email: info@emvoadvies.nl
maandag, 16 maart 2026

Publicatiedatum: 18/08/2022

Categorie: Successiewet

Rechtbank Den Haag

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLRBDHA20225882, SGR 21/3971

Navorderingstermijn erfbelasting


De Algemene wet inzake rijksbelastingen beperkt de termijn waarbinnen een navorderingsaanslag kan worden opgelegd tot vijf jaar. Er geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar voor inkomsten die in het buitenland opkomen en voor vermogensbestanddelen die in het buitenland worden aangehouden. Voor de erfbelasting is de navorderingstermijn onbeperkt als de aangifte over een buitenlands vermogensbestanddeel niet, onjuist of onvolledig is gedaan.

Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2021 is de onbeperkte navorderingstermijn in het algemeen niet in strijd met het recht van de EU. Dat is anders wanneer de Belastingdienst deze termijn gebruikt op een wijze die verder gaat dan noodzakelijk is om belastingfraude te bestrijden.

Volgens de Rechtbank Den Haag heeft de Belastingdienst niet in strijd met het recht van de EU gehandeld door in 2019 een navorderingsaanslag erfbelasting op te leggen met betrekking tot een overlijden in 2001. In 2017 bleek dat een erfgenaam in de aangifte geen melding had gemaakt van het tegoed op een Zwitserse bankrekening. In 2018 maakte de Belastingdienst het voornemen kenbaar om een navorderingsaanslag erfbelasting op te leggen. Vanaf dat moment is er veelvuldig contact geweest met de erfgenamen. Volgens de rechtbank is er op geen enkel moment een periode van meer dan zes maanden te onderkennen waarin er geen contactmoment is geweest. Van een onverklaarbare vertraging tussen het moment waarop het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslag kenbaar is gemaakt tot het moment waarop de aanslag is vastgesteld is geen sprake. De Belastingdienst heeft voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.