Hoofdstuk IV. Suppletie (oud)
Artikel 15
1 Zodra de belastingplichtige constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste
en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken.
2 De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden.
3 De suppletie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zo spoedig mogelijk op de door de inspecteur aangegeven wijze.
4 Het niet of niet tijdig doen van de suppletie, bedoeld in het eerste lid, en het niet doen van de suppletie op de op grond van het derde lid aangegeven wijze worden aangemerkt als een overtreding.
5 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het vierde lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.
Hoofdstuk IV. Suppletie (nieuw)
Artikel 15
1 Zodra de belastingplichtige constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste
en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken.
2 De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden, maar
niet later dan acht weken nadat de belastingplichtige de onjuistheid of onvolledigheid heeft geconstateerd.
3 De suppletie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op de door de inspecteur aangegeven wijze.
Artikel 15a
1 Het niet of niet tijdig doen van de suppletie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, en het niet doen van de suppletie op de op grond van artikel 15, derde lid, aangegeven wijze worden aangemerkt als een overtreding.
2 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete voor een overtreding als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.
2.7 Aanpassen boetebepaling suppletieplicht omzetbelasting
De wijziging ziet op het invoeren van een duidelijke termijn waarbinnen een suppletie moet worden gedaan. Zodra een ondernemer constateert dat hij in de afgelopen vijf kalenderjaren een fout heeft gemaakt in zijn btw-aangifte waardoor te veel of te weinig belasting
is betaald, is hij gehouden die fout uit eigen beweging te herstellen. Hij moet dan alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekken.26 Een suppletie die strekt tot een teruggaaf wordt als een verzoek
om teruggaaf behandeld. Het niet nakomen van de suppletieverplichting is een overtreding.27 Voor deze overtreding kan, in geval van opzet of grove schuld, een vergrijpboete worden opgelegd van maximaal 100% van de btw die alsgevolg van het niet nakomen van
de verplichting niet is of zou zijn geheven.28 De suppletie moet gedaan worden «voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden».29 De suppletie
moet voorts «zo spoedig mogelijk» worden gedaan.30 Deze dubbele termijn zorgt in de praktijk voor onduidelijkheid en wordt daarom aangepast. Als een ondernemer constateert dat hij moet suppleren, dan moet de suppletie voortaan uiterlijk binnen acht weken worden
gedaan. Aanleiding voor deze aanpassing is het oordeel van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juli 2023 dat enkel de hiervoor als eerste genoemde termijn maatgevend is voor het uiterste tijdstip van suppleren.31 Ondanks de mogelijkheid van hoger beroep,
levert dit rechtbankoordeel een pleitbaar standpunt op over het uiterste tijdstip van suppleren.32 Het is daardoor niet meer mogelijk om een vergrijpboete op te leggen uitsluitend vanwege het niet «zo spoedig mogelijk» suppleren. Door de hiervoor bedoelde
uitspraak is de prikkel die van de voorwaarde33 om «zo spoedig mogelijk» te suppleren uitging, weggenomen. Een btw-ondernemer kan nu bijvoorbeeld, nadat hij de balans heeft opgemaakt en btw-schulden heeft vastgesteld, blijven stilzitten terwijl hij vanaf dat
moment weet dat hij moet suppleren. Het kabinet vindt het niet gewenst dat dit stilzitten niet kan worden beboet. Het UBOB 1968 wordt daarom aangepast.
Onveranderd blijft dat de suppletie moet worden gedaan «voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden».34 Deze aan de inkeerregeling ontleende
termijn blijft bestaan.35 De ondernemer moet suppleren voordat de eerste van de twee termijnen is verstreken. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de betreffende bepalingen te splitsen in twee artikelen waarvan de één ziet op de suppletieverplichting
en de ander op het aanmerken als een overtreding
en de bevoegdheid om een boete op te kunnen leggen. Deze vormgeving is in lijn met (bepaalde) andere informatieverplichtingen.36 De wijzigingen gaan in per 1 januari 2025. Op grond de in dit besluit opgenomen overgangsmaatregel vangt de termijn van acht weken
niet eerder aan dan op 1 januari 2025.37 Met dit overgangsrecht hebben ondernemers die vóór 1 januari 2025 hebben geconstateerd dat zij moeten suppleren vanaf 1 januari 2025 maximaal acht weken de tijd om de suppletie alsnog te doen. Op deze wijze wordt voorkomen
dat ondernemers op het moment dat de maatregel in werking treedt onmiddellijk met een vergrijpboete kunnen worden geconfronteerd.
26 Artikel 15, eerste lid, UBOB 1968.
27 Artikel 15, vierde lid, UBOB 1968.
28 Artikel 10a, derde lid, AWR.
29 Zie artikel 15, tweede lid, UBOB 1968. Deze termijn is ontleend aan de inkeerregeling (zie artikel 67n AWR).
30 Zie artikel 15, derde lid, UBOB 1968.
31 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4986.
32 HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970, r.o. 3.1.5.
33 Zie artikel 15, derde lid, UBOB 1968. 3
4 Artikel 15, tweede lid, UBOB 1968.
35 Zie artikel 67n AWR.
36 Zie bijvoorbeeld de artikelen 28a en 28b Wet LB 1964, de artikelen 6.3 en 6.4 van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB 2021) en de artikelen 12.2 en 12.4 van de Wet minimumbelasting 2024 (WBM 2024).
37 Zie artikel XXII.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en Toeslagen
De Belastingdienst heeft de wijziging beoordeeld met een uitvoeringstoets. Daaruit blijkt dat de wijzigingen met ingang van 1 januari 2025 uitvoerbaar zijn.