email: info@emvoadvies.nl
maandag, 16 maart 2026

Publicatiedatum: 01/09/2022

Categorie: Onroerende zaken

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLGHSHE20222778, 21/00663 en 21/00664

Bewijslastverdeling in procedure WOZ-beschikking


In een procedure over de WOZ-waarde van een onroerende zaak is de bewijslast doorgaans als volgt verdeeld. De gemeentelijke heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Slaagt hij daar niet in, dan dient de belanghebbende de door hem voorgestane lagere waarde aannemelijk te maken. Wanneer ook de belanghebbende niet slaagt in de op hem rustende bewijslast, dan is het aan de rechter om de waarde in goede justitie vast te stellen.

De vraag in een procedure in hoger beroep bij Hof Den Bosch is hoe de bewijslast verdeeld moet worden als de heffingsambtenaar berust in de WOZ-waarde, zoals die door de rechtbank is vastgesteld. Volgens een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden uit 2021 is het in een dergelijk geval aan de belanghebbende om de door hem verdedigde waarde aannemelijk te maken. Hof Den Haag heeft in een uitspraak uit 2022 dezelfde bewijslastverdeling toegepast. In deze zaak heeft de rechtbank de WOZ-waarde bepaald door uit te gaan van de door de heffingsambtenaar verdedigde huurwaardekapitalisatiefactor, vermenigvuldigd met de door de belanghebbende verdedigde huurwaarden. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de hoogte van de kapitalisatiefactor.

In afwijking van de genoemde hofuitspraken dient in deze zaak de heffingsambtenaar eerst aannemelijk te maken dat de door hem gebruikte kapitalisatiefactor van 9,4 niet te hoog is. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daar niet in is geslaagd. Het hof is van oordeel dat de belanghebbende de door hem verdedigde kapitalisatiefactor van 5,9 evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Het hof stelt de kapitalisatiefactor in goede justitie vast op 7,6.