De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Datum 29 augustus 2022
Betreft Vragen van het lid Idsinga (VVD) aan de staatssecretaris van Financiën over eHerkenning
Ons kenmerk 2022-0000205033
Geachte voorzitter,
Hierbij stuur ik u de beantwoording van de schriftelijke vragen die het lid Idsinga (VVD) op 28 juni 2022 gesteld heeft over het bericht 'Advocaat-generaal: verplichte eHerkenning bij belastingaangifte mag' (2022Z13321).
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst
Marnix L.A. van Rij
2022Z13321 (ingezonden 28 juni 2022)
Vragen van de heer Idsinga (VVD) over het bericht 'Advocaat-generaal: verplichte eHerkenning bij belastingaangifte mag'
Vraag 1
Wat zijn de consequenties voor ondernemers als de Advocaat-generaal wordt gevolgd door de Hoge Raad? En wat als de Hoge Raad dat niet doet?
Antwoord vraag 1
De vraag gaat over de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad naar aanleiding van de vordering tot het instellen van cassatie in het belang van de wet van Advocaat-Generaal Niessen (de AG) van 10 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:553. Met zijn vordering beoogt
de AG dat de Hoge Raad zich in het algemeen belang uitspreekt over de wettelijke basis voor het verplichten van bepaalde belasting- en inhoudingsplichtigen om eHerkenning aan te schaffen bij een commerciële partij voor het doen van aangifte voor bepaalde (zakelijke)
belastingmiddelen. De AG betoogt dat deze wettelijk basis bestaat en vordert daarom vernietiging van de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:394.
Zonder op enige wijze vooruit te willen lopen op het arrest van de Hoge Raad is het beoogde gevolg van de vordering van de AG dat alsnog duidelijkheid komt over de wettelijke basis voor het verplichte gebruik van eHerkenning. Dat deze duidelijkheid er mogelijkerwijs
komt, juich ik toe.
Vraag 2
Hoe bereidt het kabinet zich voor op die mogelijke uitkomsten?
Antwoord vraag 2
Zoals gezegd wil ik op geen enkele wijze vooruitlopen op het arrest van de Hoge Raad. Wel heb ik al eerder aangegeven van mening te zijn dat er een toereikende wettelijke basis is voor het verplichte gebruik van eHerkenning. De AG komt eveneens tot deze
conclusie. Het kabinet houdt daarom vooralsnog vast aan de overheidsbrede lijn van het gebruik van eHerkenning als authenticatiemiddel. Dit ook omdat eHerkenning nog steeds het enige veilige en betrouwbare inlogmiddel is dat voldoet aan de eisen vanuit de
AVG en Verordening (EU) nr. 910/2014 (eIDAS-verordening) en daarmee voldoende bescherming van persoonsgegevens biedt. Dit laat onverlet dat ook nog steeds ter uitvoering van de motie Van der Molen wordt gekeken naar een publiek middel voor het bedrijvendomein.
Over de voortgang hiervan houdt mijn ambtsgenoot van BZK u op de hoogte via de “Voortgangsrapportage Toegang”, zoals u ook in mijn antwoord op vraag 8 kunt lezen.
Vraag 3
Welke voorbereidingen worden op dit punt door de Belastingdienst getroffen?
Antwoord vraag 3
In antwoord op deze vraag verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Worden tijdelijke (overgangs-)maatregelen getroffen?
Antwoord vraag 4
In antwoord op deze vraag verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Hoe kijkt het kabinet aan tegen het bezwaar van veel ondernemers, met name mkb-ers, dat zij niet zouden moeten worden verplicht tot het maken van (extra) kosten bij commerciële aanbieders om belasting te kunnen betalen?
Antwoord vraag 5
EHerkenning biedt niet alleen toegang tot portalen van de Belastingdienst, maar het gebruik is ook verplicht bij de digitale communicatie met andere overheidsinstellingen, zoals het UWV en bij een groeiend aantal commerciële dienstverleners. Met het gebruik
van eHerkenning krijgen ondernemers voldoende bescherming van hun persoonsgegevens.
Op de vraag hoe het kabinet aankijkt tegen de bezwaren van veel ondernemers dat zij verplicht worden (extra) kosten te maken om belasting te kunnen betalen, benadruk ik dat men alleen verplicht is eHerkenning te gebruiken als men zelf aangifte doet. Ik kan
mij voorstellen dat ondernemers liever geen kosten maken voor de aanschaf van eHerkenning. In mijn antwoord op vraag 7 beschrijf ik hoe ondernemers onder bepaalde voorwaarden gecompenseerd kunnen worden voor de aanschaf van eHerkenning.
Vraag 6
Is en blijft hier coulance (bijvoorbeeld het openhouden van het oude portaal?) ten aanzien van deze ondernemers?
Antwoord vraag 6
Vanaf 2022 doen ondernemers aangifte voor de omzetbelasting via het nieuwe portaal MijnBelastingdienstZakelijk, een fiscaal dienstverlener of commerciële software. (Alleen) voor het gebruik van MijnBelastingdienstZakelijk moet eHerkenning aangeschaft worden.
Voor de aangifte over het eerste kwartaal van 2022 kregen ondernemers tijdens het tijdvak zelf en de aangifteperiode toegang tot het oude portaal, wanneer zij meldden de overstap naar het nieuwe portaal nog niet te kunnen maken. Voor de aangifte omzetbelasting
over het tweede kwartaal van 2022 krijgen ondernemers alleen hernieuwd toegang tot het oude portaal bij het beëindigen van de onderneming of bij calamiteiten zoals overlijden, brand en overstroming. Dit in antwoord op de vraag van de heer Idsinga of er in
de toekomst coulance zal zijn ten aanzien van ondernemers.
Vraag 7
Hoe worden ondernemers nu en in de toekomst gecompenseerd voor deze (mogelijk) aanvullende kosten?
Antwoord vraag 7
Om tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer, dat het inlogmiddel waarmee belastingaangifte moet worden gedaan kosteloos moet zijn, heeft de Belastingdienst samen met het ministerie van BZK en de e-Herkenningsleveranciers een compensatieregeling
opgesteld (Beleidsregel compensatie inloggen belastingaangifte). Op aanvraag wordt maximaal één keer per kalenderjaar een compensatie verstrekt aan een aanvrager die 1) eHerkenning uitsluitend gebruikt voor het doen van belastingaangifte, 2) hiertoe het specifieke
Belastingdienst eHerkenning inlogmiddel heeft aangeschaft, en 3) niet op andere wijze belastingaangifte kan doen. Deze compensatie bedraagt € 24,20 per kalenderjaar, hetgeen gelijk is aan het bedrag waartegen eHerkenning bij de goedkoopste aanbieder aangeschaft
kan worden. Daarnaast heeft de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de Wet digitale overheid de staatssecretaris van BZK middels de motie Van der Molen opgeroepen om de mogelijkheden voor een publiek middel te onderzoeken als alternatief naast eHerkenning.
De staatssecretaris van BZK heeft de uitvoering van deze motie ter hand genomen. De compensatieregeling zal worden verlengd totdat er een publiek middel beschikbaar is als alternatief naast eHerkenning.
Vraag 8
Wat is de stand van zaken ten aanzien van gratis inlogmethoden vanuit de overheid?
Antwoord vraag 8
Ter uitvoering van de motie Van der Molen wordt gekeken naar een publiek middel voor het bedrijvendomein. Over de voortgang hiervan houdt mijn ambtsgenoot van BZK u op de hoogte via de “Voortgangsrapportage Toegang”. Zij verwacht deze in het najaar naar
u te sturen.
ECLI:NL:PHR:2022:553
Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie 10-06-2022
Datum publicatie 13-06-2022
Zaaknummer 22/01627
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken -
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft – naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 15 februari 2022 inzake een geschil betreffende het verplichte gebruik van eHerkenning voor het doen van de vereiste aangifte loonheffingen – cassatie in het belang der
wet gevorderd.
Sinds 1 januari 2020 is het voor belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen – die zonder tussenkomst van een intermediair of zonder gebruik van commerciële aangiftesoftware aangifte vennootschapsbelasting of loonheffingen willen doen – op grond van de Regeling
Elektronisch Berichtenverkeer Belastingdienst (Regeling EBV) verplicht om hun aangifte digitaal te doen via het portaal ‘MijnBelastingdienst zakelijk’ (MBD-Z). Om in te kunnen loggen op MBD-Z, is het authenticatiemiddel eHerkenning met betrouwbaarheidsniveau
3 nodig. Dit inlogmiddel is alleen verkrijgbaar tegen betaling bij een commerciële partij.
Rechtbank Gelderland heeft – kort gezegd – geoordeeld dat geen wettelijke basis bestaat voor deze verplichting en dat de naheffingsaanslag om die reden moest worden vernietigd. De Staatssecretaris heeft te kennen gegeven dat de Inspecteur heeft afgezien
van het instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak van de Rechtbank, omdat de inhoudingsplichtige over het in geschil zijnde tijdvak geen loonheffingen was verschuldigd. Daarmee is de zaak tussen belanghebbende en de Inspecteur geëindigd.
Omdat het wenselijk is te vernemen of de Hoge Raad zich kan vinden in het oordeel van de Rechtbank, stelt A-G Niessen een vordering tot cassatie in het belang der wet in. De A-G meent dat de verplichting om aangifte te doen door middel van eHerkenning een
wettelijke basis heeft in art. 2:15, lid 1, Awb en art. 3a, lid 2, AWR. Die artikelen bieden volgens de A-G de mogelijkheid aan de minister om nadere eisen te stellen aan niet alleen de inhoud, maar ook de wijze waarop een bericht via de elektronische weg
wordt gestuurd aan een bestuursorgaan. De minister heeft volgens de A-G van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door in de Regeling EBV verplicht te stellen dat gebruik wordt gemaakt van authenticatiemiddelen die voldoen aan Europese regelgeving met betrekking
tot de toegangsbeveiliging van (overheids)informatiesystemen die persoonsgegevens verwerken. Hiermee is de minister naar de mening van de A-G niet buiten zijn bevoegdheid getreden.
De A-G vordert dan ook vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank zonder dat het te wijzen arrest nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-6-2022
V-N Vandaag 2022/1469
FutD 2022-1719 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2022/29.17 met annotatie van Redactie
NLF 2022/1334 met annotatie van Tom Noë
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01627 CW
Datum 10 juni 2022
Belastingkamer III
Onderwerp/tijdvak Loonbelasting/premie volksverzekeringen – maart 2020
Nr. Rechtbank AWB 21/1426
VOORDRACHT EN VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET
R.E.C.M. Niessen
1Inleiding
1.1
De Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft op 15 februari 2022 uitspraak gedaan in een geschil tussen [X] B.V. (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur1 over
het verplichte gebruik van eHerkenning voor het doen van de vereiste aangifte loonheffingen.2
1.2
Sinds 1 januari 2020 is het voor belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen – die zonder tussenkomst van een intermediair of zonder gebruik van commerciële aangiftesoftware aangifte vennootschapsbelasting of loonheffingen willen doen – verplicht om hun
aangifte digitaal te doen via het portaal ‘MijnBelastingdienst zakelijk’ (hierna: MBD-Z) met eHerkenning.3
1.3
Om in te kunnen loggen op MBD-Z, is het authenticatiemiddel eHerkenning met betrouwbaarheidsniveau 3 nodig. Dit inlogmiddel is alleen verkrijgbaar tegen betaling bij een commerciële partij. De basis voor deze verplichting kan volgens het kabinet worden gevonden
in art. 2:15 Awb, en meer specifiek voor het fiscale domein in art. 3a AWR en de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst4 (hierna:
Regeling EBV). Daarbij is het kabinet voornemens om de wettelijke basis verder te verankeren in de Wet digitale overheid (zie onderdeel 3.10), maar dit is volgens het kabinet geen noodzakelijke voorwaarde voor de rechtmatigheid van het gebruik van eHerkenning.5
1.4
De belanghebbende uit de zaak die voorlag bij de Rechtbank stelde zich op het standpunt dat zij wel de wil had om aangifte te doen, maar dat het niet mogelijk was om aangifte te doen omdat zij niet over eHerkenning beschikte. Volgens belanghebbende bestaat
geen wettelijke basis voor het doen van aangifte door middel van eHerkenning zolang de Wet digitale overheid nog niet in werking is getreden.
1.5
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag vernietigd. Naar het oordeel van de Rechtbank bestaat namelijk geen wettelijke basis om belastingplichtigen te kunnen verplichten
bij een commerciële partij eHerkenning aan te schaffen voor het doen van hun aangiften.
1.6
De Staatssecretaris6 heeft op 16 maart 2022 te kennen gegeven dat de Inspecteur heeft afgezien van
het instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak van de Rechtbank,7 aangezien de inhoudingsplichtige
over het in geschil zijnde tijdvak geen loonheffingen was verschuldigd. Daardoor ontbreekt volgens de Staatssecretaris en de Inspecteur een fiscaal belang om hoger beroep in te stellen. Zowel de Inspecteur als de Staatssecretaris hebben echter medegedeeld
dat zij het niet eens zijn met het oordeel van de Rechtbank dat geen wettelijke basis bestaat voor het verplichten van bepaalde belastingplichtigen tot het aanschaffen van eHerkenning bij een commerciële partij om aan hun aangifteplicht te voldoen (zie onderdelen
2.7 tot en met 2.10).
1.7
Nu de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van Rechtbank Gelderland is verlopen zonder dat hoger beroep is ingesteld, bestaat de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot cassatie in het belang der wet.
1.8
Gelet op de onduidelijkheid die is ontstaan na de uitspraak van de Rechtbank Gelderland over de wettelijke grondslag van eHerkenning voor het doen van aangiften, de vergaande gevolgen van de uitspraak en de omstandigheid dat de Wet digitale overheid voorlopig
nog niet in werking treedt, is het naar mijn mening in het algemeen belang dat de Hoge Raad zich uitspreekt over de juistheid van de uitspraak van de Rechtbank. Zeker nu er – naar mijn weten – nog geen andere zaken lopen over eHerkenning en het onduidelijk
is op welke termijn dit gaat veranderen.
2De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
2.1
De Rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld. Belanghebbende is aangifteplichtig voor de loonheffingen. De aangifte voor het tijdvak maart 2020 moest uiterlijk 30 september 2020 door de Inspecteur ontvangen zijn. Belanghebbende heeft geen aangifte
gedaan. De Inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag opgelegd aan belanghebbende.
Rechtbank Gelderland
2.2
Voor de Rechtbank was in geschil of een wettelijke grondslag bestaat om belastingplichtigen te kunnen verplichten bij een commerciële partij eHerkenning aan te schaffen voor het doen van hun aangiften.
2.3
Naar het oordeel van de Rechtbank zou art. 2:16 Awb8 een wettelijke basis kunnen bieden voor het
verplicht stellen van eHerkenning, mits dit bij wettelijk voorschrift wordt voorgeschreven. Nu dit wettelijk voorschrift, te weten de Wet digitale overheid, nog niet in werking is getreden, en de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 2 maart 2020
tot wijziging van de Regeling EBV geen wet is, kan art. 2:16 Awb volgens de Rechtbank geen rechtsgrond bieden voor het verplichten van belastingplichtigen tot het aanschaffen van eHerkenning om aan de aangifteplicht te voldoen.
2.4
De Rechtbank overweegt verder dat art. 3a AWR een wettelijke grondslag biedt voor elektronisch berichtenverkeer van en met de Belastingdienst. Naar het oordeel van de Rechtbank is eHerkenning op zich niet een “bericht” in de zin van art. 2:15 Awb en art.
3a AWR, maar een inlogmiddel met behulp waarvan de toegang tot het aangifteportaal van de Belastingdienst mogelijk wordt gemaakt. Nu sprake is van een wettelijke verplichting tot het doen van aangifte, is de Rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid tot het
voldoen aan die verplichting kosteloos dient te zijn.
2.5
Nu naar het oordeel van de Rechtbank geen wettelijke basis bestaat voor de betalingsverplichting bij eHerkenning, moet worden geconcludeerd dat de ministeriële regeling als bedoeld in art. 3a AWR geen rechtsgrond kan bieden voor het verplichten van belastingplichtigen
tot het aanschaffen van eHerkenning. Gelet hierop, heeft de Regeling EBV volgens de Rechtbank dan ook geen rechtsgeldige werking. Daaraan doet naar het oordeel van de Rechtbank niet af dat de aangifteplichtigen, achteraf, een deel van hun kosten voor eHerkenning
vergoed kunnen krijgen.
2.6
Gelet op het voorgaande, had belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet de mogelijkheid om aan haar aangifteplicht te voldoen. Volgens de Rechtbank klemt dit nu voor het verplicht stellen van het gebruik tegen betaling van eHerkenning iedere rechtsgrond
ontbreekt. Om die reden dient naar het oordeel van de Rechtbank de naheffingsaanslag vernietigd te worden.
Reactie staatssecretaris
2.7
Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank zijn Kamervragen gesteld over het gebruik van eHerkenning voor het doen van aangifte. Op 16 maart 2022 heeft de staatssecretaris deze vragen beantwoord.9 Daarbij
is hij onder meer ingegaan op de uitspraak van de Rechtbank in deze zaak. Naar de mening van de staatssecretaris is de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot de naheffingsaanslag juist, nu ook de Belastingdienst tot het vaktechnische oordeel is gekomen
dat belanghebbende over het in geschil zijnde tijdvak geen loonheffingen was verschuldigd. De overwegingen waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gebaseerd, deelt de staatssecretaris echter niet; naar zijn mening bestaat wel een toereikende wettelijke basis
voor het gebruik van eHerkenning.
2.8
De staatssecretaris heeft verder opgemerkt dat het niet kunnen instellen van hoger beroep in deze zaak naar zijn mening niet meebrengt dat de gronden waarop de beslissing dat een wettelijke basis voor eHerkenning zou ontbreken rust, automatisch recht worden
in andere zaken. De uitspraak van de Rechtbank heeft daarmee volgens de staatssecretaris geen gevolgen voor andere belastingaanslagen waarvoor al dan niet met het gebruik van eHerkenning aangifte is gedaan, alsmede voor opgelegde boeten wegens het niet of
niet tijdig doen van aangifte.
Naschrift Belastingdienst
2.9
Om bovenstaande verder toe te lichten heeft de staatssecretaris medegedeeld dat een naschrift zal worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst. Dit naschrift is op 21 maart 2022 gepubliceerd.10 In
dit naschrift wordt nogmaals verduidelijkt dat ook de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de Inspecteur niet vrij staat een naheffingsaanslag op te leggen. Volgens de Inspecteur staat de bevoegdheid
om een belastingaanslag op te leggen ook los van het (niet) voldoen aan de aangifteverplichting door de belasting- of inhoudingsplichtige.
2.10
Daarnaast heeft de Rechtbank volgens de Inspecteur ten onrechte overwogen dat eHerkenning niet aangeschaft hoeft te worden voor het doen van aangifte, omdat de wettelijke basis voor de verplichting tot aanschaf van eHerkenning zou ontbreken. De verplichting
tot het gebruik van een inlogmiddel dat voldoet aan het beveiligingsniveau ‘substantieel’, vloeit volgens de Inspecteur voort uit Unierechtelijke eisen. Een nationale wettelijke basis bestaat volgens de Inspecteur in art. 2:15, lid 1, Awb en art. 3a, lid 2,
AWR, waarbij de laatste bepaling verder is uitgewerkt in de Regeling EBV (zie ook onderdeel 3). De enkele omstandigheid dat eHerkenning bij een commerciële partij moet worden aangeschaft doet hieraan volgens de Inspecteur niet af.
3Het gebruik van eHerkenning in belastingzaken
Wettelijke basis voor het doen van aangiften met eHerkenning
3.1
Art. 2:15, lid 1, Awb bepaalt dat een bericht elektronisch aan een bestuursorgaan kan worden gestuurd voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze mogelijkheid bestaat. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische
weg.
3.2
Op grond van art. 3a, lid 2, AWR kan bij ministeriële regeling worden bepaald op welke wijze het elektronische berichtenverkeer plaatsvindt. In de Regeling EBV is vervolgens nader uitgewerkt dat het authenticatiemiddel eHerkenning met betrouwbaarheidsniveau
3 nodig is om in te kunnen loggen op MBD-Z voor het doen van bepaalde aangiften.11
3.3
Over de grondslag voor de verplichting tot het doen van aangiften met eHerkenning is onder meer het volgende opgemerkt in de parlementaire geschiedenis:12
Artikel 3a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geeft de Minister de bevoegdheid om bij ministeriële regeling te bepalen op welke wijze het elektronisch berichtenverkeer tussen inhoudingsplichtigen en belastingplichtigen en de inspecteur
of het bestuur van ’s Rijks belastingen plaatsvindt. Dit is uitgewerkt in de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Regeling EBV). Zoals ik in beantwoording van Kamervragen heb aangegeven, is terecht gewezen op de Regeling EBV waarin de vereiste
authenticatiemiddelen zijn vermeld. Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 is de Regeling EBV in overeenstemming gebracht met de gestelde nadere eis over verplicht gebruik van inlogmiddelen die gelet op de eIDAS-verordening voldoen aan beveiligingsniveau
«substantieel» (niveau 3). Dit laat onverlet dat de inspecteur op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de algemene bevoegdheid heeft om nadere eisen te stellen aan het gebruik van de elektronische weg, bijvoorbeeld ten
aanzien van het digitaal indienen van belastingaangiften. Dit volgt uit artikel 1, derde lid, AWR en artikel 3a, eerste lid, AWR. Ook is in de memorie van toelichting bij artikel 3a AWR opgemerkt dat de bepalingen van afdeling 2.3 Awb – waartoe artikel 2:15
Awb behoort – van toepassing blijven.
3.4
En:13
Uit artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een bestuursorgaan bevoegd is om nadere eisen te stellen aan het gebruik van de elektronische weg. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door de Belastingdienst. Dit soort eisen
zijn over het algemeen technisch van aard en hebben betrekking op het borgen van de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de gegevensuitwisseling. Daarnaast behoren informatiesystemen, die persoonsgegevens verwerken, ingevolge de Algemene verordening gegevensbescherming
(AVG) aan bepaalde eisen te voldoen ten aanzien van toegangsbeveiliging. Via de EU verordening nr. 910/2014 (eIDAS-verordening) en de bij uw Kamer in behandeling zijnde Wet digitale overheid wordt de norm betreffende de adequate beveiliging van de toegang
tot digitale dienstverlening nader gespecificeerd. Ongeacht of de nadere invulling van de norm door inwerkingtreding van de Wet digitale overheid van kracht is, is de Belastingdienst bevoegd en verplicht om de persoonsgegevens op haar portaal adequaat te beveiligen.
De totstandkoming van de Wet digitale overheid is dus geen noodzakelijke voorwaarde voor de rechtmatigheid van het gebruik van eHerkenning op het ondernemersportaal van de Belastingdienst. Dat neemt niet weg dat de uitkomst van de behandeling van het wetsvoorstel
Wet digitale overheid van invloed kan zijn op welke authenticatiemiddelen de Regeling EBV zal vermelden.
Kosten van eHerkenning
3.5
Het vereiste inlogmiddel eHerkenning is alleen verkrijgbaar tegen betaling bij een commerciële partij. In totaal zijn er zes verschillende – door de overheid erkende – aanbieders.14 De
prijs voor eHerkenning met niveau 3 varieert per aanbieder, maar bedraagt maximaal € 25 per jaar als het voor 1 jaar wordt aanschaft. Bij 2 jaar is dit € 22,50 per jaar en bij 3 jaar € 20 per jaar.
3.6
Vanaf november 2020 bestaat een tijdelijke compensatieregeling voor belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen die eHerkenning hebben aangeschaft voor het doen van hun aangiften. Op basis van deze regeling kan 1 keer per jaar een vergoeding van € 24,20
worden aangevraagd.15 Dit bedrag is gebaseerd op de laagste prijs in de markt.
3.7
De compensatieregeling loopt tot en met september 2022. De staatssecretaris heeft echter bij de beantwoording van Kamervragen naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank medegedeeld dat de compensatieregeling loopt totdat er een publiek middel beschikbaar
is als alternatief naast eHerkenning.16 Dit in verband met de motie Van der Molen, waarin is opgeroepen
om de mogelijkheden voor een publiek middel te onderzoeken.17
Achtergrond en functie van eHerkenning
3.8
Naar aanleiding van het in het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ (2017-2021) aangekondigde voornemen om meer aan te passen aan de digitale samenleving en in het licht van de (Europese) eisen die worden gesteld aan de toegangsbeveiliging van (overheids)informatiesystemen
die persoonsgegevens verwerken,18 is medio 2018 het voorstel voor de Wet digitale overheid ingediend.
Dit wetsvoorstel is bedoeld als eerste tranche van regelgeving ten behoeve van de verdere digitalisering van de overheid op verschillende niveaus,19 en
legt als kaderwet de algemene principes, verantwoordelijkheden en procedures vast met betrekking tot veilig inloggen op dienstverlening bij overheidsinstanties.
3.9
De Belastingdienst is echter – ongeacht of de Wet digitale overheid in werking is getreden – ook verplicht om de persoonsgegevens op zijn portaal adequaat te beveiligen.20 Zo
is de Belastingdienst op grond van art. 5, lid 1, sub f, AVG onder meer gehouden om passende, technische beveiligingsmaatregelen te nemen met betrekking tot de persoonsgegevens die op zijn portaal staan. Naar de mening van de staatssecretaris ligt in de term
‘passend’ besloten dat de beveiliging in overeenstemming moet zijn met de stand van de techniek en dat het niveau van beveiliging correspondeert met de aard van de te verwerken persoonsgegevens.21
3.10
Het vorige portaal van de Belastingdienst was volgens de staatssecretaris technisch zeer verouderd.22 EHerkenning
is volgens de staatssecretaris ook het enige beschikbare inlogmiddel voor organisaties dat een passend beveiligingsniveau biedt voor de aangifte loonheffingen en de aangifte vennootschapsbelasting.23 Voor
de aangifte loonheffingen specifiek heeft de staatssecretaris naar aanleiding van Kamervragen medegedeeld dat de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie naar zijn mening met eHerkenning ook veel beter wordt gewaarborgd.24
3.11
EHerkenning heeft echter een bredere functie dan alleen het (veilig) digitaal kunnen inloggen voor het doen van belastingaangiften; volgens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen alle overheidsorganisaties hiermee de identiteit
van ondernemingen en rechtspersonen betrouwbaar digitaal vaststellen om persoonsgebonden of gevoelige gegevens veilig te kunnen uitwisselen. Met eHerkenning wordt ook beoogd een bijdrage te leveren aan vermindering van “regeldruk en administratieve lasten
voor bedrijven doordat er verplichtingen voor dienstverleners worden geïntroduceerd waarmee de toegang tot elektronische dienstverlening wordt geüniformeerd en gestandaardiseerd”.25
3.12
De invoering van de verplichting om digitaal aangiften te doen met eHerkenning is dus zowel gericht op de belangen van de betreffende belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen, als op de belangen en verplichtingen van de Belastingdienst.
3.13
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet digitale overheid is ingegaan op de vraag of de hierboven besproken doelen met betrekking tot veilige en betrouwbare authenticatie bij de overheid niet ook kunnen worden bereikt met het gebruik
van andere - kosteloze - erkende inlogmiddelen, zoals DigiD.26 Daarbij is medegedeeld dat DigiD niet
is toegerust om bij de authenticatie andere nummers dan het BSN te leveren aan de dienstverlener, zodat dit middel alleen door natuurlijk personen kan worden gebruikt. EHerkenning is om die reden ook ontwikkeld voor gevallen waarin het KvK- of RSIN-nummer
is vereist.
3.14
Later heeft de staatssecretaris nog verder toegelicht dat DigiD – in tegenstelling tot eHerkenning – de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een natuurlijk persoon die namens een rechtspersoon handelt, niet kan verifiëren in het Handelsregister. Om die reden
is eHerkenning volgens hem dan ook nodig om vast te stellen of een natuurlijk persoon bevoegd is te handelen namens een rechtspersoon.27 Bij
een eenmanszaak vallen de natuurlijke persoon en de ondernemer samen, zodat een bevoegdheidsverificatie niet nodig is. In die situatie kan derhalve wel gebruik worden gemaakt van DigiD om in te loggen bij MBD-Z.
4Literatuur
4.1
In de literatuur zijn veel (wisselende) reacties gekomen op de uitspraak van de Rechtbank. De redacties van FutD en V-N28 alsmede
Kolste29 kunnen zich (grotendeels) vinden in het oordeel van de Rechtbank dat geen wettelijke grondslag
bestaat voor het verplichten van belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen tot het aanschaffen van eHerkenning om aan hun aangifteplicht te voldoen. Daarnaast kunnen zij zich vinden in het oordeel van de Rechtbank dat, indien het gaat om een wettelijke verplichting,
de mogelijkheid tot het voldoen aan die verplichting kosteloos dient te zijn.
4.2
Er zijn echter ook auteurs die kanttekeningen plaatsen bij het oordeel van de Rechtbank. Zo vraagt Hageman zich af op welke rechtsregel de Rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd dat nu het gaat om een wettelijke verplichting tot het doen van aangifte, de
mogelijkheid om aan die verplichting te voldoen kosteloos moet zijn.30 Ook is naar zijn mening de
Rechtbank te makkelijk over de zogenoemde ‘compensatieregeling eHerkenning Belastingdienst’ heengestapt.
4.3
Tot slot merkt Hageman – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis – op dat de Belastingdienst op basis van art. 3a AWR ook nu al eisen kan stellen aan de te gebruiken authenticatiemiddelen. Tijdens de parlementaire behandeling is hierover het volgende opgemerkt:31
Het tweede lid van genoemd artikel 3a bevat een delegatiebepaling voor de wijze waarop het elektronische berichtenverkeer plaatsvindt. Dit heeft te maken met het feit dat er meerdere vormen van elektronisch berichtenverkeer zijn, zoals e-mail, een portaal
etc. Dit stelt verschillende eisen aan de wijze van beveiliging van de informatieverzending. (…) Dit houdt onder meer in dat de Belastingdienst een elektronisch bericht op een betrouwbare en vertrouwelijke manier verzendt en dat een bericht als verzonden wordt
beschouwd als het een systeem voor gegevensbewerking heeft bereikt waarvoor de Belastingdienst geen verantwoordelijkheid draagt.
4.4
Hageman leidt uit deze passage af dat het op betrouwbare wijze kunnen vaststellen van de identiteit van de verzender van een bericht (door middel van eHerkenning) ook deel uitmaakt van de wijze van beveiliging van de informatieverzending. Hij neigt er dan
ook naar om de opvatting van de Staatssecretaris dat de Wet digitale overheid niet noodzakelijk is om het gebruik van eHerkenning voor te kunnen schrijven (onderdelen 3.2 en 3.6), te onderschrijven.
5Beschouwing
5.1
Naar het oordeel van de Rechtbank bestaat geen wettelijke basis voor het verplichten van belastingplichtigen tot het aanschaffen van eHerkenning bij een commerciële partij. De ministeriële regeling als bedoeld in art. 3a, lid 2, AWR kan volgens de Rechtbank
geen rechtsgrond bieden. Daarmee heeft de Regeling EBV volgens de Rechtbank ook geen rechtsgeldige werking. Bij dit oordeel heeft de Rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat de mogelijkheid tot het voldoen aan de aangifteverplichting kosteloos dient
te zijn, indien sprake is van een wettelijke verplichting.
5.2
Hoewel er geen specifieke bepaling in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), de AWR of een andere belastingwet is opgenomen waaruit dit volgt, geldt dat het (elektronisch) berichtenverkeer tussen burgers en bedrijven aan de ene kant en de overheid
aan de andere kant in het bestuursrecht in principe laagdrempelig en kosteloos is. Zo is een belanghebbende niet verplicht om te procederen met een gemachtigde of advocaat. Een uitzondering op dit principe geldt voor griffierecht, maar die uitzondering is
expliciet opgenomen in art. 8:41 Awb. Bovendien geldt dat griffierecht in de fase waarin het verkeer tussen de burger en de overheid plaatsvindt met betrekking tot de aangifteplicht, (nog) niet speelt.
5.3
Het oordeel van de Rechtbank dat de mogelijkheid tot het voldoen aan de aangifteverplichting kosteloos dient te zijn, is in principe in lijn met het hierboven besproken uitgangspunt in het bestuursrecht. Maar van dit uitgangspunt is in de afgelopen decennia
binnen zekere grenzen afgeweken door de wijze waarop de (loon)administratie dient te worden ingericht. Uit de bepalingen van de Wet LB volgt dat een inhoudingsplichtige vennootschap (zoals de vennootschap in de onderhavige zaak) verplicht is om een loonadministratie
te voeren die aan bepaalde eisen voldoet.32 Om aan deze wettelijke verplichting te voldoen zal een
inhoudingsplichtige ook kosten moeten maken, zonder dat deze kosten worden vergoed.33
5.4
Ook aan het verplichte gebruik van eHerkenning voor het doen van belastingaangifte zijn kosten verbonden. Zoals uiteengezet in de onderdelen 3.5, 3.6 en 3.10 en volgende, is de achtergrond van deze verplichting met name gelegen in het voldoen aan de eisen
die gelden op grond van de AVG en de eIDAS-verordening met betrekking tot de beveiliging en betrouwbaarheid van authenticatiemiddelen.
5.5
Op grond van art. 2:15, lid 1, Awb en art. 3a, lid 2, AWR bestaat de mogelijkheid om nadere eisen te stellen aan de wijze waarop een bericht via de elektronische weg wordt gestuurd aan een bestuursorgaan. De minister heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt
door in de Regeling EBV verplicht te stellen dat gebruik wordt gemaakt van authenticatiemiddelen die voldoen aan het beveiligingsniveau ‘substantieel’ en bij de Europese Commissie zijn genotificeerd.
5.6
Hoewel ik mij kan vinden in het oordeel van de Rechtbank dat eHerkenning op zich niet kwalificeert als een bericht in de zin van art. 2:15 Awb en art. 3a AWR, geldt naar mijn mening dat het middel waarmee een bericht (zoals de belastingaangifte) wordt verstuurd,
wel degelijk consequenties heeft voor de betrouwbaarheid en beveiliging van berichten die aan de Belastingdienst worden gestuurd. Uit de parlementaire behandeling van art. 3a AWR (zie onderdeel 4.3) maak ik ook op dat de wetgever met het begrip “bericht” kennelijk
niet alleen de inhoud van het bericht heeft bedoeld, maar ook de vorm waarin het bericht wordt verstuurd, en de beveiliging daarvan. Dit komt mij ook logisch voor, nu in het geval van aangiften vooral veel verschillen bestaan in de vorm waarin het bericht
kan worden verstuurd (en daarmee in het beveiligingsniveau).
5.7
De verplichting om gebruik te maken van eHerkenning voor het doen van aangiften ziet dus niet op de inhoud van het bericht, maar juist op de andere kant van het begrip “bericht”, zijnde de beoordeling van welke vorm en welk type beveiliging noodzakelijk
zijn voor elektronisch berichtenverkeer van en naar de Belastingdienst.
5.8
De vraag die vervolgens opkomt, is of de minister hiermee buiten zijn bevoegdheid van art. 3a AWR is getreden. In principe kan daarvan al geen sprake zijn, aangezien het aan de minister is om regels te stellen in het belang van persoonlijke veiligheid en
authenticatie in dit verband. Bovendien wordt hiermee inhoudelijk aangesloten bij Europese regelgeving met betrekking tot de toegangsbeveiliging van (overheids)informatiesystemen die persoonsgegevens verwerken.
5.9
Van overschrijding van die bevoegdheid zou in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn, indien de kosten die een belastingplichtige of inhoudingsplichtige moet maken om aan de wettelijke verplichting te voldoen onredelijk zijn in verhouding tot de beveiliging
en betrouwbaarheid die het voorgeschreven inlogmiddel biedt. Gesteld noch gebleken is dat dit in de onderhavige zaak het geval is.
5.10
Bovendien geldt dat (i) de kosten voor eHerkenning beperkt zijn (zie onderdeel 3.5), (ii) er een compensatieregeling bestaat die doorloopt totdat er een niet-commercieel alternatief is (zie onderdeel 3.6),34 en
(iii) eHerkenning ook breder in de communicatie met de overheid gebruikt kan worden dan alleen voor het doen van aangiften (zie onderdeel 3.11). Daarnaast is een goede beveiliging van de aangifte ook in het belang van belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen,
gelet op de vertrouwelijke informatie die daarmee wordt gedeeld. Naar mijn mening kan dan ook niet worden geoordeeld dat de minister met het verplichten van het gebruik van eHerkenning in de Regeling EBV buiten zijn bevoegdheid is getreden.
5.11
Mogelijk zou nog met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogd kunnen worden dat de betalingsverplichting voor eHerkenning onredelijk is. Daarvoor zou als argument kunnen worden aangedragen dat ook rechtspersonen gebruik zouden moeten kunnen maken van
het gratis authenticatiemiddel DigiD voor het doen van de vereiste belastingaangifte. Gelet op hetgeen ik heb besproken in onderdelen 3.13 en 3.14, is dit naar mijn mening niet mogelijk. Er is dan ook niet sprake van rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen.
6Middel van cassatie
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 2:15 Awb en art. 3a AWR, doordat de Rechtbank heeft geoordeeld dat geen wettelijke basis bestaat voor het verplichten van belastingplichtigen tot het aanschaffen van eHerkenning bij een commerciële partij
voor het doen van aangifte, zulks ten onrechte omdat de minister met het opnemen van deze verplichting in de Regeling EBV niet buiten de nationale wettelijke bevoegdheid voor het stellen van eisen aan de wijze waarop een bericht via de elektronische weg wordt
gestuurd aan een bestuursorgaan is getreden.
7Vordering
Ik vorder vernietiging van de bestreden uitspraak zonder dat het te wijzen arrest nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
1De Inspecteur van de Belastingdienst.
2Rechtbank Gelderland 15 februari 2022, nr. AWB 21/1426, ECLI:NL:RBGEL:2022:394, FutD 2022-0560 met noot redactie, NTFR 2022/1080 met noot Kolste, NLF 2022/0540 met noot Hageman, V-N 2022/15.16 met noot Redactie.
3Voor de omzetbelasting geldt deze verplichting sinds dit jaar. Kennelijk is het in ieder geval voor de omzetbelasting ook nog mogelijk om zonder eHerkenning aangifte te doen; zie ‘Btw-aangifte kan zonder eHerkenning na belletje met de fiscus’ uit het FD
van 6 april 2022.
4Nr. 2020-000030255, Stcrt. 2020,13459.
5Zie onder meer Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 625.
6De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.
7Bijlage bij de Brief van 16 maart 2022 van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, nr. 2022-0000087078, V-N 2022/15.17 met commentaar redactie.
8In de uitspraak van de Rechtbank wordt op sommige plaatsen – klaarblijkelijk bij vergissing – gesproken over art. 2:16 AWR in plaats van art. 2:16 Awb. Ik spreek hierna steeds over art. 2:16 Awb.
9Bijlage bij de Brief van 16 maart 2022 van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, nr. 2022-0000087078, V-N 2022/15.17 met commentaar redactie.
10Te raadplegen via: Toelichting: Naschrift antwoorden Kamervragen eHerkenning (21 maart 2022) (belastingdienst.nl).
11Volgens de staatssecretaris is eHerkenning niveau 3 het enige inlogmiddel dat voldoet aan het beveiligingsniveau ‘substantieel’ dat vereist is op grond van art. 6, lid 1, onderdeel b, Verordening (EU) nr. 910/2014 van 23 juli 2014 betreffende elektronische
identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (hierna: de eIDAS-Verordening). Zie onder meer: Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 2098.
12Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 625.
13Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1120 .
14Zie voor een overzicht: eHerkenning | Leveranciersoverzicht.
15Zie Compensatieregelingen eHerkenning (belastingdienst.nl).
16Bijlage bij de Brief van 16 maart 2022 van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, nr. 2022-0000087078.
17Kamerstukken II 2019/20, 34 972, nr. 32 en Kamerstukken II 2019/20, 34972, nr. 53, p. 4.
18Onder meer in de Algemene Verordening Gegevensbescherming, Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016, van toepassing met ingang van 25 mei 2018 (hierna: de AVG) en de eIDAS-Verordening.
19Kamerstukken II 2017/18, 34972, nr. 3, p. 1.
20Zie onder meer Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1120.
21Bijlage bij de Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2019, nr. 2019-0000665073, p. 5.
22Zie Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1713.
23Zie onder meer Aanhangsel Kamerstukken II 2019/20, nr. 1682 en Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 2098. Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 625. Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1120.
24Idem, p. 2.
25Kamerstukken II 2017/18, 34972, nr. 3, p. 48.
26Kamerstukken II 2018/19, 34 972, nr. 6, p. 17.
27Brief van de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 17 december 2020, nr. 2020-0000249004.
28FutD 2022-0560 en V-N 2022/15.16.
29NTFR 2022/1080 .
30NLF 2022/0540 .
31Kamerstukken II 2013/14, 33 714, nr. 3, p. 23-24.
32Zie bijvoorbeeld art. 28 Wet LB. Mij staat ook bij dat toen een aantal jaren geleden de digitalisering in het verkeer met de Belastingdienst werd ingezet, sommige ondernemers zich genoodzaakt zagen een nieuwe computer aan te schaffen omdat de computer(s)
die zij gebruikten niet langer aansloten bij de apparatuur van de Belastingdienst.
33Voor de volledigheid merk ik op dat hetzelfde mutatis mutandis geldt voor de omzetbelasting.
34Bijlage bij de Brief van 16 maart 2022 van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, nr. 2022-0000087078, V-N 2022/15.17 met commentaar redactie.