ECLINLGHSHE20242079
Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 26-06-2024
Datum publicatie 09-07-2024
Zaaknummer 22/1695
Formele relaties Herstelarrest: ECLI:NL:GHSHE:2014:705
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Herziening,Hoger beroep
Inhoudsindicatie Artikel 8:119, lid 1, letter c, Awb.
Het hof wijst het herzieningsverzoek af omdat hetgeen dat verzoekster nu naar voren brengt geen onderdeel uit maakte van het geschil in de eerdere hogere beroepsprocedure. Gelet hierop is geen sprake van feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak
zouden hebben kunnen leiden.
Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:119
Vindplaatsen Rechtspraak.nl; V-N Vandaag 2024/1492
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1695
Uitspraak op het verzoek van [belanghebbende], wonend in [woonplaats], hierna: verzoekster, om herziening in de zin van artikel 8:119, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de uitspraak van dit hof van 7 maart 2014, nummers
13/550 tot en met 13/5611.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Over de jaren 1997 tot en met 2000 zijn aan verzoekster navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting opgelegd, waarbij heffingsrente in rekening is gebracht.
1.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank)2. De rechtbank heeft
het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
1.3.
Verzoekster heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Verzoekster heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie met een verwijzing naar artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard3.
1.5.
Verzoekster heeft het hof eerder verzocht om herziening van de uitspraak van 7 maart 2014. Het hof heeft dat verzoek afgewezen4.
1.6.
Verzoekster heeft met dagtekening 7 oktober 2022 het hof opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van 7 maart 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
Verzoekster heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend.
1.8.
De zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen verzoekster vergezeld door haar partner [partner] en haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Gronden
2.1.
In de uitspraak van het hof van 7 maart 2014 is het volgende opgenomen:
“3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het voorbereiden en opleggen van de navorderingsaanslagen. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur
is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2.Ter zitting zijn partijen tot overeenstemming gekomen dat het rendement op de KBC-bankrekening dient te worden gesteld op drie procent. Omdat belanghebbende daarom geen belang meer heeft bij haar grief dat de Inspecteur de bewijslast ten onrechte heeft
omgekeerd, heeft zij haar grief laten varen. Een en ander behelst, naar belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard, dat indien het gelijk is aan de Inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 2000 terecht zijn verminderd
tot door de Rechtbank vastgestelde belastbare inkomens voor de onderscheidene jaren 1997 tot en met 2000.”
2.2.
Op basis van artikel 8:119, lid 1, Awb, kan een onherroepelijke uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de desbetreffende rechtelijke instantie eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Zoals volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming5 van deze bepaling is de mogelijkheid van herziening uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen.
2.3.
Volgens verzoekster betrof één van de geschilpunten in de uitspraak van het hof van 7 maart 2014 of twee fondsen6 die belanghebbende in 1997 tot en met 2000 hield aandelenfondsen of rentefondsen betroffen. De inspecteur heeft destijds het rendement voor
de twee fondsen met toepassing van artikel 29a Wet op de inkomstenbelasting 1964 vastgesteld op 6%, in plaats van op 3%, aldus verzoekster. Uit informatie die verzoekster nu heeft verkregen bedraagt het gemiddelde rendement van één van de twee fondsen over
de periode 1997 tot en met 2000 3% en voor het andere fonds overlegt zij een e-mail waaruit zou moeten blijken dat het een vergelijkbaar fonds betreft. Verzoekster doet daarbij haar verzoek om herziening steunen op e-mail correspondentie met diverse account-
en fondsmanagers.
2.4.
Tijdens de hoger beroepsprocedure die tot de uitspraak van het hof van 7 maart 2014 heeft geleid, was gelet op de hiervoor onder 2.1 opgenomen geschilomschrijving alleen nog in geschil of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag voldoende
voortvarend had gehandeld. Wat verzoekster nu naar voren brengt maakte dus geen onderdeel uit van het geschil. Reeds gelet hierop is geen sprake van feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden bij het hof, als bedoeld
in artikel 8:119, lid 1, letter c, Awb. Het hof wijst het verzoek tot herziening om die reden af.
Tussenconclusie
2.5.
De slotsom is dat het herzieningsverzoek wordt afgewezen.
Ten aanzien van het griffierecht
2.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
2.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
3Beslissing
Het hof wijst het verzoek tot herziening af.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, M.J.C. Pieterse en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024 en afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:705.
2 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 februari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:1613.
3 Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2818.
4 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1207.
5 Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 3, p. 18-19.
6 Aangeduid door de gemachtigde als WKN 972880 en WKN 972032.