36 173
Voorstel van wet van de leden Nijboer, Alkaya, Van Raan en Gündoğan houdende regels omtrent invoering van een vermogensbelasting (Wet vermogensbelasting 2024)
Nr. 1
Geleidende brief
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 juli 2022
Hierbij doen wij u overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.21 van het Reglement van Orde een voorstel van wet toekomen houdende regels omtrent invoering van een vermogensbelasting (Wet vermogensbelasting 2024).
De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
Nijboer
Alkaya
Van Raan
Gündoğan
36 173
Voorstel van wet van de leden Nijboer, Alkaya, Van Raan en Gündoğan houdende regels omtrent invoering van een vermogensbelasting (Wet vermogensbelasting 2024)
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vermogensbelasting te introduceren, om zo de vermogensongelijkheid in Nederland te verkleinen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1. Vermogensbelasting
Onder de naam vermogensbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen.
Artikel 1.2. Partnerbegrip
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn de artikelen 1.2, eerste tot en met achtste lid, en 1.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3. Pleegkind
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 1.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.4. In belangrijke mate onderhouden van kinderen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 1.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5. Mogendheid
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 1.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.6. Levensverzekering
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 1.6a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.7. Lijfrenten en pensioenregelingen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 2. BELASTINGPLICHT
Artikel 2.1. Belastingplichtigen
1. Belastingplichtigen voor de vermogensbelasting zijn de natuurlijke personen die:
a. in Nederland wonen (binnenlandse belastingplichtigen); of
b. niet in Nederland wonen maar wel vermogen in Nederland hebben (buitenlandse belastingplichtigen).
2. Vermogen in Nederland is vermogen als bedoeld in afdeling 3.4.
Artikel 2.2. Woonplaatsfictie
Artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 3. GRONDSLAG
Afdeling 3.1. Belastbaar vermogen en vermogensgrondslag
Artikel 3.1. Belastbaar vermogen
1. De vermogensbelasting wordt geheven over het belastbare vermogen, zijnde de vermogensgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum), voor zover die vermogensgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.
2. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 3.6 geacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van het op grond van artikel 3.6 aan hem toegerekende
gedeelte van de gezamenlijke vermogensgrondslag. De gezamenlijke vermogensgrondslag is de vermogensgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn partner voor zover die gezamenlijke vermogensgrondslag meer bedraagt
dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner.
Artikel 3.2. Vermogensgrondslag
De vermogensgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.
Artikel 3.3. Toerekening vermogensbestanddelen
1. Voor zover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren als bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling
van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.1.
2. In afwijking van het eerste lid worden:
a. schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van aftrek zijn uitgesloten en schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning, doch niet behoren
tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001, in aanmerking genomen bij de bepaling van de vermogensgrondslag;
b. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet meer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren als bedoeld in hoofdstuk 3, onderscheidenlijk hoofdstuk 4, van de
Wet inkomstenbelasting 2001, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend tot de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, behoren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van de vermogensgrondslag indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld
in artikel 3.1;
c. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 3, onderscheidenlijk hoofdstuk 4, van de Wet inkomstenbelasting
2001 genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend tot de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, behoren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van de vermogensgrondslag indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel
3.1, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen;
d. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan zes achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan achttien achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren als bedoeld in hoofdstuk
3, onderscheidenlijk hoofdstuk 4, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die in ten minste een deel van die periode behoren tot de bezittingen van een lichaam waarbij een forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, van die wet
uit de aandelen in of winstbewijzen van dat lichaam tot de reguliere voordelen, bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, van die wet, behoort, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend tot de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, behoren, tevens in aanmerking
genomen bij de bepaling van de vermogensgrondslag indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 3.1, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
Artikel 3.4. Toerekening vermogensgrondslag van een minderjarig kind
1. De vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, van een minderjarig kind wordt toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent.
2. Artikel 2.15, eerste, derde en vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.5. Verhaalsrecht op kind
1. De belastingplichtige aan wie vermogensbestanddelen van een kind zijn toegerekend en die daarvan niet het vruchtgenot heeft, heeft verhaal op dat kind voor een gedeelte van de door hem verschuldigde vermogensbelasting, voor zover deze is voldaan.
2. Het in het eerste lid bedoelde gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting bepaald naar de verhouding waarin het belastbare vermogen van dat kind dat bij de vaststelling van de belastingschuld
in aanmerking is genomen, staat tot het belastbare vermogen dat tot de belastingschuld heeft geleid.
3. Van het eerste lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 3.6. Toerekening bestanddelen van de vermogensgrondslag bij partners
1. Bestanddelen van de vermogensgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren.
2. De gezamenlijke vermogensgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht tot hun bezit te behoren in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen.
3. De gezamenlijke vermogensgrondslag wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren voor zover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen.
4. De voor de gezamenlijke vermogensgrondslag tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag of navorderingsaanslag van de belastingplichtige en zijn
partner onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste zin bedoelde belastingaanslag
vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te staan.
5. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft, wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. De keuze
wordt gemaakt bij aangifte. De eerste zin is niet van toepassing ingeval de belastingplichtige of zijn partner als gevolg van emigratie of immigratie niet het gehele kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
is als bedoeld in artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, zijn het tweede tot en met het vierde lid ook van toepassing op de belastingplichtige en zijn partner, bedoeld in het vijfde lid, derde zin, over de periode waarin zij beiden binnenlands belastingplichtige
zijn, mits de periode van binnenlandse belastingplicht gelijktijdig aanvangt en eindigt. Voor de toepassing van deze wet worden de belastingplichtige en zijn partner, bedoeld in de eerste zin, geacht het gehele kalenderjaar dezelfde partner te hebben gehad.
7. Indien een keuze tot wijziging van de in het vierde lid bedoelde onderlinge verhouding zou moeten leiden tot een vermindering van een reeds onherroepelijke vaststaande belastingaanslag, beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van de
mededeling van die keuze bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen die beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het vierde lid. Een beschikking als bedoeld in de eerste zin biedt geen grond voor het opnieuw
toepassen van het vierde lid.
Artikel 3.7. Bezittingen
1. Bezittingen zijn:
a. onroerende zaken;
b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;
c. roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk
als belegging dienen;
d. rechten op roerende zaken;
e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld;
f. overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer.
2. Bezittingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, worden
niet in aanmerking genomen. In afwijking van de eerste zin worden bezittingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking genomen alsmede de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990. De tweede zin is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting,
alsmede op de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit een renteregeling die is opgenomen in een wetgeving die overeenkomt met de Algemene wet inzake rijksbelastingen of de Invorderingswet 1990.
Artikel 3.8. Schulden
1. Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat:
a. verplichtingen die kunnen leiden tot uitgaven die ingevolge hoofdstuk 6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geheel of voor een deel worden aangemerkt als een persoonsgebonden aftrekpost, niet in aanmerking worden genomen;
b. verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die ingevolge artikel
3.101, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn, niet in aanmerking worden genomen;
c. verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving,
niet in aanmerking worden genomen;
d. in afwijking van onderdeel c verplichtingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking worden genomen alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990;
e. onderdeel d van overeenkomstige toepassing is op verplichtingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit een met de regeling voor
de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de regeling voor de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990, overeenkomende renteregeling;
f. verplichtingen, niet zijnde verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en het tweede lid, alleen in aanmerking worden genomen voor zover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 3.200, dan wel, indien de belastingplichtige
het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 3.6 geacht wordt te hebben gehad, voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk meer bedraagt dan € 6.400.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, wordt niet in aanmerking genomen de verplichting die voortvloeit uit de Successiewet 1956 met betrekking tot de toepassing van artikel 7 van de Natuurschoonwet 1928 voor zover er geen sprake
is van terstond invorderbare belasting als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928.
Artikel 3.9. Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht
1. Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige:
a. die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder;
b. die voortvloeien uit een door die echtgenoot schuldig gebleven vergoeding voor een legaat tegen inbreng van de waarde aan die echtgenoot op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder;
c. die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van die ouder; of
d. ter zake van een legitieme portie als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van de belastingplichtige die niet opeisbaar zijn op grond van artikel 81 van Boek 4 van dat wetboek of die niet opeisbaar zijn omdat
de opeisbaarheid afhankelijk is van een voorwaarde of van omstandigheden als bedoeld in de artikelen 82 of 83 van Boek 4 van dat wetboek.
2. Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de in het eerste lid genoemde vorderingen.
3. Tot de bezittingen behoren niet goederen:
a. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht;
b. waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van Boek 4 van dat wetboek;
c. waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van de artikelen 29 of 30 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik is gevestigd.
4. Tot de schulden behoren niet schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop een vruchtgebruik als bedoeld in het derde lid rust of is gevestigd.
5. Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen
vruchtgebruik zou rusten. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op schulden als bedoeld in het vierde lid.
6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing ingeval:
a. een natuurlijk persoon bij plaatsvervulling tot de nalatenschap van de in het eerste of derde lid bedoelde overleden ouder is geroepen;
b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een goed waarop een vruchtgebruik rust als bedoeld in het derde lid is verkregen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande
lijn van de in het eerste lid bedoelde overleden ouder of zijn als erfgenaam achtergelaten echtgenoot.
7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder echtgenoot mede begrepen de partner voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting, bedoeld in artikel 1a, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Successiewet 1956, en wordt onder ouder
mede begrepen de echtgenoot van de ouder van de belastingplichtige.
8. Bezittingen die zijn verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarop een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen.
Artikel 3.10. Heffingvrij vermogen
Het heffingvrije vermogen bedraagt € 100.000.
Afdeling 3.2. Vrijstellingen
Artikel 3.11. Vrijstellingen
Bij het bepalen van de vermogensgrondslag zijn de artikelen 5.7 tot en met 5.17f van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.3. Waardering
Artikel 3.12. Waardering
Voor de waardering van bezittingen en schulden zijn de artikelen 5.18 tot en met 5.23 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.4. Buitenlands belastingplichtigen
Artikel 3.13. Heffing bij buitenlandse belastingplichtigen
Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de vermogensbelasting geheven over het belastbare vermogen in Nederland.
Artikel 3.14. Belastbaar vermogen in Nederland
1. Het belastbaar vermogen in Nederland is de vermogensgrondslag in Nederland, berekend volgens de regels van de afdelingen 3.1 tot en met 3.3, voor zover die vermogensgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Indien de belastingplichtige
het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de overeenkomstige toepassing van artikel 3.6 geacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van de eerste zin uitgegaan van het op grond van de overeenkomstige toepassing van artikel 3.6 aan hem
toegerekende gedeelte van de gezamenlijke vermogensgrondslag.
2. De vermogensgrondslag in Nederland is de waarde van de bezittingen in Nederland verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen in Nederland.
3. Bezittingen in Nederland zijn:
a. in Nederland gelegen onroerende zaken;
b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken;
c. rechten op aandelen in winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voor zover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking en zij niet op grond van de afdelingen 7.2 of 7.3 van de Wet inkomstenbelasting
2001 zijn belast.
4. Onder in Nederland gelegen onroerende zaken worden begrepen rechten die samenhangen met de exploratie of de exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen.
Artikel 3.15. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
1. Ten aanzien van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare vermogen in Nederland bepaald overeenkomstig artikel 3.14, waarbij artikel 3.8, eerste lid, onderdeel f, en tweede zin, van overeenkomstige toepassing is.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder kwalificerende buitenlandse belastingplichtige verstaan een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8, zesde tot en met achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001.
HOOFDSTUK 4. TARIEF
Artikel 4.1. Tarief
De belasting wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.
Bij een belastbaar vermogen of een belastbaar vermogen in Nederland van meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare vermogen, onderscheidenlijk van het gedeelte van het belastbare
vermogen in Nederland, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
I
II
III
IV
-
€ 400.000
-
1%
€ 400.000
€ 900.000
€ 4.000
2%
€ 900.000
€ 1.900.000
€ 14.000
3%
€ 1.900.000
€ 4.900.000
€ 44.000
4%
€ 4.900.000
-
€ 164.000
5%
HOOFDSTUK 5. WIJZE VAN HEFFING
Artikel 5.1. Heffing bij wege van aanslag
1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.
2. Indien de belastingplichtige ook belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting geschiedt de heffing van de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting door middel van één aanslagbiljet. Hierbij zijn de regels die gelden voor de heffing en de invordering
van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt, indien artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, die bepaling eenmaal toegepast.
Artikel 5.2. Wel of geen aanslag
1. Geen aanslag wordt vastgesteld indien geen belasting verschuldigd is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige die aangifte heeft gedaan. Alsdan wordt de aanslag vastgesteld op nihil.
Artikel 5.3. Voorlopige aanslag en ambtshalve vermindering
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn de artikel 9.5 en 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 6. AANVULLENDE REGELINGEN
Artikel 6.1. Verstrekken van gegevens en inlichtingen
Voor de aanwijzing van administratieplichtigen in verband met de verstrekking van gegevens en inlichtingen waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing van de vermogensbelasting is artikel 10.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6.2. Rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.3. Projecten in Aruba, Curacao, Sint Maarten of de BES eilanden
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 10.10, tweede en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.4. Indexatie
Artikel 10.1, eerste lid, en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 3.8 vermelde bedragen.
HOOFDSTUK 7. OVERGANGSRECHT
Artikel 7.1. Overgangsbepaling nettolijfrente en nettopensioen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 10a.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.2. Overgangsbepaling uitfaseren pensioen in eigen beheer
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 10a.18, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.3. Overgangsbepaling vrijstelling kapitaalverzekeringen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN
Artikel 8.1. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 8.2. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet vermogensbelasting 2024.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,
36 173
Voorstel van wet van de leden Nijboer, Alkaya, Van Raan en Gündoğan houdende regels omtrent invoering van een vermogensbelasting (Wet vermogensbelasting 2024)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
De vermogensongelijkheid is groot en neemt toe. In Nederland en in de wereld.[1] Het regeerakkoord
voorziet -ondanks wetenschappelijke en maatschappelijke pleidooien voor het verder belasten van vermogens- niet in voorstellen om de (grote) vermogens in Nederland te belasten en daarmee de vermogensongelijkheid te verkleinen. Bovendien deed de Hoge Raad recent
uitspraak over de vermogensrendementsheffing in box 3. Door deze uitspraak is de huidige box 3 systematiek niet meer houdbaar. Daarom is het noodzaak te komen tot een eerlijke, eenduidige, en uitvoerbare vermogensbelasting, die stand houdt voor de rechter.
En die de vermogensongelijkheid verkleint. Daarop ziet dit wetsvoorstel om te komen tot een progressieve vermogensbelasting.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
2.1 Aanleiding
Directe aanleiding voor het wetsvoorstel is de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021[2],
waarin de Hoge Raad rechtsherstel biedt aan een belastingplichtige die kon aantonen dat zijn rendement op vermogen lager was dan het forfaitair vastgestelde vermogen.
Daarnaast maken initiatiefnemers zich zorgen over de vermogensongelijkheid wereldwijd en in Nederland in het bijzonder. Initiatiefnemers constateren daarbij dat kapitaal in Nederland laag wordt belast ten opzichte van inkomen uit arbeid. Ook in internationaal
perspectief is dit het geval.[3] De wens om kapitaal en daarmee vermogens zwaarder te belasten is een
breed gedeelde wens, getuige de verkiezingsprogramma’s voor de verkiezingen van 2021.[4] Deze wens
heeft geen beslag gekregen in het regeerakkoord van Rutte IV[5], hetgeen initiatiefnemers tot onderhavig
initiatief heeft bewogen.
2.2 Probleembeschrijving
In de uitspraak van 24 december 2021 oordeelt de Hoge Raad dat de forfaitaire heffing in box 3 in de loop der jaren steeds verder af is komen te staan van de daadwerkelijke rendementen die belastingplichtigen genieten. Door geen rekening te houden met de
werkelijke keuzes van belastingplichtigen worden naar oordeel van de Hoge Raad de fundamentele rechten van belastingplichtigen geschonden. De Hoge Raad biedt rechtsherstel door het werkelijke rendement in de heffing te betrekken.
De heffing op inkomen uit spaargeld en overig vermogen is geregeld in box 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Dit inkomen (voordeel) wordt volgens artikel 5.2 wet IB als volgt bepaald:
“Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op -0,01% van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, vermeerderd met 5,53% van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse
II (forfaitair rendement).”
De Hoge Raad heeft dus gelijk dat het inkomen uit sparen en beleggen volgens de wet IB onafhankelijk is van rendement of keuzes van belastingplichtigen. Dit past niet bij een inkomstenbelasting. Een inkomstenbelasting zou immers naar aard inkomen moeten
belasten. Daarmee is de realiteit uit het oog verloren. Een hiaat dat hersteld dient te worden.
Hiermee is de box 3 heffing op losse schroeven komen te staan. Een grote groep mensen dient rechtsherstel geboden te worden. De gevolgen voor box 3 zelf op de middellange termijn zijn op het moment van schrijven nog niet uitgekristalliseerd. Duidelijk is
wel dat een belangrijke pijler onder het belasten van kapitaal en daarmee vermogen onder het stelsel is weggevallen. Dit terwijl de belastingdruk op vermogen in internationaal opzicht al erg laag is:
![]()
Het wegvallen van box 3 zou een verdere daling betekenen van de belastingdruk op vermogen. Dit gebeurt in een tijd waarin de vermogens al extreem ongelijk verdeeld zijn. Een goede methode om vermogensongelijkheid weer te geven is de Parade van Pen, bedacht
door de Nederlandse econoom Jan Pen. In een optocht komen alle huishoudens voorbij, waarbij de lengte van elk persoon evenredig is aan het vermogen. Deze parade ziet er voor Nederland als volgt uit:[6]
![]()
Als dit wordt vergeleken met de inkomensverdeling in dezelfde weergave, is het probleem snel duidelijk:![]()
Ook bij de inkomens zien we ongelijkheid, maar deze is minder scheef. Bovendien kennen we voor inkomens reeds een progressieve inkomstenbelasting, en allerlei regelingen om inkomens te ondersteunen waar dat nodig is. Vermogens daarentegen worden laag belast,
en voor het huidige stelsel van box 3 valt te beargumenteren dat dit een degressieve belasting is. Door de uitspraak van de Hoge Raad valt de grondslag onder box 3 mogelijk in het geheel weg. Daarvoor biedt dit wetsvoorstel een alternatief, zodat vermogens
belast blijven.
Veel van het Nederlandse vermogen bevindt zich in het eigen huis. Box 3 belast spaargeld en overige bezittingen. Als wordt gekeken naar de samenstelling van vermogens, is al snel duidelijk waarom een echte vermogensbelasting over deze bezittingen noodzakelijk
is:
![]()
Het zou onacceptabel zijn het grootste deel van het vermogen –dus bezittingen buiten het eigen huis- van de rijkste 10% van Nederland onbelast te laten.
Waarom is het erg als de vermogensongelijkheid groot is? Voor een deel is dit een ideologische discussie. We weten dat ongelijkheid grote gevolgen heeft voor de kansen van kinderen.[7]
Ongelijkheid leidt tot een toename van stress en geweld. Tot grote verschillen in levensverwachting. En er zijn sterke aanwijzingen dat te grote ongelijkheid slecht is voor de economische groei.[8]
Bovendien is kenmerkend voor vermogensongelijkheid dat het zichzelf versterkt, nu het rendement op kapitaal op lange termijn groter kan worden dan de economische groei.[9]
Effectieve belastingheffing is noodzakelijk om te komen tot een rechtvaardiger samenleving.
2.3 Probleemaanpak
Initiatiefnemers stellen een progressieve heffing voor op vermogensbestanddelen die niet reeds onderdeel zijn van de heffing in box 1 of box 2 van de inkomstenbelasting. Beoogd wordt om als grondslag aan te sluiten bij de huidige box 3 heffing. Het vermogen
op zichzelf is echter de grondslag, niet het (veronderstelde) inkomen of rendement daaruit. Hiermee wordt een volwaardige vermogensbelasting gecreëerd, die niet valt te verwarren met een inkomstenbelasting. Gewone spaarders en het eigen huis worden ontzien.
De regeling beoogt slechts de (zeer) vermogenden te belasten. Daartoe wordt een vrijstelling geïntroduceerd, en een progressief tarief.
De doelen van de heffing zijn:
- Het matigen van de vermogensongelijkheid in Nederland
- Het genereren van een stabiele belastingopbrengst
- Een regeling die uitvoerbaar is voor de Belastingdienst
- Een regeling die begrijpelijk en uitlegbaar is
De voorgestelde vermogensbelasting is naar aard geschikt om de vermogensongelijkheid te verkleinen. Door de vrijstelling en het progressieve tarief zijn de meeste huishoudens geen belasting verschuldigd. Slechts de meest vermogenden betalen de belasting,
en de grootste vermogens betalen meer. Hiermee werkt de regeling matigend op de vermogensongelijkheid. Dit betekent niet dat de vermogensongelijkheid per definitie kleiner wordt. Indien grote vermogens nog meer rendement behalen dan de regeling belast, is
dit niet het geval. Zonder de vermogensbelasting zou dit effect echter niet gematigd worden.
De vermogensbelasting voorziet in een stabiele belastingopbrengst. De opbrengst is afhankelijk van de grootte van het collectieve vermogen. Dit is, anders dan het inkomen daaruit, redelijk stabiel en langjarig toenemend.
![cid:image001.png@01D816A9.D7EC47A0]()
De regeling is uitvoerbaar voor de Belastingdienst. De gegevens over vermogens zijn reeds beschikbaar uit de box 3 regeling. Ook zijn er bestaande systemen die de Belastingdienst voorzien van betrouwbare gegevens, zoals de automatische aanvoer door banken.
Dit maakt ook controle uitvoerbaar. Voorts hoeft de Belastingdienst de complexe calculatie van vermogen naar forfaitair inkomen niet te maken. De vermogensbelasting vereist wel een incidentele transitie, hetgeen in de huidige staat van de Belastingdienst een
uitdaging zal vormen. Niettemin is de vermogensbelasting een duidelijke vereenvoudiging ten opzichte van de huidige regeling.
De regeling is begrijpelijk en uitlegbaar. Door een vast percentage van het vermogen te heffen is er weinig discussie, en is de regeling niet overmatig complex. De regeling is daarbij ook eerlijker, de vormgeving past immers bij het doel dat wordt nagestreefd.
Instrumentkeuze
Deze vermogensbelasting is een rijksbelasting die van rijkswege door de rijksbelastingdienst wordt geheven. De Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is van toepassing.
Binnenlands belastingplichtigen zijn belastingplichtig onder deze wet. Ook mensen in het buitenland die Nederlandse bezittingen hebben waarover Nederland mag heffen vallen onder de wet, dit zijn bijvoorbeeld buitenlanders die een vakantiehuis in Nederland
hebben.
Gekozen wordt om de grondslag voor sparen en beleggen te kiezen die nu vervat is in box 3 van de inkomstenbelasting. Dit zijn de bezittingen minus de schulden. Bezittingen zijn onder andere:
- Spaartegoeden
- Beleggingen
- Vastgoed
- Contanten
- Cryptomunten
- En andere zaken die een waarde vertegenwoordigen in het economisch verkeer.
Vrijgesteld zijn het eigen huis, en aandelen in een aanmerkelijk belang. Deze blijven in respectievelijk de belasting in box 1 en 2 betrokken. Schulden zijn als hoofdregel aftrekbaar.
Er geldt een heffingsvrij vermogen van € 100.000 per persoon. Voor een paar is het heffingsvrij vermogen € 200.000. Dit betekent dat het grootste deel van de Nederlanders niet met de heffing in aanraking komt.
Er wordt een progressief tarief gehanteerd. Voor vermogens tussen € 100.000 en € 500.000 geldt een tarief van 1%, tussen € 500.000 en € 1 miljoen geldt een tarief van 2%, tussen € 1 miljoen en € 2 miljoen geldt een tarief van 3%, tussen € 2 miljoen en €
5 miljoen 4% en boven € 5 miljoen geldt een tarief van 5%.
Initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat onderhavig wetsvoorstel met deze keuzes in dit stadium een imperfecte vermogensbelasting is. Aandelen die een aanmerkelijk belang vormen zijn een belangrijk deel van de vermogenssamenstelling van de meest vermogende
Nederlanders. Daarvoor zijn aanpassingen in box 2 nodig. Het eigen huis is het belangrijkste vermogensbestanddeel van de meeste overige huishoudens. Voorts dient benoemd te worden dat pensioenvermogens niet onder de regeling vallen.
Initiatiefnemers achten deze keuzes te rechtvaardigen, nu deze vermogensbestanddelen elders worden belast. Een vermogensbelasting die meer compleet is vereist een ingrijpende stelselwijziging die de reikwijdte van dit voorstel te buiten gaat. Bovendien kunnen
op korte termijn op deze gebieden sneller en eenvoudiger resultaat bereikt worden, bijvoorbeeld door maatregelen te treffen op het gebied van de hypotheekrenteaftrek en tariefmaatregelen in box 2 en de vennootschapsbelasting. Dat betekent niet dat het denken
stil komt te staan. Bas Jacobs geeft een goed beeld van het recente denken hierover in zijn recente bijdrage in ESB.[10]
Ter vervanging van box 3 wordt nagedacht over een vermogensaanwasbelasting. Dit idee speelt al langer, en is tot nu toe lastig uitvoerbaar gebleken. Het is ook nu niet zeker dat invoering per 2025 haalbaar zal zijn. Het karakter van deze vermogensbelasting
is ook anders, met een andere grondslag. Initiatiefnemers kunnen zich dan ook goed voorstellen dat op het moment er een vermogensaanwasbelasting wordt geïntroduceerd, de vermogensbelasting zal blijven bestaan.
3. Verhouding tot hoger recht
3.1 Grondwet
Zolang de door de Grondwet gestelde voorschriften tot aanname van de belastingwet worden gevolgd is sprake van een wet die niet rechtstreeks kan worden getoetst aan de Grondwet.
3.2 Het recht van de Europese Unie
De EU heeft geen bevoegdheden als het gaat om directe belastingen. Daar valt ook deze vermogensbelasting onder. De vermogensbelasting is daarmee als zodanig niet in strijd met het Unierecht.
3.3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad (Kerstarrest) dat de huidige box 3 regeling in strijd is met het EVRM. Zij oordeelde daarbij dat het forfaitaire stelsel steeds verder af is te komen te staan van het werkelijk genoten inkomen uit het vermogen,
terwijl de wetgever dit wel had beoogd. Voorts oordeelde de Raad dat de regeling aanzet tot risicovol beleggen, wat een inbreuk is op het recht om vrij te beschikken over vermogen.
Initiatiefnemers achten deze bezwaren weggenomen door een echte vermogensbelasting te introduceren, die niet het inkomen beoogt te belasten, maar het vermogen als zodanig.
De Hoge Raad oordeelde in het Kerstarrest onder andere het volgende:
· Bij een forfaitaire heffing dient de werkelijkheid benaderd te worden, hoewel de wetgever daarbij enige marge heeft;
· Met de wijziging in 2017 is de benadering van een “eenvoudig te behalen rendement” verlaten voor een benadering die aansluit bij wat belastingbetalers gemiddeld hebben behaald. Door deze verandering is het forfaitair stelsel verder af komen te staan
van een heffing over inkomen waarvan kan worden aangenomen dat een individuele belastingplichtige het daadwerkelijk heeft genoten.
· Dit is discriminatoir, omdat de overheid zo mensen met een laag beleggingsrisicoprofiel benadeelt ten opzichte van mensen die een hoger risico bereid zijn te lopen. Zo worden bovendien keuzes beïnvloedt.
Deze vermogensbelasting heeft een ander doel, en is anders qua opzet. Het vermogen als zodanig wordt belast, en niet het inkomen daaruit. Daarmee wordt geen gebruik gemaakt van een forfaitaire benadering. Slechts de omvang van het vermogen is relevant. Sprake
van discriminatie tussen mensen met een verschillend risicoprofiel is niet aan de orde.
Ook een echte vermogensbelasting dient de toets van het EVRM te doorstaan. Belastingen, en daarmee ook een vermogensbelasting, zijn een inbreuk op het ongestoord recht op eigendom.
Deze inbreuk is te rechtvaardigen indien deze:
· Is voorzien bij de wet;
· Die wet een legitieme doelstelling heeft die in het algemeen belang is, en
· Proportioneel is ten opzichte van dat nagestreefde doel.
De doelstellingen van het wetsvoorstel zijn:
· Het matigen van de vermogensongelijkheid in Nederland
· Het genereren van een stabiele belastingopbrengst
· Een regeling die uitvoerbaar is voor de Belastingdienst
· Een regeling die begrijpelijk en uitlegbaar is
Dit zijn legitieme doelstellingen in het algemeen belang. De Tweede Kamer heeft hier als medewetgever een ruime beoordelingsmarge.
De vermogensbelasting heeft andere doelstellingen dan de forfaitaire inkomstenbelasting, die immers in de woorden van de Hoge Raad doelen had “op het terrein van uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst”. En bij realiteit wordt hier het rendement op vermogen
bedoeld. De vermogensbelasting heeft geen realiteitsdoelstelling die ziet op rendement. Een vermogensbelasting ziet op de inherente draagkracht die vermogens verschaffen aan de bezitter. Immers, iemand met een vermogen van € 1 miljoen heeft een grotere draagkracht
dan iemand met een potje van € 10.000. Dit principe wordt voortdurend toegepast, bijvoorbeeld bij vermogenstoetsen bij uitkeringen en toeslagen en het eigenwoningforfait. Vermogen is daarmee een geschikte grondslag voor belastingen.
De volgende vraag is of de heffing geschikt en proportioneel is. Een vermogensbelasting is geschikt om vermogensongelijkheid te verminderen. Qua proportionaliteit keurde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een Franse vermogensbelasting goed
die 83% van de vruchten van vermogen afroomde (EHRM 4 januari 2008, nrs. 834/05 en 27815/05 (Imbert de Tremiolles c. France). Ook sec het feit dat een heffing meer heft dan de vruchten is niet per se problematisch, zie bijvoorbeeld de
onroerendezaakbelasting (OZB) en de hondenbelasting. Daarnaast renderen vermogensbestanddelen niet altijd, denk aan vakantiehuizen en consumptieve keuzes. Of geven sommige vermogensbestanddelen geen direct inkomen uit
rente of dividend, zoals crypto’s en niet-verhuurd vastgoed. Het zou niet redelijk zijn als er geen mogelijkheid bestaat deze vermogensbestanddelen in een heffing te betrekken.
Ook andere landen kennen een vermogensbelasting. In Spanje met een tarief tussen 0,2% en 3,5% en in Frankrijk met een tarief tussen 0,5% en 1,5%. Daar lijkt het EVRM niet aan in de weg te staan. Tot slot is Zweden nog de moeite van het noemen waard. Na de
financiële crisis besloot Zweden 7% van het vermogen van verzekeraars af te romen. Dit werd akkoord bevonden (WASA vs Sweden).
Een vermogensbelasting als zodanig is dus niet in strijd met het EVRM. Voor de uitwerking is maatvoering van belang. Een vrijstelling van € 100.000 (200.000 voor een paar) maakt dat de groep belastingplichtigen sterk wordt uitgedund. De overgebleven belastingplichtigen
zijn zonder uitzondering kapitaalkrachtig, en betalen tot € 500.000 (1 miljoen voor een paar), een tarief van 1%. Een belasting van € 4.000 over een vermogen van een miljoen achten de initiatiefnemers proportioneel. Het tarief in de hoogste vermogensklassen
is hoger. Er zijn 9.300 belastingplichtigen die een vermogen hebben van meer dan € 2,5 miljoen. Slechts een klein deel daarvan valt in de hoogste categorie. Die vermogens zijn extreem groot, en initiatiefnemers achten het te rechtvaardigen dat deze groep een
grotere bijdrage levert aan de samenleving.
4. Budgettaire gevolgen
Er is een raming uitgevoerd gebaseerd op aangiftegegevens uit het jaar 2019.
Jaar
2022
2023
2024
2025
struc
Invoeren progressieve vermogensbelasting per 2024
784
784
4.429
4.485
5.177
II. ARTIKELSGEWIJS
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Vermogensbelasting
Deze bepaling regelt dat de voorgestelde vermogensbelasting uitsluitend wordt geheven van natuurlijke personen.
Zoals toegelicht in het algemeen deel van de memorie wordt voor de heffing van vermogensbelasting aangesloten bij de heffingsgrondslag sparen en beleggen (box 3) die is opgenomen in
hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Daarbij zijn enkele kernelementen van de belastingheffing, waaronder de subjectieve en objectieve belastingplicht en tariefstelling, als zelfstandig leesbare artikelen
opgenomen in dit wetsvoorstel. Voor een groot aantal bijkomende bepalingen wordt volstaan met het van overeenkomstige toepassing verklaren van relevante artikelen in de Wet IB 2001. Steeds wordt geregeld dat zowel de relevante artikelen uit de Wet IB 2001
als de op die artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn op de voorgestelde vermogensbelasting, zodat ook die (huidige en toekomstige) lagere regelgeving van overeenkomstige toepassing is. In deze memorie is dat ten behoeve van de
leesbaarheid niet steeds expliciet vermeld. Afwijkingen van de Wet IB 2001 worden steeds bij de betreffende artikelen toegelicht.
In het vervolg van hoofdstuk 1 worden enkele relevante bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard.
Hoofdstuk 2 bevat de subjectieve belastingplicht. Dat hoofdstuk sluit aan bij afdeling 2.1 Wet IB 2001.
Hoofdstuk 3 bevat bepalingen omtrent de objectieve belastingplicht. Dat hoofdstuk sluit in belangrijke mate aan op hoofdstuk 5 Wet IB 2001. Voor bepalingen inzake buitenlandse belastingplicht, opgenomen in afdeling 3.4, wordt aangesloten bij hoofdstuk 7
Wet IB 2001.
Hoofdstuk 4 bevat het tarief. Hoofdstuk 5 bevat de wijze van heffing, waarvoor wordt aangesloten bij hoofdstuk 9 Wet IB 2001. De hoofdstukken 6, 7
en 8 bevatten enkele aanvullende bepalingen, overgangsrecht, onderscheidenlijk de slotbepalingen.
Artikel 1.2. Partnerbegrip
Artikel 1.2 geeft een definitie van het partnerbegrip. Met ingang van 1 januari 2011 is een uniform partnerbegrip in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgenomen dat geldt voor alle belastingwetten en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
(Awir). Vervolgens is het mogelijk om het partnerbegrip in afzonderlijke wetten uit te breiden of kunnen er aanvullende voorwaarden worden gesteld. In artikel 1.2 Wet IB 2001 is hiervoor gekozen en geldt in aanvulling op het uniforme partnerbegrip dat ongehuwd
samenwonenden met een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling kwalificeren als partner indien zij op hetzelfde woonadres staan ingeschreven.
Aangezien de heffing van de vermogensbelasting in sterke mate aansluit bij de heffing van inkomstenbelasting is het wenselijk om de aanvullende bepalingen in artikel 1.2 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing te verklaren. Een geharmoniseerd partnerbegrip
tussen de vermogensbelasting en inkomstenbelasting maakt de regelgeving voor de burger duidelijker. Hetzelfde geldt voor artikel 1.9 Wet IB 2001. Deze bepaling wordt eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 1.2. De voorwaarde van inschrijving
in de basisregistratie personen is relevant voor het partnerbegrip, zoals hiervoor is beschreven.
De wijze van definiëring van het begrip partner leidt ertoe dat in de wetsbepalingen waarbij dit begrip van belang is daar geen definitie meer van hoeft te worden opgenomen.
Artikel 1.3. Pleegkind
Artikel 1.3 regelt de gelijkstelling van een pleegkind met een kind door middel van het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 1.4 Wet IB 2001. De gelijkstelling van een pleegkind met een kind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap, leidt
ertoe dat in de wetsbepalingen die van toepassing zijn op kinderen en pleegkinderen, kan worden volstaan met het vermelden van het begrip kind.
Artikel 1.4. In belangrijke mate onderhouden van kinderen
Artikel 1.4 verklaart artikel 1.5 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. Dit artikel is van belang voor de toepassing van de woonplaatsfictie van artikel 2.2. Als een belastingplichtige – in dienst bij de Nederlandse Staat – op grond van woonplaatsfictie
geacht wordt in Nederland te wonen dan worden ook diens partner en kinderen geacht in Nederland te wonen. Dit geldt alleen voor kinderen die jonger zijn dan 27 jaar en in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.
Artikel 1.5. Mogendheid
Artikel 1.5 verklaart artikel 1.6 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. De definitie van het begrip mogendheid leidt ertoe dat in de wetsbepalingen waarvan het begrip mogendheid onderdeel uitmaakt, kan worden volstaan met het vermelden van het begrip.
Artikel 1.6. Levensverzekering
Artikel 1.6 verklaart artikel 1.6a Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. De definitie van levensverzekering is relevant voor de vrijstelling van artikel 5.10 Wet IB 2001, die ingevolge dit wetsvoorstel eveneens van overeenkomstige toepassing wordt
verklaard.
Artikel 1.7. Lijfrenten en pensioenregelingen
Artikel 1.7 verklaart artikel 1.7 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. De in dat artikel opgenomen definities van de begrippen lijfrente en pensioenregeling zijn voor een aantal vrijstellingen in afdeling 3.2 van belang.
HOOFDSTUK 2. Belastingplicht
Artikel 2.1. Subjectieve belastingplicht
Deze bepaling omschrijft de kring van belastingplichtigen voor de vermogensbelasting (de belastingsubjecten). Belastingplichtig zijn binnenlandse belastingplichtigen en buitenlandse belastingplichtigen. Binnenlandse belastingplichtigen zijn belastingplichtigen
die in Nederland wonen. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Buitenlandse belastingplichtigen zijn belastingplichtigen die niet in Nederland wonen maar wel vermogen in Nederland hebben. In artikel 2.1, tweede lid, wordt geregeld dat vermogen
in Nederland het vermogen, bedoeld in afdeling 3.4, is.
Artikel 2.2. Woonplaatsfictie
Artikel 2.2 verklaart 2.2 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. Dat artikel bevat fictiebepalingen inzake de fiscale woonplaats van bepaalde personen, die van belang zijn voor de belastingplicht, die is opgenomen in artikel 2.1.
HOOFDSTUK 3. Grondslag
Afdeling 3.1. Belastbaar vermogen en vermogensgrondslag
Artikel 3.1. Belastbaar vermogen
Artikel 3.1 bevat regels voor de bepaling van de omvang van het belastbare vermogen. In artikel 3.1, eerste lid, wordt als uitgangspunt vastgelegd dat het belastbare vermogen, zijnde de vermogensgrondslag aan het begin van het kalenderjaar, voor zover die
vermogensgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, in de heffing wordt betrokken. Het heffingvrije vermogen wordt nader uitgewerkt in artikel 3.10. Zoals hierna in de toelichting op artikel 3.2 wordt opgemerkt, wordt de vermogensgrondslag bepaald
door – op basis van de waarde in het economische verkeer op 1 januari – de waarde van alle bezittingen bij elkaar op te tellen en deze gezamenlijke waarde vervolgens te verminderen met de waarde van alle schulden. Aldus ontstaat de vermogensgrondslag die,
na vermindering met het heffingvrije vermogen, in de heffing moet worden betrokken.
Op basis van artikel 3.1, tweede lid, wordt bij partners, mits het partnerschap het gehele jaar heeft geduurd of voor de toepassing van artikel 3.6 geacht wordt te hebben geduurd, de vermogensbelasting geheven over het op grond van artikel 3.6 aan ieder
toegerekende deel van de gezamenlijke vermogensgrondslag. De gezamenlijke vermogensgrondslag is de gezamenlijke vermogensgrondslag aan het begin van het jaar van de belastingplichtige en zijn partner voor zover deze meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen
van de belastingplichtige en zijn partner.
Opgemerkt wordt dat in de inkomstenbelasting ten aanzien van belastingplichtigen waarvan de binnenlandse belastingplicht in de loop van het jaar begint of eindigt anders dan door overlijden, voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen eveneens
wordt uitgegaan van de vermogenstoestand op peildatum 1 januari. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt daarbij naar tijdsgelang herleid. Een dergelijke bepaling past naar zijn aard wel bij een belasting op het inkomen uit vermogen maar niet bij een belasting
over het vermogen en is daarom niet opgenomen in dit wetsvoorstel.
Artikel 3.2. Vermogensgrondslag
In artikel 3.2 en verder wordt de reikwijdte van het begrip vermogensgrondslag uitgewerkt. Het begrip vermogensgrondslag wordt omschreven als de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.
Bij de bepaling van de omvang van de in de heffing te betrekken vermogensgrondslag wordt niet uitsluitend rekening gehouden met de bezittingen van een belastingplichtige, maar ook met zijn schulden. Als gevolg van de in de artikelen 3.11 en 3.12 opgenomen
toerekeningsregels en vrijstellingen worden niet per definitie alle bezittingen en schulden van een belastingplichtige belast.
Artikel 3.3. Toerekening vermogensbestanddelen
Artikel 3.3 is ontleend aan artikel 2.14 Wet IB 2001, waarin een rangorderegeling is opgenomen voor vermogensbestanddelen waarvan de inkomsten op grond van de Wet IB 2001 op basis van meer dan één onderdeel van die wet in de heffing betrokken kunnen worden.
Zoals toegelicht in het algemeen deel van de memorie wordt voor de heffing van vermogensbelasting aangesloten bij de vermogensbestanddelen die in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in de inkomstenbelasting.
Artikel 3.3, eerste lid, regelt daarom dat vermogensbestanddelen die inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 3, onderscheidenlijk hoofdstuk 4, Wet IB 2001 genereren, niet in aanmerking worden genomen voor de heffing van
vermogensbelasting. Deze vermogensbestanddelen worden immers niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen in box 3 en worden daarom ook niet in de heffing van vermogensbelasting betrokken. Artikel 3.3, tweede lid, bevat enkele uitzonderingen
op deze regel die zijn ontleend aan artikel 2.14, derde lid, Wet IB 2001. Daarmee wordt beoogd dat vermogensbestanddelen die op grond van artikel 2.14, derde lid, Wet IB 2001 in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen in box 3,
eveneens tot de vermogensgrondslag behoren.
Artikel 3.4. Toerekening vermogensgrondslag van een minderjarig kind
Artikel 3.4 regelt de toerekening van de vermogensgrondslag van minderjarige kinderen. Het eerste lid van genoemd artikel bepaalt dat de vermogensgrondslag van een minderjarig kind wordt toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent. Deze
bepaling is ontleend aan artikel 2.15, tweede lid, Wet IB 2001, waarin geregeld is dat de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van een minderjarig kind wordt toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent.
Hiermee wordt bewerkstelligd dat vermogensbestanddelen die voor de inkomstenbelasting zijn toegerekend aan de ouder, ook voor de vermogensbelasting aan die ouder worden toegerekend. Artikel 2.15, eerste, derde en vierde lid, Wet IB 2001 is van overeenkomstige
toepassing. Artikel 2.15, eerste lid, Wet IB 2001 regelt dat geen rekening wordt gehouden met het wettelijk vruchtgenot dat een ouder kan hebben van het vermogen van een minderjarig kind. Op deze wijze wordt voorkomen dat vermogensbestanddelen zowel voor het
kind als voor de ouder onderdeel zouden gaan uitmaken van de grondslag. Artikel 2.15, derde en vierde lid, Wet IB 2001 bevat regels ten aanzien van uit het ouderlijk gezag ontheven ouders, onderscheidenlijk de situatie dat het gezag over het kind aan meer
dan één ouder toekomt.
Artikel 3.5. Verhaalsrecht op kind
Artikel 3.5 regelt dat de ouder aan wie vermogensbestanddelen van een kind zijn toegerekend een verhaalsrecht heeft voor de belasting die door die ouder als gevolg van die toerekening verschuldigd en voldaan is. Deze bepaling is ontleend aan artikel 2.16
Wet IB 2001.
Artikel 3.6. Toerekening bestanddelen van de vermogensgrondslag bij partners
Artikel 3.6 regelt de toerekening van bestanddelen van de vermogensgrondslag tussen de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Deze bepaling is ontleend aan artikel 2.17 Wet IB 2001, met dien verstande dat bepalingen voor de toerekening van inkomensbestanddelen
en aftrekposten voor de vermogensbelasting niet van belang zijn voor de vermogensbelasting en daarom niet zijn overgenomen. Het uitgangspunt, opgenomen in artikel 3.6, eerste lid, is dat bestanddelen van de vermogensgrondslag van de belastingplichtige en zijn
partner in aanmerking worden genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren. De belastingplichtige en zijn partner kunnen op grond van artikel 3.6, tweede lid, bij het doen van hun aangifte kiezen in welke onderlinge verhouding ze bepaalde bestanddelen
aangeven.
Belastingplichtigen kunnen hierdoor de voor hen voordeligste verdeling kiezen. Opgemerkt wordt dat deze verdeling niet dezelfde hoeft te zijn als die belastingplichtige en zijn partner voor de inkomstenbelasting aangeven. Op grond van artikel 3.6, derde
lid, wordt de gezamenlijke vermogensgrondslag geacht voor de helft tot het bezit van de belastingplichtige en zijn partner te behoren als zij geen onderlinge verdeling hebben gemaakt. Artikel 3.6, vierde lid, regelt het tijdstip tot waarop herziening van de
keuze inzake toerekening mogelijk is. Artikel 3.6, vijfde lid, regelt in lijn met artikel 2.17, zevende lid, Wet IB 2001dat een belastingplichtige die slechts een gedeelte van het jaar een partner heeft ervoor kan kiezen om voor de toepassing van artikel 3.6
te worden geacht het hele jaar een partner te hebben gehad.
Die keuze kan de belastingplichtige bij de aangifte maken. Artikel 3.6, vijfde lid, derde zin, bepaalt dat in geval van emigratie of immigratie beide partners gedurende het hele jaar binnenlands belastingplichtig moeten zijn of moeten kwalificeren als kwalificerende
buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 Wet IB 2001 om gedurende het hele jaar geacht te kunnen worden een partner te hebben gehad. Op grond van artikel 3.6, zesde lid, kunnen partners in het jaar van migratie vermogensbestanddelen onderling
toerekenen. Hiervoor is vereist dat zij beiden slechts gedurende een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig zijn en de binnenlandse belastingplicht van beide partners gelijktijdig aanvangt en eindigt. Het kan voorkomen dat een herziene keuze in de
verdeling door de partner van de belastingplichtige leidt tot de vermindering van een onherroepelijk vaststaande aanslag. Artikel 3.6, zevende lid, regelt in lijn met artikel 2.17, negende lid, Wet IB 2001 dat de inspecteur in dat geval binnen zes weken na
ontvangst van de mededeling van die keuze beslist bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 3.7. Bezittingen
Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie wordt voor de heffing van vermogensbelasting aangesloten bij de voor box 3 geldende rendementsgrondslag. Dit betekent dat voor de vermogensbelasting wordt aangesloten bij de bezittingen die op grond
van artikel 5.3 Wet IB 2001 tot de rendementsgrondslag worden gerekend.
Artikel 3.8. Schulden
In artikel 3.8 wordt beschreven wat onder schulden moet worden verstaan. Aangezien voor de vermogensbelasting wordt aangesloten bij de voor box 3 geldende rendementsgrondslag is voor schulden aangesloten bij de schulden die op grond van artikel 5.3 Wet IB
2001 tot een verlaging van de rendementsgrondslag leiden.
Artikel 3.9. Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht
Artikel 3.9 is ontleend aan artikel 5.4 Wet IB 2001. Dat artikel heeft ten doel om in situaties van de verdeling van een nalatenschap volgens het nieuwe ab intestaat erfrecht of versterferfrecht in de zin van boek 4, titel 1 tot en met 3, van het Burgerlijk
Wetboek dan wel daarmee overeenkomende verdelingen, slechts de vermogensbelasting toe te passen bij degene die over dat vermogen en de inkomsten daaruit kan beschikken. Dit is in beginsel de langstlevende ouder. Dit betekent dat de tussen de langstlevende
ouder en de kinderen bestaande niet-opeisbare schuld wordt genegeerd voor de vermogensbelasting. De schuld bij de langstlevende ouder wordt niet in aanmerking genomen en de vordering bij het kind wordt niet tot het vermogen van het kind gerekend.
Artikel 3.9 houdt verder geen rekening met de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in het nieuwe ab intestaat erfrecht. Op het moment dat een dergelijk wilsrecht wordt uitgeoefend ontstaat de situatie dat het kind de blote eigendom van bepaalde zaken
heeft en de langstlevende ouder het levenslange recht van vruchtgebruik. Door met de uitoefening van het wilsrecht geen rekening te houden, wordt de ouder voor de volle eigendom van de betreffende vermogensbestanddelen in de heffing betrokken.
Voor geldvorderingen en wilsrechten en daarmee overeenkomende schulden die ontstaan door andere uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het wettelijk erfrecht, gelden dezelfde regels.
Ten slotte regelt artikel 3.9, zevende lid, de zogenoemde fideï-commissaire makingen. Een bezitting waarop een dergelijke making rust, wordt in aanmerking genomen als ware zij onvoorwaardelijk verkregen.
Artikel 3.10. Heffingvrij vermogen
De vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, wordt slechts in aanmerking genomen voor zover die vermogensgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Dit wordt geregeld in artikel 3.1, eerste lid. Met een heffingvrij vermogen wordt bereikt dat
belastingplichtigen met een positief nettovermogen niet reeds vanaf de eerste euro van dat vermogen in de heffing van de vermogensbelasting worden betrokken. Deze tegemoetkoming is bedoeld voor alle belastingplichtigen, maar heeft relatief het meest effect
voor belastingplichtigen met kleine vermogens.
Er geldt een heffingvrij vermogen van € 100.000 per belastingplichtige. Voor partners bedraagt het heffingvrije vermogen € 200.000. Gerekend tegen het tarief in de eerste tariefschijf van 1% betekent dit dat het verschuldigde belastingbedrag maximaal € 1.000
per belastingplichtige lager uitkomt dan zonder heffingvrij vermogen het geval zou zijn.
Afdeling 3.2. Vrijstellingen
Artikel 3.11. Vrijstellingen
Artikel 3.11 bevat enkele vrijstellingen van vermogensbelasting. Deze vrijstellingen zijn hetzelfde als de vrijstellingen voor de rendementsgrondslag in box 3. Hiertoe worden de artikelen 5.7 tot en met 5.17f Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard.
Daarmee wordt bereikt dat bepaalde vermogensbestanddelen niet behoren tot de bezittingen en schulden.
Afdeling 3.3. Waardering
Artikel 3.12. Waardering
Artikel 3.12 geeft regels voor de waardering van bezittingen en schulden. Deze waarderingsregels zijn van belang om de vermogensgrondslag te bepalen, die bestaat uit de waarde van bezittingen verminderd met de waarde van schulden. Bezittingen en schulden
worden op dezelfde wijze gewaardeerd als voor de rendementsgrondslag in box 3. Hiertoe worden de artikelen 5.18 tot en met 5.23 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard. Het uitgangspunt, vervat in artikel 5.18 Wet IB 2001, is dat zowel de bezittingen
als de schulden naar de waarde in het economische verkeer in aanmerking worden genomen.
Afdeling 3.4. Buitenlandse belastingplicht
Artikel 3.13. Heffing bij buitenlandse belastingplichtigen
In artikel 3.13 wordt geregeld dat natuurlijke personen die niet in Nederland wonen belastingplichtig zijn voor de vermogensbelasting indien zij op de peildatum over belastbaar vermogen in Nederland beschikken. Dat betekent dat de aanwezigheid van vermogen
in Nederland bij het begin van het kalenderjaar bepalend is voor de subjectieve belastingplicht. Het begrip “vermogen in Nederland” wordt nader uitgewerkt in artikel 3.14.
Zoals in de toelichting op artikel 1.1 is aangegeven, is de opzet van de vermogensbelasting in sterke mate gebaseerd op box 3 in de Wet IB 2001. Een afwijking geldt voor het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen in de zin van artikel 2.6
Wet IB 2001 die op grond van de regels van de Wet IB 2001 en de AWR in Nederland wonen of geacht worden in Nederland te wonen. Deze groep heeft voor de inkomstenbelasting de keuze om voor het inkomen uit vermogen behandeld te worden als waren zij buitenlandse
belastingplichtigen, terwijl zij voor het inkomen uit werk en woning als binnenlandse belastingplichtigen in de heffing worden betrokken. Deze keuzemogelijkheid wordt niet overgenomen in dit wetsvoorstel. Dit betekent dat de genoemde groep belastingplichtigen
voor de vermogensbelasting als binnenlandse belastingplichtige wordt behandeld.
Artikel 3.14. Belastbaar vermogen in Nederland
Artikel 3.14 geeft een nadere invulling aan artikel 3.13 en regelt wat er moet worden verstaan onder “belastbaar vermogen in Nederland”. De regeling voor de bepaling van het belastbare vermogen in Nederland volgt zoveel mogelijk dezelfde systematiek als
voor binnenlandse belastingplichtigen. In artikel 3.14, eerste lid, wordt vastgelegd dat het belastbare vermogen in Nederland van buitenlandse belastingplichtigen bestaat uit de vermogensgrondslag in Nederland, die op dezelfde wijze wordt berekend als de vermogensgrondslag
in de afdelingen 3.1 tot en met 3.3 voor binnenlandse belastingplichtigen. Het belastbare vermogen in Nederland is de vermogensgrondslag in Nederland, voor zover die vermogensgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Indien de belastingplichtige
het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft gehad of wordt geacht te hebben gehad, wordt net zoals bij binnenlandse belastingplichtigen voor de bepaling van het belastbare vermogen uitgegaan van het aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke vermogensgrondslag.
Uitgangspunt voor de vermogensgrondslag voor buitenlandse belastingplichtigen is volgens artikel 3.14, tweede lid, de waarde in het economische verkeer van de bezittingen in Nederland verminderd met de schulden die betrekking hebben op die bezittingen.
Artikel 3.14, derde lid, geeft aan welke bezittingen in aanmerking worden genomen. Hierbij wordt aangesloten bij de bezittingen van buitenlandse belastingplichtigen die in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en
beleggen in hoofdstuk 7 Wet IB 2001. Hetzelfde geldt voor artikel 3.14, vierde lid. Ook de uitbreiding van het begrip onroerende zaak met rechten die samenhangen met de exploitatie of de exploratie van in Nederland aanwezige rijkdommen, opgenomen in artikel
7.7, derde lid, Wet IB 2001, wordt in artikel 3.14, vijfde lid, voor de vermogensbelasting overgenomen.
Artikel 3.15. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
Artikel 3.15, eerste lid, bepaalt dat het belastbare vermogen in Nederland van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in beginsel wordt berekend volgens de regels van artikel 3.14, met dien verstande dat artikel 3.8, eerste lid, onderdeel f,
van overeenkomstige toepassing is. Dat laatste betekent dat schulden bij de bepaling van de vermogensgrondslag alleen in aanmerking worden genomen voor zover zij in totaal meer bedragen dan de in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel f, genoemde bedragen voor
de belastingplichtige, onderscheidenlijk de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk. Dit betekent dat alleen het deel van de schulden dat uitkomt boven de genoemde bedragen meetelt voor de berekening van de hoogte van de vermogensgrondslag.
Artikel 3.15, tweede lid, verklaart artikel 7.8, zesde tot en met achtste lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. In deze bepalingen wordt bepaald welke personen als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen worden aangemerkt, op welke wijze
berekend dient te worden of de buitenlands belastingplichtige voldoet aan de inkomenseis en een delegatiebepaling op grond waarvan buitenlandse belastingplichtigen alsnog als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen worden aanmerkt als Nederland daar
op grond van het EU-recht toe gehouden is en artikel 7.8 Wet IB 2001 daar niet in voorziet.
HOOFDSTUK 4. Tarief
Artikel 4.1. Tarief
Artikel 4.1 bevat het vermogensbelastingbelastingtarief voor het belastbare vermogen. Daarbij geldt een progressieve tariefsopbouw. Voor de toelichting op de tarieven wordt verwezen naar het algemene deel van deze memorie.
HOOFDSTUK 5. Wijze van heffing
Artikel 5.1. Heffing bij wege van aanslag
Artikel 5.1 regelt dat de vermogensbelasting bij wege van aanslag wordt geheven. Dit houdt in dat voor het vaststellen van de belastingschuld de regels van hoofdstuk III AWR van toepassing zijn. Met het oog op een efficiënte belastingheffing wordt in artikel
5.1, tweede lid, bepaald dat de heffing van inkomstenbelasting en vermogensbelasting door middel van één aanslagbiljet geschiedt en dat de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing zijn. Hiermee
kan worden bewerkstelligd dat de heffing voor zowel belastingplichtigen als Belastingdienst efficiënt wordt vormgegeven waarbij belastingplichtigen gelijktijdig aangifte kunnen doen voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting – de in te vullen gegevens
voor beide belastingen zullen daarbij op elkaar aansluiten – en één gecombineerd aanslagbiljet wordt opgelegd. In artikel 5.1, tweede lid, tweede zin wordt in lijn met artikel 9.1, tweede lid, Wet IB 2001 geregeld dat ingeval op grond van artikel 67a AWR een
verzuimboete vanwege het te laat indienen van de aangifte moet worden opgelegd, deze bepaling maar eenmaal wordt toegepast.
Artikel 5.2. Wel of geen aanslag
Artikel 5.2, eerste lid, bewerkstelligt dat geen aanslag wordt opgelegd indien geen vermogensbelasting verschuldigd is. Indien geen vermogensbelasting verschuldigd is, wordt dus geen bedrag aan vermogensbelasting vermeld op het gecombineerde aanslagbiljet
inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Dit laat onverlet dat in dat geval wel in voorkomende gevallen op grond van artikel 9.1 Wet IB 2001 een aanslag inkomstenbelasting kan worden opgelegd. In artikel 5.2, tweede lid, wordt bepaald dat in afwijking van
het eerste lid van dat artikel toch een aanslag vermogensbelasting wordt opgelegd indien de belastingplichtige aangifte heeft gedaan en dat in dat geval de aanslag op nihil wordt gesteld. Deze bepaling kan onder meer toepassing vinden indien een voorlopige
aanslag is opgelegd en uiteindelijk geen belasting verschuldigd is. In dat geval wordt een aanslag opgelegd en vastgesteld op nihil waarbij de voorlopige aanslag ingevolge artikel 15 AWR wordt verrekend. In afwijking van artikel 9.4, eerste lid, onderdeel
b, Wet IB 2001 wordt geen termijn gesteld waarbinnen de aangifte moet worden gedaan, aangezien bij de vermogensbelasting anders dan bij de inkomstenbelasting het doen van aangifte niet kan dienen als een verzoek om teruggaaf van voorheffingen.
Artikel 5.3. Voorlopige aanslag en ambtshalve vermindering
Artikel 5.3 regelt dat de artikelen 9.5 en 9.6 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing zijn voor de vermogensbelasting. Deze artikelen bevatten bijzondere regels ten aanzien van voorlopige aanslagen en ambtshalve verminderingen. Artikel 9.5 Wet IB 2001
is ingevoerd om bij het opleggen van voorlopige aanslagen voor de inkomstenbelasting onderscheid te maken tussen de fase waarin louter sprake is van het verzamelen en actualiseren van gegevens en de fase waarin sprake is van een geschil tussen de belastingplichtige
en de Belastingdienst. Voor de fase waarin sprake is van het verzamelen en actualiseren van gegevens is voorzien in een proces waarbij de belastingplichtige op een eenvoudige en snelle manier zijn gegevens kan (laten) aanpassen, zonder onnodige formaliteiten,
zoals het officieel bezwaar moeten maken. Aangezien de heffing van de vermogensbelasting in sterke mate aansluit bij de heffing van inkomstenbelasting en omdat het wijzigen van gegevens voor de inkomstenbelasting ten aanzien van de heffingsgrondslag sparen
en beleggen ook zal doorwerken in de vermogensbelasting is het wenselijk om de bepalingen in artikel 9.5 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing te verklaren. Artikel 9.6 Wet IB 2001 bevat voor de inkomstenbelasting bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen
die gelden in plaats van artikel 65 AWR. Ook hiervoor geldt dat het gelet op de nauwe samenhang tussen de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting wenselijk is om de regels van overeenkomstige toepassing te verklaren.
HOOFDSTUK 6. Aanvullende bepalingen
Artikel 6.1. Verstrekken van gegevens en inlichtingen
In artikel 6.1 wordt geregeld dat voor het aanwijzen van administratieplichtigen in verband met de verstrekking van gegevens en inlichtingen waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing van de vermogensbelasting wordt aangesloten bij artikel
10.8 Wet IB 2001. Ten behoeve van de aanslagregeling inzake de vermogensbelasting is het voor de Belastingdienst wenselijk dat hij beschikt over diverse gegevens die financiële instellingen over hun cliënten hebben. Het gaat hierbij om de administratieplichtige
financiële instellingen die op grond van artikel 53, tweede lid, AWR aangewezen gegevens eigener beweging aan de Belastingdienst renseigneren. Op grond van artikel 53, derde lid, AWR moet het renseignement het burgerservicenummer vermelden van de natuurlijke
persoon op wie de verstrekte inlichtingen en gegevens betrekking hebben. Artikel 10.8 Wet IB 2001 geeft de wettelijke basis op grond waarvan dergelijke groepen administratieplichtigen kunnen worden aangewezen en voor de vaststelling welke gegevens zij daarbij
moeten aanleveren. Deze aanwijzing en vaststelling vindt plaats op basis van artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.
Artikel 6.2. Rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen
In artikel 6.2 wordt geregeld dat artikel 10.9 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Deze bepaling is relevant voor de vrijstelling voor bos- en natuurterreinen en landgoederen, bedoeld in artikel 5.7 Wet IB 2001. Laatstgenoemde bepaling
wordt in afdeling 3.2 van overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel 6.3. Projecten in Aruba, Curacao, Sint Maarten of de BES eilanden
In artikel 6.3 wordt geregeld dat artikel 10.10, tweede en derde lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Deze bepaling is relevant voor de vrijstelling voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 5.14 Wet IB 2001. Laatstgenoemd artikel
is in artikel 3.11 van overeenkomstige toepassing verklaard voor onderhavige wet. Op grond van artikel 10.10, tweede lid, Wet IB 2001 kunnen projecten gelegen op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES-eilanden kwalificeren voor de vrijstelling voor groene
beleggingen. Door de overeenkomstige toepassing van artikel 10.10, derde lid, Wet IB 2001 heeft de inspecteur, over de grens heen, bevoegdheden om toezicht hierop mogelijk te maken.
Artikel 6.4. Indexatie
Artikel 6.4 bewerkstelligt dat de bedragen die zijn opgenomen in artikel 3.8 bij aanvang van ieder kalenderjaar worden geïndexeerd. Hiervoor zijn de artikelen 10.1, eerste lid, en 10.2 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard. Opgemerkt wordt
dat het bedrag van het heffingvrije vermogen dat is opgenomen in artikel 3.10 en de bedragen in de tarieftabel die is opgenomen in artikel 4.1 niet worden geïndexeerd. Afhankelijk van de tabelcorrectiefactor worden de bedragen die zijn opgenomen in artikel
3.8 jaarlijks aangepast aan de in vergelijking met het vorige kalenderjaar opgetreden prijsontwikkeling.
HOOFDSTUK 7. Overgangsrecht
Artikel 7.1. Overgangsbepaling nettolijfrente en nettopensioen
Artikel 7.1 regelt dat de overgangsbepaling van artikel 10a.15 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is. Dit is van belang voor de vrijstellingen voor nettolijfrenten en nettopensioen die zijn opgenomen in de afdelingen 5.3A en 5.3B Wet IB 2001. De
genoemde afdelingen zijn in afdeling 3.2 van overeenkomstige toepassing verklaard. Indien er sprake is van een onrechtmatige handeling worden deze bezittingen volgens de waarderingsregels in afdeling 3.3 tot de vermogensgrondslag gerekend. Deze zogenoemde
bijtelling als gevolg van onregelmatige handelingen wordt op grond van artikel 7.1 gedurende een overgangsperiode beperkt.
Artikel 7.2. Overgangsbepaling uitfaseren pensioen in eigen beheer
Artikel 7.2 verklaart artikel 10a.18, eerste lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing. Omdat het mogelijk is om het tot 2017 opgebouwde nettopensioen in eigen beheer te laten staan bewerkstelligt artikel 7.2 dat de vrijstelling voor nettopensioen
onder voorwaarden ook voor de vermogensbelasting van toepassing blijft op het nettopensioen in eigen beheer.
Artikel 7.3. Overgangsbepaling vrijstelling kapitaalverzekeringen
Artikel 7.3 verklaart hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. Aansluiting bij laatstgenoemd artikel leidt er toe dat de waarde van het totaal van kapitaalverzekeringen gedurende
een overgangsperiode tijdelijk wordt vrijgesteld van vermogensbelasting tot een maximumbedrag per belastingplichtige. Dit betekent dat deze rechten tot het maximumbedrag niet tot de bezittingen behoren. Voor partners geldt een verdubbeling van de vrijstelling,
mits zij het gehele kalenderjaar elkaars partner zijn.
HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen
Artikel 8.1. Inwerkingtreding
Artikel 8.1 regelt dat de inwerkingtreding van deze wet op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip plaatsvindt. Het voornemen bestaat om de Wet vermogensbelasting 2024 in haar geheel op 1 januari 2024 in werking te laten treden.
Artikel 8.2. Citeertitel
Artikel 8.2 bevat de citeertitel van deze wet. De citeertitel (Wet vermogensbelasting 2024) is van belang voor gevallen waarin in wet- en regelgeving of anderszins naar deze wet wordt verwezen.
Nijboer
Alkaya
Van Raan
Gündoğan
[1]
Parade van Pen: de vermogensverdeling in 2020 (cbs.nl);
Piketty, Thomas, 1971-. Capital in the Twenty-First Century. Cambridge Massachusetts :The Belknap Press of Harvard University Press, 2014.;
Nieuwe rekenmethode CBS: 'Vermogensongelijkheid groter dan gedacht' | NOS;
The Changing Wealth of Nations 2021 : Managing Assets for the Future (worldbank.org)
[2] HR 24 december 2021,
ECLI:NL:HR:2021:1963.
[3]
Fundamentele hervorming van belastingen op kapitaalinkomen (esb.nu).
[4]
Keuzes in Kaart 2022-2025 (cpb.nl).
[5]
Rutte IV is het kabinet dat bij elkaar gekocht werd (esb.nu).
[6]
Parade van Pen: de vermogensverdeling in 2018 (cbs.nl).
[7]
Ongelijkheid van het jonge kind (cpb.nl).
[8]
Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid | Verkenning | WRR.
[9] Piketty, 2014.
[10]
Fundamentele hervorming van belastingen op kapitaalinkomen (esb.nu).