastingschuld of voor het tijdstip of de periode waarop de aangifte betrekking heeft. De vraagstelling mag er meer in het algemeen op zijn gericht de inspecteur in staat te stellen om op het spoor te komen van gegevens die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn en die aanleiding kunnen zijn voor onderzoek. 

De AWR schrijft verder voor dat ieder, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze invult.

Als een aangifteplichtige een of meer vragen in de aangifte onbeantwoord laat of onjuist beantwoordt, heeft hij in de regel niet de vereiste aangifte gedaan. Dat leidt er in beginsel toe dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast. Er geldt een uitzondering voor het geval waarin het niet of onjuist beantwoorden van de desbetreffende vraag of vragen van onvoldoende gewicht is om die zware sanctie te kunnen rechtvaardigen. Voor zover de gevraagde gegevens zien op de heffing van belasting buiten het tijdstip of de periode waarop de aangifte betrekking heeft, kan een tekortkoming in het verstrekken van de gevraagde gegevens niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast ten aanzien van een belastingaanslag met betrekking tot een tijdstip of een periode waarop de aangifte geen betrekking heeft.

Volgens de Hoge Raad heeft Hof Den Haag terecht geoordeeld dat iemand die betrokken was bij een trust of doelvermogen niet de juiste aangifte heeft gedaan. De aangifteplichtige had de vraag op het aangiftebiljet naar de eventuele betrokkenheid bij een trust of doelvermogen niet beantwoord. Volgens het hof had de aangifteplichtige de beantwoording van die vraag niet achterwege mogen laten op grond van zijn standpunt dat de door hem ontvangen uitkeringen van de trust of het doelvermogen niet in Nederland belastbaar waren. De eventuele pleitbaarheid van dit standpunt ontsloeg de aangifteplichtige niet van de verplichting om die vraag te beantwoorden.

Het hof heeft zonder schending van het recht tot het oordeel kunnen komen dat niet de vereiste aangifte is gedaan. Omdat dit oordeel is verweven met waarderingen van feitelijke aard kan het voor het overige door de Hoge Raad niet op juistheid worden onderzocht. Volgens de Hoge Raad is het niet beantwoorden van de betreffende vraag van voldoende gewicht om de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen.