email: info@emvoadvies.nl
donderdag, 12 maart 2026

Publicatiedatum: 03/10/2024

Categorie: Inkomstenbelasting

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLGHARL20245778, 23/2204

Stamrechtuitkering was vorderbaar en inbaar


De Wet IB 2001 bepaalt op welk tijdstip een bestanddeel van het inkomen uit werk en woning (box 1) wordt genoten. Dat is het geval als het is ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of als het vorderbaar en inbaar is. Een bedrag is vorderbaar als er een recht op onmiddellijke betaling bestaat en het bedrag ook met succes in rechte kan worden gevorderd. Een inkomensbestanddeel is inbaar als de schuldenaar zonder vertraging zou betalen als de schuldeiser hierom verzoekt.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een procedure beoordeelt of een stamrechtuitkering van een bv aan haar aandeelhouder vorderbaar en inbaar was. In een eerdere procedure heeft het hof geoordeeld dat een door een vennootschap verschuldigde stamrechtuitkering inbaar is wanneer deze verrekend kan worden met een schuld van de belanghebbende aan de vennootschap. Niet van belang is of er feitelijk is verrekend.

Uit de standpunten van partijen volgt dat niet in geschil is dat de aandeelhouder in 2019 aanspraak kon maken op de stamrechtuitkering. De stamrechtuitkering was daarmee in 2019 vorderbaar. De aandeelhouder had een schuld aan de bv. Als houder van alle aandelen had de aandeelhouder de mogelijkheid om de stamrechtuitkering te verrekenen met zijn schuld aan de bv. Dat betekent dat de stamrechtuitkering in 2019 ook inbaar is geweest. Naar het oordeel van het hof heeft de aandeelhouder de stamrechtuitkering ook genoten. De inspecteur heeft de stamrechtuitkering terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning van 2019 van de aandeelhouder gerekend.