Aan de voorzitter en de leden van de Vaste Commissie voor Financiën
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Onderwerp Kanttekeningen bij BOR-evaluatie
Den Haag, 23 augustus 2022
Briefnummer 22-121218
Geachte dames en heren,
Onlangs heeft het CPB de evaluatie van de Bedrijfsopvolgingsregelingen (BOR) afgerond. De BOR heeft als doel te voorkomen dat de belastingheffing bij overdracht van een bedrijf een belemmering vormt voor economisch gewenste bedrijfsoverdrachten. De wetgever
heeft de BOR in het leven geroepen omdat de heffing van erf-, schenk- en inkomstenbelasting bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen kan oproepen waardoor de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan komen. De regeling wordt in de
praktijk veel door familiebedrijven toegepast. Die bedrijven zijn van belang voor behoud en groei van de werkgelegenheid, behoud van economische diversiteit, maatschappelijke impact en voor stabiliteit.
De conclusie van de evaluatie van het CPB is dat de BOR doeltreffend is maar niet doelmatig. In deze brief willen we een aantal stevige kanttekeningen plaatsen bij de conclusies van deze evaluatie.
1. Kanttekeningen bij begrip voldoende liquide middelen: “Vrije middelen” zijn niet vrij of direct beschikbaar
Het CPB stelt dat de BOR doeltreffend is in de zin dat de erf- en schenkbelasting (vrijwel) geen gevaar meer vormen voor de continuïteit van ondernemingen. Echter, meent het CPB dat de budgettaire kosten van de BOR onnodig hoog zijn. In veel gevallen, zo
concludeert het CPB, zouden voldoende eigen middelen aanwezig zijn bij de ontvanger, erflater/schenker en de onderneming.
De evaluatie simplificeert dat tot een vergelijking van het vermogen van de erflater/schenker, verkrijger en het beleggingsvermogen van onderneming enerzijds, en de door de verkrijger verschuldigde belasting anderzijds.
Dat is te kort door de bocht. De term “vrije middelen” suggereert vrije beschikbaarheid, hetgeen lang niet altijd het geval is dan wel niet onderzocht is. Graag wijzen wij op verschillende knelpunten:
a. Belastingheffing bij uitkering
Wanneer we kijken naar het beleggingsvermogen dat gezien wordt als beschikbare vrije middelen van de onderneming dan lijkt de evaluatie geen rekening te houden met de belasting die gepaard gaat met een uitkering van deze vrije middelen aan de aandeelhouder.
Immers over elke euro die de onderneming in de vorm van dividend uitkeert, is eerst 26,9% box 2-heffing verschuldigd. Anders gezegd: de onderneming moet veel meer uitkeren om in privé over voldoende vrije middelen te beschikken. In dat beleggingsvermogen kunnen
ook nog stille reserves aanwezig zijn waardoor de belastingdruk op dat vermogen alleen maar toeneemt en waardoor minder beschikbaar blijft voor uitkering.
b. Element legitieme portie niet meegenomen in CPB analyse
Ook de legitieme portie speelt een rol bij het vaststellen van de vrije middelen. Bij overdracht van de onderneming aan een van de kinderen is het niet reëel te veronderstellen dat datzelfde kind ook nog eens het vrij beschikbare privévermogen van erflater
/ schenker krijgt en eventuele andere kinderen niets ontvangen. Op basis van het erfrecht hebben ook de andere kinderen in ieder geval recht op een legitieme portie. De evaluatie houdt daar geen rekening mee en zegt derhalve ook niets over de omvang van de
legitieme porties en de impact daarvan op de vrije middelen.
c. Schenker draagt mogelijkheid levensonderhoud over
Vanuit het perspectief van de schenker moet worden beseft dat hij / zij met het overdragen van de onderneming ook de mogelijkheid om in het levensonderhoud te voorzien, overdraagt. Om dan het hele privévermogen – dat deels dient als pensioen – van hem of
haar te beschouwen als vrije middelen die beschikbaar zijn voor het voldoen van een belastingschuld van de ontvanger van de onderneming, is onjuist. Ook hiervan is de omvang onduidelijk terwijl dit een grote impact kan hebben op de hoogte van de vrije middelen.
d. Eigen woning niet vrij te maken
Ook de eigen woning speelt een rol in het vaststellen van de vrije middelen. Daar waar bij de verkrijger de overwaarde van de eigen woning wel lijkt te zijn uitgezonderd van de vrije middelen, lijkt dat voor de erflater / schenker niet het geval te zijn.
Hoe is die overwaarde liquide te maken? Verkoop lijkt onlogisch omdat de schenker (of de nabestaande van de erflater) nog steeds een woonbehoefte heeft. Ook een hypotheek lijkt beperkt mogelijk aangezien met de onderneming de bron van inkomen is overgedragen.
2. Economische impact van grote en kleine ondernemingen
De evaluatie schetst het beeld dat er in circa driekwart van de gevallen geen probleem is met de liquiditeit van ondernemingen na vererving / schenking en dat daarom de BOR niet nodig zou zijn. Wanneer je beter naar de cijfers kijkt, blijkt juist dat de
impact van het schrappen van de BOR op onze economie heel groot is. De evaluatie weegt namelijk niet de impact op onze economie van grote ondernemingen ten opzichte kleine ondernemingen.
De grotere ondernemingen vertegenwoordigen volgens de evaluatie dan wel minder dan 3% van het totaal aantal schenkingen en verervingen, maar zij vertegenwoordigen een aandeel in onze economie dat vele malen groter is. Juist die grotere ondernemingen met
hun grotere economische impact hebben problemen met hun liquiditeit in geval van vererving / schenking zonder de BOR blijkt uit de evaluatie.
Bij vererving is er in de grootteklasse >€ 5 miljoen volgens het CPB slechts in ongeveer 30% van de gevallen sprake van voldoende middelen. Dit zakt terug naar minder dan 20% van de gevallen indien geen rekening wordt gehouden met het eigen vermogen van
de verkrijger. Bij schenking is het beeld voor deze grootteklasse nog minder rooskleurig: in slechts 10% van de gevallen is er sprake van voldoende middelen bij de verkrijger. Liquiditeitsproblemen in die grootteklasse bij afschaffing van de BOR raakt onze
economie midscheeps. Doordat ten aanzien van “vrije middelen” ook nog de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen (zie eerder in deze brief), zou het aantal gevallen waarin voldoende middelen aanwezig zijn in werkelijkheid nog lager moeten zijn dan het lage
aantal dat nu al door het CPB wordt genoemd.
3. Behoud level playing field belangrijke pijler onder continuïteit
Economische activiteiten stoppen niet bij de grens. Dat de BOR bijdraagt aan een internationaal gelijk speelveld wordt wel genoemd in de evaluatie en is in lijn met hetgeen onderzoek aantoont1. Het is echter opvallend dat deze notie niet als positief neveneffect
van de BOR is meegewogen in de doelmatigheid van de regelingen. De overweging daarbij was dat dat afhangt van de vraag of een onderneming internationaal actief is. Juist van de grote ondernemingen mag verondersteld worden dat zij internationaal actief zijn.
Diezelfde groep als waarvan de evaluatie juist aantoont dat er maar in een beperkt aantal gevallen voldoende vrije middelen beschikbaar zijn. Maar ook kleinere ondernemingen hebben veelal te maken met buitenlandse concurrenten die in hun land van herkomst
wel over goede opvolgingsfaciliteiten beschikken. Derhalve speelt voor de kleinere ondernemingen ook het punt van internationaal gelijk speelveld.
Onderstaand figuur laat zien dat de belastingdruk in Nederland in internationaal verband eerder aan de hoge kant is dan aan de lage kant.
Bron: Onderzoek effecten afschaffing bedrijfsopvolgings- regelingen, 2021 KPMG
4. Beleidssuggestie van een verruimde betalingsregeling verzwakt de onderneming
Een verruimde betalingsregeling op het niveau van de verkrijger wordt genoemd als mogelijk alternatief voor de BOR. Een betalingsregeling heeft een onmiskenbaar negatief effect op de financiële positie van de onderneming. De erfgenaam of ontvanger van de
schenking zal dan de schenk- of erfbelasting moeten voldoen uit toekomstige dividenden. De dividendpolitiek van de onderneming wordt daarmee bepaald door de privépositie van de aandeelhouder in plaats van door de economische positie van de onderneming. Dat
heeft een negatief effect op de financiële slagkracht van de onderneming, het groeipotentieel en daarmee ook op de financieringscapaciteit, de werkgelegenheid en de investeringskracht van de onderneming.
Ook verkoop van de aandelen is lang niet altijd mogelijk als oplossing om liquide middelen vrij te spelen ten einde de belastingschuld te voldoen. Verkoop mag doorgaans alleen binnen de beperkte kring van de bestaande aandeelhouders dan wel aan de onderneming
zelf. Beiden hebben daartoe vaak niet de middelen.
Conclusie
De conclusie uit de evaluatie dat de BOR niet doelmatig is omdat in circa drie kwart van de gevallen voldoende vrije middelen beschikbaar zijn, is te kort door de bocht. De evaluatie gaat uit van de vrije middelen maar houdt geen rekening met de werkelijkheid
waarin deze middelen helemaal niet vrij zijn en waarover zelfs nog belasting verschuldigd kan zijn. Ook toont de evaluatie aan dat de verschillen ten aanzien van liquiditeit tussen groot en klein en schenken en vererven zodanig groot zijn dat de impact van
de BOR wel degelijk groot kan zijn en dat geen eensluidende conclusie kan worden getrokken die geldt voor de hele populatie.
De evaluatie laat juist zien dat, zeker in het geval van grote ondernemingen, het belang van de BOR evident is. Het zorgt voor een internationaal gelijk speelveld voor klein en groot. Zonder de BOR gaat veel liquiditeit, financieringsruimte en daarmee investeringsruimte
verloren en raakt de onderneming vleugellam. Een betalingsregeling lost dat probleem niet op en verergert juist de situatie. Dat staat haaks op het doel van de BOR, zijnde de continuïteit van de onderneming. Tegelijkertijd zien we dat de BOR veel werk kost
in de uitvoering, oudere familiebedrijven met verwaterde belangen beperkt worden in de toepassing van de BOR en er ook rafelranden zijn die leiden tot onbedoeld gebruik. In lijn met het coalitieakkoord gaan we daarom graag met het kabinet in gesprek om de
BOR op deze punten te verbeteren en aan te scherpen.
Hoogachtend,
VNO-NCW MKB-Nederland FBNed Familiebedrijven Nederland
Ingrid Thijssen Jacco Vonhof Marlies van Wijhe
1 Onderzoek effecten afschaffing bedrijfsopvolgingsregelingen, 2021 KPMG