email: info@emvoadvies.nl
donderdag, 12 maart 2026

Publicatiedatum: 10/10/2024

Categorie: Ondernemingswinst

Hoge Raad

Aard: jurisprudentie

Nummer: ECLINLHR20241248,

Fagoedmethode ten onrechte toegepast: gevolgen voor landbouwvrijstelling


Het Fagoed-arrest uit 1996 betreft de situatie waarin een landbouwbouwer landbouwgrond verkoopt aan een verzekeringsmaatschappij onder voorbehoud van een recht van erfpacht en met vestiging van een terugkooprecht. De zogenaamde Fagoed-methode houdt in dat de landbouwer de volledige eigendom van de grond tegen de oorspronkelijke boekwaarde activeert, de ontvangen koopsom als een geïndexeerde geldlening passiveert en de indexatiebedragen ten laste van de winst brengt. Volgens de Hoge Raad is deze methode niet in strijd met goed koopmansgebruik, mits het economische belang bij de grond voor een groot deel bij de ondernemer blijft berusten. Dat is volgens het Fagoed-arrest het geval als mag worden aangenomen dat het verkregen terugkooprecht zijn waarde zal behouden en de blote eigendom van de grond in het vermogen van die ondernemer zal terugkeren tegen betaling van de ontvangen koopsom plus indexatie of een bedrag gelijk aan de lagere vrije waarde van de grond op het moment van de terugkoop. Het Fagoed-arrest ziet op de bepaling van de jaarwinst.

De Hoge Raad heeft op 27 september 2024 geoordeeld dat de Fagoed-methode ook voor de berekening van de totaalwinst kan worden gevolgd. Dat kan als het de ondernemer is toegestaan de erfpachttransactie voor de jaarwinstbepaling als geïndexeerde geldlening in aanmerking te nemen en hij dat ook heeft gedaan. In een dergelijke situatie komt de waardestijging van de grond in zijn geheel in het vermogen van de ondernemer tot uiting. Dat brengt mee dat dan in beginsel de landbouwvrijstelling van toepassing is op de boekwinst, die de ondernemer na terugkoop van de blote eigendom van de grond behaalt.

Op dezelfde dag heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een iets afwijkende situatie. De landbouwer had hier in een onderhandse akte laten opnemen dat hij in de eerste twaalf jaar van de looptijd van de erfpachtovereenkomst het recht van erfpacht kon verkopen aan de verzekeringsmaatschappij of aan een derde. In dat laatste geval zou de verzekeringsmaatschappij de blote eigendom gelijktijdig verkopen aan deze derde. Vanwege deze tussentijdse afwikkelingsmogelijkheid kan volgens de Hoge Raad niet worden aangenomen dat het recht om de blote eigendom van de grond na afloop van de erfpachttermijn terug te kopen, zijn waarde zal behouden. Evenmin kan worden aangenomen dat die blote eigendom in het vermogen van de landbouwer zal terugkeren tegen betaling van de geïndexeerde koopsom. Deze landbouwer heeft de vervreemding van de blote eigendom van de grond ten onrechte in zijn fiscale jaarrekening steeds verwerkt volgens de Fagoed-methode.

Dit betekent dat de indexatie van de koopsom niet kan worden gezien als een financieringslast. De waardestijging van de grond is tot het bedrag van de indexatie van de koopsom niet in het vermogen van de landbouwer tot uiting gekomen. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft terecht geoordeeld dat de landbouwvrijstelling in zoverre niet van toepassing is op de door de landbouwer behaalde boekwinst.

Het ingevolge de onderhandse akte aan de verzekeringsmaatschappij toekomende bedrag, voor zover dat de stand van de geïndexeerde geldlening overtreft, kan niet worden gezien als een door de landbouwer verschuldigd bedrag vanwege het voortijdig afwikkelen van de erfpachtfinanciering. Tot dat bedrag is de waardestijging van de grond dus evenmin in zijn vermogen tot uiting gekomen. Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat de landbouwvrijstelling ook in zoverre niet van toepassing is op de behaalde boekwinst.